Conclusie
1.Feiten
het hof) in rov. 3.1-3.31 van het arrest van 8 maart 2022 (hierna:
het arrest). [1] Daaraan voorafgaand citeer ik rov. 1, waarin het hof de zaak “in het kort” schetst:
[verweerder]) is huisadvocaat geweest van wijlen horecaondernemer [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) en diens vennootschappen. [betrokkene 1] huurde en verpachtte - al dan niet via zijn vennootschap Plassania Beheer B.V. (hierna:
Plassania) - horecagelegenheden in heel Nederland. [betrokkene 1] was enig bestuurder van zijn vennootschappen en bestierde deze vennootschappen, zo ook Plassania, nagenoeg alleen.
FGH Bank). Na aftrek van de afsluitprovisie van € 20.000 heeft FGH Bank op 1 juni 2010 € 1.980.000 aan Plassania overgemaakt.
Drie Gezusters). [betrokkene 1] was destijds enig aandeelhouder en bestuurder van Drie Gezusters.
[de geregistreerd partner van betrokkene 1]) onder vermelding van “TRANSFER HOLLAND”. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] was sinds 17 maart 2001 geregistreerd partner van [betrokkene 1] en woonde in Spanje.
de nieuwe directie van Plassania).
de brouwerijen). In alle geschillen werd Plassania steeds bijgestaan door [verweerder] . [verweerder] is vervolgens in samenspraak met de nieuwe directie van Plassania en de boekhouder van Plassania, [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), met diverse “precaire” crediteuren van Plassania (zoals de brouwerijen en de banken) in overleg getreden over een “standstill overeenkomst”. Om de financiële toestand van Plassania helder te krijgen, heeft de nieuwe directie van Plassania op instigatie van een van de banken op 16 juli 2010 aan BDO Corporate Finance B.V. (hierna:
BDO) opdracht gegeven de kasstromen van Plassania in kaart te brengen.
Stichting Derdengelden). Deze overboekingen heeft [de geregistreerd partner van betrokkene 1] onder meer omschreven als “plassania beheer b.v. betaling urgente nota’s”, “plassania noodfonds” of in de omschrijving namen van de crediteuren van Plassania erbij vermeld. [verweerder] is bestuurder van Stichting Derdengelden.
De vraag is of wij op korte termijn op die wijze voldoende liquiditeiten kunnen binnen harken.
Gratama q.q.).
de derdenrekening). [verweerder] is verder verzocht het bedrag dat op de derdenrekening staat, over te maken naar de faillissementsrekening van Plassania. [verweerder] heeft daaraan geen gevolg gegeven.
Looyen q.q.). [verweerder] had het verzoek tot faillietverklaring op 12 oktober 2010 ontvangen en heeft ter faillissementszitting namens [de geregistreerd partner van betrokkene 1] verweer gevoerd.
