ECLI:NL:PHR:2023:294

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2023
Publicatiedatum
10 maart 2023
Zaaknummer
22/02091
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 FwArt. 43 FwArt. 47 FwArt. 407 lid 2 RvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat gelden op derdenrekening gehouden worden voor overmaker, niet voor vennootschap

De zaak draait om de vraag wie gerechtigd is tot het saldo van een derdenrekening van Stichting Beheer Derdengelden, waarop een bedrag van €1.515.000 is gestort door de geregistreerd partner van wijlen [betrokkene 1]. De curatoren van Plassania Beheer B.V. vorderen terugbetaling van deze gelden, stellende dat deze gelden ten behoeve van Plassania werden gehouden en dat de stortingen onverplicht waren en benadeling van schuldeisers opleverden.

De rechtbank en het hof oordeelden dat de gelden op de derdenrekening gehouden werden voor de geregistreerd partner, omdat geen schriftelijke of andere bindende afspraken waren gemaakt dat de gelden voor Plassania waren bestemd. Het hof overwoog dat het saldo op een bankrekening onderdeel is van het vermogen van de rekeninghouder, ongeacht de herkomst van het geld. Het hof verwierp het bewijsaanbod van Gratama q.q. dat de gelden voor Plassania werden gehouden.

In cassatie klaagt Gratama q.q. over de rechtsopvatting van het hof, de motivering en het oordeel dat de gelden niet voor Plassania waren bestemd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehuldigd, dat het hof de relevante omstandigheden heeft betrokken en dat het oordeel voldoende is gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen.

De Hoge Raad bevestigt hiermee dat bij derdenrekeningen de vraag wie gerechtigd is tot het saldo wordt beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, maar dat het feit dat de gelden afkomstig zijn van een bepaalde partij een zwaarwegend uitgangspunt is. Schriftelijke vastlegging is geen vereiste, maar het hof vond onvoldoende concrete aanwijzingen voor een andere gerechtigde dan de overmaker. De vorderingen van Gratama q.q. stranden daardoor.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de gelden op de derdenrekening gehouden worden voor de geregistreerd partner die het geld heeft gestort en niet voor Plassania Beheer B.V.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02091
Zitting10 maart 2023
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
S.D.W. Gratama q.q.
tegen
[verweerder]
Inleiding
Deze zaak draait om gelden die een derde heeft gestort op de door verweerder in cassatie als advocaat aangehouden derdenrekening van een stichting beheer derdengelden. Meer precies om de vraag voor wie deze gelden door deze stichting werden gehouden. Volgens eiser in cassatie was dat voor een bepaalde vennootschap. Dit standpunt is niet gevolgd in het bestreden arrest. Diens daartegen gerichte cassatieklachten missen m.i. alle doel.

