De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging. Het cassatiemiddel richt zich op de motivering van het hof dat de bloedmonsters zonder uitstel zijn verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).
De bloedafname vond plaats op 15 juni 2017, het NFI ontving de monsters op 22 juni 2017. Het hof kon de exacte verzenddatum niet vaststellen, maar oordeelde dat de periode van zeven dagen, inclusief het transportproces, niet zo lang was dat niet van een verzending zonder uitstel kon worden gesproken. De Hoge Raad bevestigt dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is en dat het hof het verweer van de verdediging terecht heeft verworpen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een korte vertraging, bijvoorbeeld door weekenddagen, niet per definitie betekent dat niet aan het vereiste van verzending zonder uitstel is voldaan. Ook het feit dat de afstand tussen politiebureau en NFI normaal gesproken slechts een uur bedraagt, doet niet af aan het oordeel van het hof, omdat het transportproces meer omvat dan alleen de reistijd.
De Hoge Raad ziet geen reden om het arrest van het hof te vernietigen en concludeert dat de onderzoeksresultaten van het NFI voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het cassatieberoep wordt verworpen.