de Overeenkomst). In de Overeenkomst staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
2.Faillissementspauliana
7.Faillissementspauliana ex artikel 42 jo Pro. 43 Fw
8.Onverplichte rechtshandeling
10.Onrechtmatig en/of tekortkoming
12.Vernietiging voldoening schuld ex artikel 47 Fw Pro
14.Restitutie
de curatoren) hebben bij brief van 17 december 2015 aan [verweerder] hun beroep op de faillissementspauliana en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting gehandhaafd.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
De rechthebbende op het saldo van de derdenrekening
Volgens Gratama qq staat genoegzaam vast dat de gelden op de derdenrekening waren bedoeld als noodfonds voor het voldoen van de crediteuren van Plassania en dat daarover afspraken zijn gemaakt die aan alle betrokken partijen zijn gecommuniceerd. Daarbij is van belang dat het bedrag van € 2 miljoen (…) dat van FGH Bank werd geleend binnen een paar dagen door [betrokkene 1] werd weggesluisd en buiten het zicht van de schuldeisers werd gebracht om het zodoende, zonder vrees voor beslagen, vrij te kunnen gebruiken. Uit het e-mailbericht van [betrokkene 2] van 18 juli 2010 (zie 3.8) volgt dat van “de buffer” een bedrag van € 2.150.000 was getraceerd en dat dit beschikbaar zou komen. Ook in het BDO-rapport wordt melding gemaakt van een bedrag van € 2 miljoen aan liquiditeiten dat beschikbaar was, en waarvoor een bankrekening moest worden verkregen. Die bankrekening was de derdenrekening van [verweerder] , aldus Gratama qq. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft in de periode 20 juli tot en met 16 augustus 2010 een bedrag van € 1.515.000 in tranches op de derdenrekening gestort. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] beschikte op dat moment zelf niet over enig (ander) vermogen of (andere) liquiditeiten, aldus Gratama qq. Voorts wijst Gratama qq erop dat naar de derdenrekening bedragen door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] zijn overgemaakt onder vermelding van “urgente nota’s”, “Plassania”, en “noodfonds”. Een en ander vindt volgens hem bevestiging in de getuigenverklaringen van [betrokkene 2] , [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , [de zwager] en [het nichtje] . Uit de gang van zaken kan volgens Gratama qq niet anders worden afgeleid dan dat het door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] gestorte bedrag aan Plassania ter beschikking werd gesteld om de crediteuren te voldoen. Door te stellen dat het noodfonds op de derdenrekening afkomstig is uit het vermogen van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] wordt getracht de door [betrokkene 1] beoogde verduistering van deze gelden te legaliseren. Gratama qq benadrukt voorts dat in strijd met de regelgeving en jurisprudentie niet voorafgaand aan de storting van het geld op de derdenrekening een overeenkomst is opgesteld. Aan de na het faillissement van Plassania en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] opgemaakte Overeenkomst moet volgens hem voorbijgegaan worden.
[verweerder] stelt daarom primair dat de gelden op de derdenrekening werden gehouden voor de met die gelden betaalde crediteuren van Plassania, en subsidiair dat deze werden gehouden voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] .
Tussen partijen is niet in geschil dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] van zijn privérekening bedragen heeft overgemaakt naar de derdenrekening van [verweerder] . Verder geldt als uitgangspunt voor de beoordeling dat het saldo op een bankrekening onderdeel uitmaakt van het vermogen van de rekeninghouder, in dit geval [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . Daarbij is niet van belang wat het herkomst is van het saldo. Dat het bedrag op zijn privérekening (mogelijk) geheel of gedeeltelijk afkomstig was van betalingen van [betrokkene 1] of aan hem gelieerde vennootschappen, maakt immers niet dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] niet gerechtigd was op het saldo op zijn privérekening.
grieven 5 en 6falen daarmee.
grieven 4 en 7met betrekking tot de vernietiging van de Overeenkomst heeft Gratama qq bij deze stand van zaken geen belang meer, omdat die vernietiging, niet kan leiden tot toewijzing van de gevraagde veroordelingen tot betaling aan Gratama qq en een ander belang bij die vernietiging is niet gesteld of gebleken. De
grieven 8 en 9delen het lot van de overige grieven.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
last resort- aanwijzen van de partij die de bedragen heeft overgemaakt als gerechtigde. In veel gevallen zal het feit dat een partij bedragen overmaakt naar een derdenrekening immers juist een contra-indicatie zijn voor de stelling dat deze partij (zonder meer) gerechtigd is tot de overgemaakte bedragen.”
Het hof behandelt in rov. 4.5-4.10 onder meer vordering onder 2 van Gratama q.q. als weergegeven in rov. 4.2, alsmede diens grieven 4 t/m 9 als weergegeven in rov. 4.3.