1.Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan de feiten als vastgesteld door het gerechtshof Amsterdam (hierna:
het hof) in rov. 3.1-3.31 van het arrest van 8 maart 2022 (hierna:
het arrest). [1] Daaraan voorafgaand citeer ik rov. 1, waarin het hof de zaak “in het kort” schetst:
“ [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) had bij FGH Bank N.V. (hierna: FGH Bank) voor een van zijn vennootschappen, Plassania Beheer B.V. (hierna: Plassania), een lening afgesloten voor ongeveer € 2 miljoen. Dit bedrag is via de rekening van een andere vennootschap van [betrokkene 1] en via een privérekening van [betrokkene 1] overgemaakt naar een Spaanse rekening op naam van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , de geregistreerd partner van [betrokkene 1] (hierna: [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ). Kort daarna heeft [betrokkene 1] zichzelf het leven benomen en heeft hij Plassania met grote schulden achtergelaten. [verweerder] was de huisadvocaat van [betrokkene 1] en diens vennootschappen en is na het overlijden van [betrokkene 1] tevens gaan optreden als advocaat van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . Tussen [de geregistreerd partner van betrokkene 1] als erfgenaam, de nieuwe bestuurders van Plassania en [verweerder] is afgesproken dat een noodfonds zou worden gevormd waaruit alle “precaire” schuldeisers van Plassania konden worden betaald. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft vervolgens een bedrag van € 1.515.000 overgemaakt naar de derdenrekening van [verweerder] . [verweerder] heeft daarop van de derdenrekening, op aangeven van de bestuurders van Plassania, diverse betalingen gedaan aan schuldeisers van Plassania. Ook heeft hij een bedrag aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] terugbetaald en gelden overgemaakt naar zichzelf ter voldoening van (voorschotten op) zijn honorarium en betaalde verschotten en griffierechten. Zowel [de geregistreerd partner van betrokkene 1] als Plassania zijn failliet verklaard. De curatoren vorderen op verschillende gronden terugbetaling door [verweerder] van bedragen die op zijn derdenrekening zijn ontvangen.”
1.1
[verweerder] (hierna:
[verweerder]) is huisadvocaat geweest van wijlen horecaondernemer [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) en diens vennootschappen. [betrokkene 1] huurde en verpachtte - al dan niet via zijn vennootschap Plassania Beheer B.V. (hierna:
Plassania) - horecagelegenheden in heel Nederland. [betrokkene 1] was enig bestuurder van zijn vennootschappen en bestierde deze vennootschappen, zo ook Plassania, nagenoeg alleen.
1.2
Op 31 mei 2010 heeft Plassania € 2.000.000 geleend van FGH Bank N.V. (hierna:
FGH Bank). Na aftrek van de afsluitprovisie van € 20.000 heeft FGH Bank op 1 juni 2010 € 1.980.000 aan Plassania overgemaakt.
1.3
Diezelfde dag (op 1 juni 2010) is van de rekening van Plassania € 1.980.000 overgeboekt naar de rekening van Drie Gezusters West B.V. (hierna:
Drie Gezusters). [betrokkene 1] was destijds enig aandeelhouder en bestuurder van Drie Gezusters.
1.4
Op 16 juni 2010 heeft Drie Gezusters van haar rekening een bedrag van € 2.150.000 overgemaakt naar een rekening van [betrokkene 1] .
1.5
In de periode 16 juni 2010 tot en met 24 juni 2010 heeft [betrokkene 1] in totaal € 2.260.000 overgemaakt naar een rekening van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (hierna:
[de geregistreerd partner van betrokkene 1]) onder vermelding van “TRANSFER HOLLAND”. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] was sinds 17 maart 2001 geregistreerd partner van [betrokkene 1] en woonde in Spanje.
1.6
Op 27 of 28 juni 2010 is [betrokkene 1] door zelfdoding overleden. [betrokkene 1] had in zijn testament [de geregistreerd partner van betrokkene 1] tot enig erfgenaam benoemd en zijn nichtje [het nichtje] en zwager [de zwager] tot bestuurders van Plassania (hierna:
de nieuwe directie van Plassania).
1.7
De financiële situatie van [betrokkene 1] en die van zijn vennootschappen was na het overlijden van [betrokkene 1] niet meteen volledig inzichtelijk. Wel bleek al gauw dat een groot aantal crediteuren van Plassania (sommige al geruime tijd) onbetaald was gebleven. Plassania was ten tijde van het overlijden van [betrokkene 1] bovendien verwikkeld in diverse gerechtelijke procedures en geschillen met onder andere Grolsch, Heineken en InBev (hierna:
de brouwerijen). In alle geschillen werd Plassania steeds bijgestaan door [verweerder] . [verweerder] is vervolgens in samenspraak met de nieuwe directie van Plassania en de boekhouder van Plassania, [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), met diverse “precaire” crediteuren van Plassania (zoals de brouwerijen en de banken) in overleg getreden over een “standstill overeenkomst”. Om de financiële toestand van Plassania helder te krijgen, heeft de nieuwe directie van Plassania op instigatie van een van de banken op 16 juli 2010 aan BDO Corporate Finance B.V. (hierna:
BDO) opdracht gegeven de kasstromen van Plassania in kaart te brengen.
1.8
[betrokkene 2] heeft in zijn e-mail van 18 juli 2010 met als onderwerp “buffer noodfonds Plassania Beheer bv” het volgende geschreven aan [verweerder] , de brouwerijen en de banken (met in de cc de nieuwe directie van Plassania en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ):
“Vier weken voor het overlijden van [betrokkene 1] ben ik voor het laatst op [kantoor] geweest om “kantoorzaken” voor Plassania te regelen.
Ik weet inmiddels dat [betrokkene 1] begin juni een extra krediet groot 2 miljoen had verkregen van FGH. Zoals bij een aantal Uwer bekend, was het mij niet duidelijk waar dit geld in het korte tijdsbestek was gebleven.
Afgelopen dagen heb ik samen met [betrokkene 3] de bankzaken op een rij gezet en heb gevonden wat ik zocht.
[betrokkene 1] had, volgens mij voor moeilijke tijden, en vlak voor zijn overlijden geregeld, een buffer gevormd.
Deze buffer is getraceerd.
Terug overgeboekt kan worden € 2.150.000.
Ik noem dit een noodfonds en dit bedrag kan op korte termijn door de directie van Plassania worden ingezet om alle precaire crediteuren te betalen.
Inmiddels is mij bekend, dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] de overboeking op korte termijn kan regelen, zodat het bedrag spoedig kan worden ingezet. Het spreekt voor zich dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] hieraan graag zijn medewerking verleent.
Komende drie dagen zullen opnieuw gesprekken plaatsvinden met alle brouwerijen.
Nu zullen mijns inziens een groot aantal opgestarte processen na betaling van verschuldigde huren kunnen vervallen. Ik laat het oordeel hierover graag over aan [verweerder] .”
1.9
[verweerder] heeft de advocaat van Grolsch per fax van 20 juli 2010 bevestigd dat Plassania de opgegeven huurachterstanden kon voldoen uit het noodfonds.
1.1
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft vanaf 20 juli 2010 tot en met 16 augustus 2010 in totaal € 1.515.000 overgemaakt op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden [verweerder] (hierna:
Stichting Derdengelden). Deze overboekingen heeft [de geregistreerd partner van betrokkene 1] onder meer omschreven als “plassania beheer b.v. betaling urgente nota’s”, “plassania noodfonds” of in de omschrijving namen van de crediteuren van Plassania erbij vermeld. [verweerder] is bestuurder van Stichting Derdengelden.
1.11
Op 21 juli 2010 heeft BDO haar rapport (een “quick scan”) uitgebracht. Uit het rapport, dat ook naar [verweerder] is gestuurd, blijken grote privéopnames van [betrokkene 1] en een negatief eigen vermogen van Plassania. Verder volgt uit het rapport dat de omzet van Plassania achterblijft en Plassania in de daaropvolgende acht weken minimaal € 1.900.000 aan liquiditeiten nodig heeft.
1.12
In de door [verweerder] opgestelde “Blocnote (1)” d.d. 28 juli 2010 inzake “Stand van zaken Plassania Beheer”, bestemd voor de brouwerijen, de banken, de nieuwe directie van Plassania, [betrokkene 3] (medewerker van Plassania), [de geregistreerd partner van betrokkene 1] en [betrokkene 2] , is onder meer het volgende vermeld:
“5. Noodfonds:
Vanuit het buitenland is er naar Nederland overgeboekt het bedrag dat wijlen [betrokkene 1] voor zijn overlijden op een buitenlandse rekening had geplaatst en welk bedrag bij partijen bekend is als het noodfonds. Daaruit is op 26 juli aan Grolsche betaald de huur achterstand met betrekking tot de Oude Markt te Enschede en is ook de leverantie achterstand voldaan. Grolsche heeft daarop twee kort gedingen ingetrokken.
Uit dat fonds wordt vandaag betaald de huurachterstand met betrekking tot April Amsterdam en de huurachterstand voor Dante in de Spuistraat te Amsterdam ter voorkoming van rechtsmaatregelen die al waren aangezegd. Van de exacte bedragen zal ik u z.s.m. in kennis stellen.
6. Toestand van de boedel:
Wat de toestand van de boedel betreft verwijs ik graag naar de quickscan van BDO. De toestand van de boedel is allerminst rooskleurig en de continuïteit van Plassania is in ernstig gevaar bij gebreke van voldoende liquiditeiten.
Het liquiditeitstekort kan voorlopig alleen worden opgevangen door activa te verkopen en de opbrengst aan te wenden ter voldoening van lopende verplichtingen.
De vraag is of wij op korte termijn op die wijze voldoende liquiditeiten kunnen binnen harken.
Wij menen dat voor iedereen duidelijk is dat alle grote crediteuren een zeer aanzienlijk verlies zullen moeten nemen omdat de omvang van de schulden (ca 150 mio) de redelijkerwijs te verwachten opbrengst van de activa in ruime mate overtreft.”
1.13