Wat het hof overweegt in rov. 4.7 is niet beperkt tot de derde alinea aldaar. [9] Het hof stelt het een en ander voorop in de tweede alinea aldaar. [10] Daarvan uitgaande, en bij gebreke van de in die derde alinea, eerste zin bedoelde vastlegging en bevestiging door [verweerder] , geldt als uitgangspunt dat de bedragen die [de geregistreerd partner van betrokkene 1] vanaf zijn privérekening heeft overgemaakt naar de derdenrekening door Stichting Derdengelden werden gehouden voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] als degene van wie de bedragen afkomstig waren. Aldus het hof in die derde alinea, laatste zin.
Het hof gaat verder in de vierde alinea aldaar [11] met te bezien wat de uitkomst is als ook worden betrokken de door Gratama q.q. aangedragen feiten en omstandigheden in het kader van diens betoog dat de bedragen op de derdenrekening werden gehouden voor Plassania (rov. 4.5). Dit met inachtneming van het door [verweerder] daartegen aangevoerde, volgens wie die gelden werden gehouden voor de daarmee betaalde schuldeisers van Plassania, althans voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (rov. 4.6). ’s Hofs slotsom is dat dit door Gratama q.q. gestelde, al met al (rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea), niet de gevolgtrekking kan dragen dat Stichting Derdengelden die gelden hield voor Plassania (rov. 4.8). [12] Uit rov. 4.5-4.8 volgt dat niet is komen vast te staan dat de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening gestorte bedragen werden gehouden voor Plassania (rov. 4.9, eerste zin). Waarmee naar ’s hofs oordeel alle vorderingen van Gratama q.q. stranden, dus niet alleen die onder 2, nu die alle zien op betalingen die ten laste gingen van het saldo op de derdenrekening dat gehouden werd voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (rov. 4.9, vervolg). De grieven 4 t/m 9 van Gratama q.q. ketsen daarop af (rov. 4.7 en 4.9). Daaruit vloeit dan voort wat het hof overweegt in rov. 4.10. Zie onder 2.9 hiervoor.
Blijkens rov. 4.5-4.10 ziet het hof niet eraan voorbij dat rechthebbenden op het saldo van een derdenrekening als de onderhavige [13] degenen zijn ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder voorwaarden die in de onderlinge verhouding nader gelden. [14] Wat erop neerkomt dat op die rekening gestorte gelden worden gehouden voor degene die daarop recht heeft in de gegeven feiten en omstandigheden, met inachtneming van de rechtsverhouding tussen betrokkenen. [15] In rov. 4.5-4.10 huldigt het hof evenmin de opvatting dat een schriftelijke vastlegging of bevestiging een voorwaarde is om te kunnen vaststellen wie de rechthebbende is, niet hoogstens een rol kan spelen als één van de bij die vaststelling in ogenschouw te nemen factoren. Net zo min als het hof een “
last resort”-benadering volgt als bedoeld in nr. 1.2, voorlaatste zin van het onderdeel. Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
Hetgeen het hof in rov. 4.5-4.10 mede doet, is, met inachtneming van het partijdebat (rov. 4.5-4.6), beoordelen voor wie Stichting Derdengelden de bedragen die [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft overgemaakt naar de derdenrekening hield in voornoemde zin (rov. 4.7-4.9). Welk vraag voorligt vanwege het door Gratama q.q. gevorderde alsmede diens grieven 4 t/m 9 (rov. 4.2-4.3). En het hof dus alles afwegende beantwoordt met ‘ [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ’ (als subsidiair voorgestaan door [verweerder] ), niet met ‘Plassania’ (als voorgestaan door Gratama q.q.) of ‘de met die gelden betaalde schuldeisers van Plassania’ (als primair voorgestaan door [verweerder] ). Zie onder 3.4.1 hiervoor. Dit geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Wat er zij van de opmerking in nr. 1.2, laatste zin van het onderdeel, dit staat hoe dan ook niet in de weg aan het voorgaande gezien hetgeen het hof overweegt in rov. 4.5-4.10. [16] Het in nr. 1.3 van het onderdeel opgemerkte [17] baat Gratama q.q. evenmin. Reeds omdat het onderdeel ook daar ten onrechte negeert dat het hof in rov. 4.5-4.6 (in cassatie onbestreden) uitvoerig uiteenzet wat Gratama q.q. heeft aangevoerd ten aanzien van zijn vordering onder 2 en door [verweerder] daartegenover is gesteld, hetgeen het hof vervolgens kenbaar en afdoende betrekt in zijn oordeelsvorming, mede in rov. 4.7-4.9. [18]
nietwerden gehouden ten gunste van Plassania (nr. 3.2). Specifiek in het licht van de stellingen sub 5 t/m 19 is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat van een (stilzwijgende) afspraak tussen [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , Plassania en [verweerder] over het houden van de gelden ten gunste van Plassania
geensprake was (nr. 3.3).
Stelling 1(“
Uit het BDO-rapport van 21 juli 2010 volgde dat er volgens de directie binnen de Plassania-groep een bedrag van EUR 2 miljoen beschikbaar was voor Plassania om kortlopende verplichtingen van Plassania te voldoen. Uit het rapport volgde ook dat het kunnen beschikken over dit bedrag van levensbelang was voor het noodlijdende Plassania”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [24] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [25]
Stelling 2(“
[betrokkene 1] maakte het bedrag van ruim EUR 2 miljoen van de rekening van Plassania (met wat aanvullende gelden van overige rekeningen) tussen 1 en 24 juni 2010 aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] over zonder dat daar enige verplichting of rechtsgrond voor bestond”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [26] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [27]
Stelling 3(“
Uit (schriftelijke) verklaringen en (email-)correspondentie van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] zelf, [het nichtje] , [betrokkene 2] en [de zwager] volgt dat het geld dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] van [betrokkene 1] had ontvangen, geleend was van FGH Bank en bedoeld was om Plassania te redden (door precaire schuldeisers te voldoen) dan wel een ‘zachte landing’ te bewerkstelligen, en uitdrukkelijk niet voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] in privé was”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [28] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [29]
Stelling 4(“
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] beschikte zelf niet over inkomsten. De gelden waren dus afkomstig van Plassania en konden niet anderszins zijn verkregen”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [30] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [31]
Stelling 5(“
(Kort) nadat [betrokkene 2] en de (nieuwe) directie van Plassania hadden ontdekt dat de gelden door [betrokkene 1] waren overgemaakt aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , hebben [betrokkene 2] en de directie van Plassania [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aangespoord om de gelden terug te betalen. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] wilde daar eerst niet toe overgaan, omdat [betrokkene 1] hem op het hart had gedrukt de gelden “onder geen beding terug te sturen naar Nederland, en geen cent meer in Plassania te stoppen”. Toch heeft [de geregistreerd partner van betrokkene 1] uiteindelijk ingestemd met het verzoek om gelden terug te storten”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [32] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [33]
Stelling 6(“
Voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] was van belang dat de teruggestorte gelden ten gunste zouden komen aan Plassania. Daarmee zou de mogelijkheid open worden gehouden dat Plassania kon worden gered”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 5.
Stelling 7(“
Daarnaast was [de geregistreerd partner van betrokkene 1] er door meerdere directieleden van Plassania op gewezen dat de gelden niet bij hem konden blijven, omdat deze op onrechtmatige wijze aan het vermogen van Plassania waren onttrokken. Door de gelden terug te storten voldeed [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan zijn verplichting tot terugbetaling van het onrechtmatig aan Plassania onttrokken vermogen”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 5. [34]
Stelling 8(“
Tussen [betrokkene 2] , de directie van Plassania en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] is overeengekomen dat de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] over te maken gelden konden worden ingezet door de directie van Plassania om crediteuren te betalen”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen op de daarbij genoemde vindplaats. Wat daar wel te lezen valt, betreffende een verklaring van [betrokkene 2] , dekt het hof af in rov. 4.5, tweede alinea. [35] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [36]
Stelling 9(“
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft vanaf 20 juli 2010 de gelden - met die intentie - naar de derdenrekening overgemaakt”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 5.