In het derde concept van de “standstill overeenkomst” van 29 juli 2010, dat onder andere door [verweerder] is opgesteld, is onder meer te lezen:
“dat partijen reeds bekend waren met de financiële problemen van wijlen [betrokkene 1] en zijn ondernemingen en rechtspersonen maar na diens overlijden hebben vastgesteld dat die financiële problemen ernstiger zijn dan vermoed;”
1.14
In augustus 2010 heeft [verweerder] de onderhandelingen over een “standstill overeenkomst” namens Plassania voortgezet. Nadat Plassania een faillissementsaanvraag van 5 augustus 2010 had weten af te wenden, heeft [verweerder] in zijn “Blocnote (2)” d.d. 12 augustus 2010 inzake ““soft landing” Plassania / “Standstill”-overeenkomst” de nieuwe directie van Plassania, haar financiers, de brouwerijen, [de geregistreerd partner van betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de hoogte gesteld van de stand van zaken. [verweerder] heeft hen onder meer laten weten dat diverse betalingen aan crediteuren van Plassania worden gedaan en voorts:
“Wij hebben inmiddels duidelijk uitgesproken dat het doorzetten van ontruimingszaken tegen Plassania tot gevolg zal hebben dat wij zelf aangifte doen van faillissement, mogelijk komende week al.”
1.15
Een medewerker van Plassania heeft aan de gemachtigde van een schuldeiser van Plassania (Inkasso Unie) op 17 augustus 2010 het volgende gemaild:
“(...) Op 27 Juni 2010 is onze Directeur [betrokkene 1] overleden. In verband met de afwikkeling van de erfenis zijn alle banktegoeden bevroren, waardoor wij geen betalingen kunnen verrichten. Daar een en ander nu toch langer gaat duren dan te verwachten viel, hebben wij met onze advocaat [verweerder] afgesproken dat hij van zijn derdenrekening alle openstaande facturen gaat betalen. Ik kan u bij deze zeggen dat het geld nog deze week bij uw cliënt (...) binnen zal zijn. (...).”
1.16
[verweerder] heeft in zijn “Blocnote (3)” d.d. 19 augustus 2010 inzake ““soft landing” Plassania / “Standstill”-overeenkomst” de nieuwe directie van Plassania, haar financiers, de brouwerijen, [de geregistreerd partner van betrokkene 1] en [betrokkene 2] gemeld dat de bank (ABN Amro) inmiddels heeft aangezegd de leningen te zullen opeisen als op 23 augustus 2010 geen “standstill overeenkomst” wordt gesloten. [verweerder] komt in deze Blocnote tot de volgende conclusie:
“Het is vijf voor twaalf. (...) Plassania kan de enorme druk van gerechtelijke procedures niet veel langer aan. Het regent nog steeds exploten en aanzeggingen van rechtsmaatregelen.”
1.17
InBev (één van de brouwerijen) heeft diezelfde dag, 19 augustus 2010, het faillissement van Plassania aangevraagd. [verweerder] heeft het verzoekschrift op 20 augustus 2010 doorgestuurd naar de nieuwe directie van Plassania.
1.18
Op 20 augustus 2010 heeft Stichting Derdengelden een bedrag van € 100.000 overgeboekt naar de rekening van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] onder vermelding van “in uw opdracht retour uit noodfonds”. Aan crediteuren van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft Stichting Derdengelden een bedrag van in totaal € 2.779,04 overgemaakt.
1.19
Op 5 september 2010 heeft [verweerder] het volgende gemaild aan de nieuwe directie van Plassania en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] :
“Van [betrokkene 2] [ [betrokkene 2] , A-G] dit verzoek om de lonen uit het noodfonds te betalen. Dat doe ik vanzelfsprekend graag maar niet dan met de instemming van u edelen. (...)”
Diezelfde dag heeft de nieuwe directie van Plassania [verweerder] per e-mail haar akkoord gegeven en [verweerder] verzocht opgave te doen van de stand van de rekening als de lonen zijn betaald. Daarop heeft [verweerder] op 6 september 2010 per e-mail als volgt gereageerd:
“Stand is 306000, Moet nog wel even door boekhouder worden gecontroleerd. Onder voorbehoud derhalve.”
1.2
Op 7 september 2010 heeft [verweerder] voor Plassania bij de rechtbank Amsterdam surseance van betaling aangevraagd. Diezelfde dag is aan Plassania voorlopige surseance van betaling verleend met benoeming van mr. S.D.W. Gratama tot bewindvoerder. Onder intrekking van de aan haar verleende surseance van betaling, is Plassania op 13 september 2010 door deze rechtbank failliet verklaard met benoeming van genoemde bewindvoerder tot curator (hierna:
Gratama q.q.).
1.21
Bij brief van 22 oktober 2010 heeft Gratama q.q. [verweerder] verzocht rekening en verantwoording af te leggen van het volgens hem voor Plassania op de rekening van Stichting Derdengelden gehouden noodfonds (hierna:
de derdenrekening). [verweerder] is verder verzocht het bedrag dat op de derdenrekening staat, over te maken naar de faillissementsrekening van Plassania. [verweerder] heeft daaraan geen gevolg gegeven.
1.22