Stelling 10(“
Voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] was op het moment dat hij de gelden terug overmaakte duidelijk dat deze gelden niet langer aan hem toebehoorden”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen op de daarbij genoemde vindplaats. Dit betreft slechts een lang (bijna twee pagina’s tellend) citaat uit een verklaring van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . [37] In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is.
Stelling 11(“
Bij de overboekingen stond vermeld dat de gelden bedoeld waren voor de schuldeisers van Plassania of voor het noodfonds van Plassania”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 5.
Stelling 12(“
De hoofdlijnen van de bovenstaande afspraken zijn op 18 juli 2010 door [betrokkene 2] per e-mail gedeeld met de directie van Plassania, [verweerder] en de belangrijkste schuldeisers van Plassania. [verweerder] was er dus van op de hoogte dat de gelden aan Plassania waren onttrokken en dat ze terug in het vermogen van Plassania moesten worden gebracht”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [38] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [39]
Stelling 13(“
[verweerder] erkende zelf ook het bestaan van een noodfonds dat aan Plassania ter beschikkingmoest komen te staan
(voordat het door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan hem was overgemaakt), dan wel ter beschikkingstond
(na de overboekingen), en dat dit fonds bedoeld was om de crediteuren van Plassania te betalen”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen in diens memorie van grieven, het onderdeel wijst hier ook niet op een vindplaats aldaar. De in rov. 4.2 en 4.5, eerste alinea bedoelde vordering onder 2 van Gratama q.q. (inclusief het daartoe door hem aangevoerde) houdt geen kenbaar verband met de vindplaatsen die het onderdeel hier noemt. In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is (nog daargelaten in hoeverre genoemde stelling aansluit op die vindplaatsen).
Stelling 14(“
Crediteuren van Plassania waren ook op de hoogte van het bestaan en de bedoeling van het noodfonds. Zij waren hierover door [verweerder] zelf geïnformeerd. Inbev heeft in een email bevestigd dat [verweerder] op 19 juli 2010 (vóór de overboeking) had aangegeven dat er door [betrokkene 1] gelden waren onttrokken aan de Plassania-groep en dat deze aan Plassania terug overgemaakt zouden worden en besteed zouden worden aan een solvente liquidatie van Plassania. Deze email is door [verweerder] aan de directie toegestuurd. Uit de faillissementsaanvraag van Inbev volgt dat Inbev was geïnformeerd dat vanaf een buitenlandse rekening een bedrag van EUR 2,15 miljoen aan Plassania ter beschikking was gesteld en als noodfonds werd aangewend. Eenzelfde conclusie volgt uit de correspondentie met Grolsch”). Een dergelijke samenhangende stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen in diens memorie van grieven, ook niet op de enige vindplaats aldaar waarop het onderdeel hier wijst. [40] De in rov. 4.2 en 4.5, eerste alinea bedoelde vordering onder 2 van Gratama q.q. (inclusief het daartoe door hem aangevoerde) houdt geen kenbaar verband met de vindplaatsen die het onderdeel hier noemt. In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is (nog daargelaten in hoeverre genoemde stelling aansluit op die vindplaatsen).
Stelling 15(“
In een concept van een ‘standstill
overeenkomst’ van 29 juli 2010 heeft [verweerder] geschreven dat het doel van destandstill
met de betrokken crediteuren onder meer is de hoogte van de onttrekkingen van [betrokkene 1] vast te stellen en de onttrokken bedragen in de boedel terug te brengen. Ook stond daarin dat het - samengevat - Plassania, de bestuurders en de erven van [betrokkene 1] niet was toegestaan handelingen te verrichten die de boedel zouden benadelen”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt te lezen op de vindplaats in diens memorie van grieven die het onderdeel hier noemt. [41] De in rov. 4.2 en 4.5, eerste alinea bedoelde vordering onder 2 van Gratama q.q. (inclusief het daartoe door hem aangevoerde) houdt evenwel geen kenbaar verband met deze vindplaats. In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is.