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] is op verzoek van Grolsch en InBev door de rechtbank Arnhem op 16 november 2010 failliet verklaard met benoeming van mr. E.R. Looyen tot curator (hierna:
Looyen q.q.). [verweerder] had het verzoek tot faillietverklaring op 12 oktober 2010 ontvangen en heeft ter faillissementszitting namens [de geregistreerd partner van betrokkene 1] verweer gevoerd.
1.23
Van de derdenrekening zijn in de periode van 27 juli 2010 tot en met 30 november 2010 crediteuren van Plassania betaald voor een totaalbedrag van € 1.144.860,18.
1.24
Daarnaast is in de periode van 30 juli 2010 tot en met 22 november 2010 in totaal € 283.730,20 aan declaraties van [verweerder] van de derdenrekening betaald. De desbetreffende overboekingen van de derdenrekening hebben plaatsgevonden op de hierna vermelde data met de volgende omschrijvingen:
Mutatiedatum
Omschrijving
Bedrag
30 juli 2010
“Declaratie [verweerder] voorschot 2e kw”
€ 50.000
20 augustus 2010
“Declaratie [verweerder] voorschot 3e kw”
€ 50.000
15 november 2010
“declaratie tweede kwartaal [001] ”
€ 23.079,55
15 november 2010
“declaratie derde kwartaal [002] ”
€ 95.921,61
15 november 2010
“declaratie [003] ”
€ 9.838,92
22 november 2010
“declaratie [004] ”
€ 25.448,75
22 november 2010
“declaratie [005] ”
€ 1.282,01
22 november 2010
“declaratie [006] ”
€ 28.159,36
Totaal
€ 283.730,20
1.25
In het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van Stichting Derdengelden en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] van 24 november 2010 heeft Gratama q.q. de faillissementspauliana (art. 42 Fw Pro) ingeroepen. Hij stelt dat een bedrag van € 2.260.000 dat toekwam aan Plassania in verschillende deelbetalingen bij [de geregistreerd partner van betrokkene 1] is terechtgekomen, die dit bedrag vervolgens in delen naar de derdenrekening heeft overgemaakt. Daaruit zijn volgens Gratama q.q. betalingen aan crediteuren en aan [verweerder] gedaan. Bij beschikking van 14 december 2010 heeft de voorzieningenrechter geweigerd verlof te verlenen om ten laste van Stichting Derdengelden en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] conservatoir beslag te leggen.
1.26
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft een overeenkomst met [verweerder] d.d. 29 november 2010 ondertekend, die mede namens Plassania is ondertekend door [betrokkene 2] en de nieuwe directie van Plassania (hierna:
de Overeenkomst). In de Overeenkomst staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“IN AANMERKING NEMENDE:
a) dat [verweerder] ‘huisadvocaat’ is van Plassania Beheer B.V. (“Plassania”) gevestigd te Amsterdam, de maatschap [betrokkene 1] - [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , andere tot het Plassania-concern behorende vennootschappen en tot diens overlijden op 28 juni 2010 advocaat was ook van [betrokkene 1] , destijds enig aandeelhouder van Plassania;
b) dat na het overlijden [verweerder] is blijven optreden voor Plassania maar tevens in het belangen van de nalatenschap van [betrokkene 1] , de maatschap en andere vennootschappen;
c) dat ook [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan [verweerder] heeft verzocht om voor hem op te treden;
(...)
f) dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] in het kader van de onderhandelingen om tot een “standstill-overeenkomst” te komen en de grote onrust die er bij schuldeisers, verhuurders en ook andere relaties was ontstaan als gevolg van het overlijden van [betrokkene 1] en de publiciteit rond de procedures tegen Heineken, zich bereid heeft verklaard uit eigen vermogen gelden ter beschikking te stellen om daarmee schuldeisers van onder a) bedoelde partijen te voldoen om daarmee de financiële onrust weg te nemen;
(...)
h) dat aanvankelijk ter opheffing van beslagen en daarna ook vanwege de bijzondere omstandigheden van deze zaak, en met geen ander doel dan het verkrijgen van financiële rust rond de nalatenschap van [betrokkene 1] en de onder a) bedoelde partijen, in juli en augustus betalingen van schuldeisers plaats hebben gehad via de derdenrekening van [verweerder] ;
i) dat partijen alsnog schriftelijk willen vastleggen wat zij destijds kort na het overlijden daarmee hebben beoogd en wat zij daarover toen zijn overeengekomen;
VERKLAREN TE ZIJN OVEREEN GEKOMEN ALS VOLGT:
1) [de geregistreerd partner van betrokkene 1] verklaart dat hij [verweerder] na het overlijden van zijn partner [betrokkene 1] in samenspraak en overleg met de nieuw aangetreden directie van Plassania verzocht heeft de belangen van de alle lopende aan hem opgedragen zaken te blijven behartigen en mede in zijn belang en dat van de nalatenschap van wijlen [betrokkene 1] te adviseren en op te treden als advocaat.
2) [verweerder] en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] verklaren voorts kort na het overlijden te zijn overeen gekomen dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] uit eigen financiële middelen, fondsen aan [verweerder] ter beschikking zou stellen door overboeking daarvan op de derdenrekening van [verweerder] om daarmee te betalen diverse schuldeisers van zowel Plassania, de maatschap [betrokkene 1] - [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , [betrokkene 1] in privé, schuldeisers van de nalatenschap van [betrokkene 1] en andere tot het Plassaniaconcern behorende vennootschappen.
a) Ter uitvoering daarvan zijn partijen overeen gekomen dat er regelmatig - zo mogelijk wekelijks - overleg zou zijn over de financiële situatie van alle hierboven onder a) bedoelde partijen omdat na het overlijden van [betrokkene 1] niemand inzicht had in de omvang van de activa noch van de passiva;
b) Voorts werd overeen gekomen dat betaling van schuldeisers uit door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan [verweerder] ter beschikking gestelde middelen zou plaats hebben in overleg en op voorstel van de directie van Plassania en de financieel adviseur van wijlen [betrokkene 1] [betrokkene 2] , maar in opdracht en derhalve pas na verkregen instemming van of namens [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ;
c) dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] zijn broer [de zwager] heeft aangewezen als zijn gevolmachtigde in verband met zijn veelvuldige afwezigheid en slechte bereikbaarheid.
3) Partijen zijn voorts overeen gekomen dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] zich garant verklaarde voor de betaling van de diensten van [verweerder] voor de hem opgedragen werkzaamheden en in te staan voor de betaling van diens declaraties waaronder begrepen de betaling van griffierechten en andere kosten die verschuldigd waren of nog zouden worden in verband met talloze gerechtelijke procedures die er door [verweerder] werden gevoerd voor de onder a) bedoelde partijen en dat door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ter dekking van die kosten voldoende middelen aan [verweerder] ter beschikking zou stellen;
4) Aldus is [verweerder] door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] uitdrukkelijk gemachtigd om ten laste van door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan [verweerder] ter beschikking gestelde middelen te betalen schuldeisers van onder a) bedoelde partijen en te verrekenen zijn honorarium en verschotten in zoverre deze niet zijn betaald door of namens de in de considerans onder a) bedoelde partijen een en ander onder de verplichting daarover aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] dan wel zijn gevolmachtigde broer [de zwager] rekening en verantwoording af te leggen en kosten desgevraagd te specificeren met schriftelijke bewijsstukken.
5) Ter uitvoering van deze afspraken zijn door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op volgende bedragen overgemaakt op de derdenrekening van [verweerder] :
a) 20-07-2010 665.000
b) 21-07-2010 50.000
c) 27-07-2010 100.000
d) 06-08-2010 100.000
e) 11-08-2010 49.950
f) 11-08-2010 50
g) 16-08-2010 400.000
h) 16-08-2010 100.000
6) [de geregistreerd partner van betrokkene 1] verklaart dat de onder 5) bedoelde bedragen zijn overgemaakt van een op zijn naam gestelde bankrekening naar de derdenrekening van [verweerder] en dat hij, [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , alleen rechthebbende was tot deze gelden.
7) Partijen hebben deze afspraken in de loop van juli 2010 gemaakt en daar op overeenkomstige wijze gevolg aan gegeven en die afspraken later schriftelijk vastgelegd. Uitsluitend ter bevestiging dat de afspraken juist zijn weergegeven in deze overeenkomst, tekenen [de zwager] en [het nichtje] deze overeenkomst mede.”
1.27
Mr. E.R. Looyen is op 17 december 2010 benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van wijlen [betrokkene 1] .
1.28
[verweerder] heeft in zijn fax aan Looyen q.q. van 14 januari 2011 een toelichting gegeven op de bedragen die Stichting Derdengelden van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft ontvangen en Looyen q.q. aan de hand van een meegestuurd mutatieoverzicht nader geïnformeerd over de van de derdenrekening gedane betalingen.
1.29
Gratama q.q. heeft in zijn brief van 28 juni 2013, die hij mede namens Looyen q.q. aan [verweerder] heeft gestuurd, onder meer het volgende geschreven:
“(...) Om reden van die gemeenschappelijke belangen en verwevenheid hebben Looyen en ondergetekende besloten u hierbij gezamenlijk te benaderen en door middel van deze brief de nietigheid in te roepen van de op 29 november 2010 getekende overeenkomst (“Overeenkomst” (...)) (...) evenals de nietigheid van alle handelingen ter uitvoering van de Overeenkomst, waaronder begrepen alle betalingen die geen betrekking hebben op de crediteuren van Plassania. (...)