Stelling 16(“
De constructie met de derdengeldenrekening was enkel bedoeld om beslag op de gelden bij Plassania te voorkomen; zonder dat risico zouden de gelden direct zijn overgemaakt aan Plassania”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen op de daarbij genoemde vindplaats. In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is. Wat daar wel te lezen valt, in het bijzonder betreffende de derdenrekening, dekt het hof af in rov. 4.5, tweede alinea. [42] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [43]
Stelling 17(“
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft na het overboeken van de gelden naar de derdenrekening geen bemoeienis meer met de allocatie ervan gehad. Hij had naar eigen zeggen ‘geen idee’ wat er met de gelden gebeurde, daarover werd ‘in Nederland besloten’”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 10.
Stelling 18(“
[verweerder] heeft de overboekingen door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] naar de derdenrekening niet geweigerd of de bedragen teruggestort. Integendeel; hij heeft vanaf de derdenrekening verschillende betalingen aan crediteuren van Plassania gedaan ‘namens’ of ‘inzake’ Plassania”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 13.
Stelling 19(“
Bij het overmaken van bedragen aan crediteuren van Plassania vroeg [verweerder] om toestemming van de directie van Plassania. De directie besliste dus op welke wijze en aan wie de gelden werden besteed, waaruit volgt dat Plassania door partijen werd gezien als de rechthebbende van de gelden”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 13.
Stelling 20(“
De door [verweerder] opgestelde overeenkomst (waarin het uitgangspunt wordt geformuleerd dat de gelden op de derdenrekening van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] waren) is van 29 november 2010, derhalve meer dan twee maanden na het faillissement van Plassania (13 september 2010), twee weken na de faillietverklaring van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (16 november 2010), en dus van ruim na het moment dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] het bedrag van EUR 1,515 miljoen had overgemaakt (periode 20 juli 2010-16 augustus 2010)”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [44] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [45]
Stelling 21(“
De afspraken die zijn neergelegd in voornoemde overeenkomst zijn bovendien niet in overeenstemming met de afspraken die in werkelijkheid zijn gemaakt c.q. wat de werkelijke intentie van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] was toen hij de gelden overmaakte. [verweerder] had deze overeenkomst dan ook niet mogen opstellen en door partijen mogen laten ondertekenen. Geen van de betrokkenen weet precies wat zij hebben ondertekend en waarom dit achteraf nog moest gebeuren”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 20.
Stelling 22(“
Met de overeenkomst heeft [verweerder] gepoogd de gelden ‘gerechtvaardigd’ aan de boedel te kunnen onttrekken, maar dit was onrechtmatig jegens Plassania en haar crediteuren, nu deze daardoor benadeeld zijn”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 20.
Peeters/ […]-vorderingen niet slagen, is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.”
Plassania. Wat, blijkens rov. 4.6 (eveneens in cassatie onbestreden), is betwist door [verweerder] . Welk standpunt het hof dus niet volgt, net zo min als de primaire stelling van [verweerder] dat die gelden werden gehouden voor de daarmee betaalde schuldeisers van Plassania. [47] Overigens valt deze uitleg van de gedingstukken, die in beginsel aan het hof als feitenrechter is voorbehouden, ook niet als onbegrijpelijk aan te merken. [48]
Peeters/ […]-vorderingen niet slagen” (nr. 4.2), nu ook deze vorderingen van Gratama q.q. dus ten onrechte veronderstellen dat genoemde gelden werden gehouden voor Plassania, zoals tevens tot uitdrukking komt in rov. 4.9.