2.Faillissementspauliana

Bij het verzoekschrift tot verkrijgen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag onder de schuldenaar zelf - te weten (uw) Stichting Derdengelden [verweerder] - d.d. 24 november 2010 is reeds de faillissementspauliana (artikel 42 Fw Pro) ingeroepen, ten aanzien van de bedragen (in totaal € 2.260.000,=) die vlak voor het faillissement van Plassania aan uw cliënt, [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , onverplicht en zonder enige rechtsgrond zijn doorbetaald. Dat beroep wordt door middel van deze brief uitdrukkelijk gehandhaafd (...). (…)

7.Faillissementspauliana ex artikel 42 jo Pro. 43 Fw

Gelet op het voorgaande, zijn Looyen en ik van mening dat het aangaan van de Overeenkomst - die teruggrijpt naar vermeende afspraken die begin juni 2010 gemaakt zouden zijn - een onverplichte rechtshandeling betreft, waardoor de schuldeisers van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] respectievelijk Plassania respectievelijk de Nalatenschap worden benadeeld. (...) Hierbij vernietig ik deze rechtshandeling dan ook op grond van de artikelen 42 en 43 Fw.

8.Onverplichte rechtshandeling

Wij zijn van mening dat de Overeenkomst onverplicht is aangegaan. De betalingen die [de geregistreerd partner van betrokkene 1] via uw derdenrekening heeft verricht, zijn onverplicht verricht. Dat geldt in ieder geval voor de betalingen van uw declaraties, nu deze gericht waren aan Plassania. (...) Daarbij geldt dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] in ieder geval niet (meer) had kunnen/mogen ondertekenen ex artikel 23 Fw Pro, nu zijn persoonlijk faillissement reeds op 16 november 2010 is uitgesproken. (...)

10.Onrechtmatig en/of tekortkoming

Ook overigens is het als onrechtmatig en/of tekortkoming in de behoorlijke nakoming van de overeenkomst van een advocaat jegens zijn cliënt te beschouwen. Dit door aanzienlijke bedragen, waarvan u als advocaat wist, althans behoorde te weten, dat deze afkomstig waren van Plassania, ondanks het uitdrukkelijk verzoek deze terug te storten, toch heeft uitgegeven voor andere doeleinden, althans daaraan mee te werken. (...) Gedragsrechtelijk is dit ook niet toegestaan om een dergelijke overeenkomst aan te gaan en daarmee in feite een geheel andere zekerheid te bedingen dan van de cliënt een voorschot te vragen (Gedragsregel 28). (…)

12.Vernietiging voldoening schuld ex artikel 47 Fw Pro

(...) Van de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] verrichte betalingen op uw derdenrekening zijn in elk geval die van 22 november 2010, zijnde bedrag van € 54.890,12, zonder enige twijfel Paulianeus, nu [de geregistreerd partner van betrokkene 1] reeds op 16 november 2010 in staat van faillissement is verklaard. (...) De overige op 15 november 2010 verrichte betalingen kunnen worden vernietigd ex artikel 47 Fw Pro (...). (…)

14.Restitutie

Kortom, bovenvermelde vernietiging heeft tot gevolg dat de op grond van Overeenkomst verrichte betalingen door gefailleerde aan u, althans uw derdenrekening, als onverschuldigd betaald moeten worden gerestitueerd nu de rechtsgrond is komen te vervallen. (...)”
1.3
[verweerder] heeft bij fax van 24 juli 2013 aansprakelijkheid van de hand gewezen.
1.31
Gratama q.q. en Looyen q.q. (hierna gezamenlijk:
de curatoren) hebben bij brief van 17 december 2015 aan [verweerder] hun beroep op de faillissementspauliana en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting gehandhaafd.

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
In eerste aanleg traden de curatoren gezamenlijk op tegen [verweerder] , maar formuleerden zij elk een afzonderlijke eis. De rechtbank Amsterdam heeft de primaire en subsidiaire vorderingen van Gratama q.q. afgewezen en de meer subsidiaire vorderingen van Looyen q.q. gedeeltelijk toegewezen.
In hoger beroep
2.2
In hoger beroep traden de curatoren niet langer gezamenlijk op.
In zaak 200.248.913/01
2.3
[verweerder] is in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 8 maart 2017 en een eindvonnis van 1 augustus 2018 van de rechtbank Amsterdam, gewezen in eerste aanleg tussen (onder anderen) Looyen q.q. als eiser en [verweerder] als gedaagde. Looyen q.q. heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
2.4
Bij het arrest [2] heeft het hof in deze zaak, rechtdoende in zowel principaal als incidenteel hoger beroep en kort gezegd: het bestreden eindvonnis vernietigd voor zover daarin het door Looyen q.q. gevorderde bedrag van € 100.000 is afgewezen, en opnieuw rechtdoende: [verweerder] veroordeeld tot betaling aan Looyen q.q. van een bedrag van € 100.000, te vermeerderen met wettelijke rente; het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigd; [verweerder] veroordeeld in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, te vermeerderen met nasalaris, betekeningsexplootkosten en wettelijke rente; en deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.5
In deze zaak is geen cassatieberoep van het arrest ingesteld.
In zaak 200.249.398/01
2.6
Gratama q.q. is in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 8 maart 2017 en een eindvonnis van 1 augustus 2018 van de rechtbank Amsterdam, gewezen in eerste aanleg tussen (onder anderen) Gratama q.q. als eiser en [verweerder] als gedaagde. Bij arrest van 12 maart 2019 is Gratama q.q. door het hof niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen Looyen q.q. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: memorie van grieven, tevens wijziging van eis, met producties; memorie van antwoord, met producties. Partijen hebben de zaak bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 31 mei 2021 - die ook de zaak 200.248.913/01 betrof - doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.
2.7
Gratama q.q. heeft negen grieven gericht tegen genoemde vonnissen [3] en geconcludeerd dat het hof deze vonnissen zal vernietigen en alsnog - uitvoerbaar bij voorraad - zijn vorderingen zoals in hoger beroep gewijzigd en verwoord in genoemde memorie van grieven zal toewijzen, [4] met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. [verweerder] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden eindvonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Gratama q.q. in de kosten van het geding met nakosten en rente. Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2.8
Bij het arrest [5] heeft het hof in deze zaak, kort gezegd: het vonnis waarvan beroep bekrachtigd; Gratama q.q. veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met nasalaris, betekeningsexplootkosten en wettelijke rente; en deze veroordeling uitvoerbaar bij verklaard.
2.9
Het hof overweegt daartoe als volgt, voor zover relevant in cassatie:

De rechthebbende op het saldo van de derdenrekening
4.5.
Gratama qq stelt ten aanzien van zijn vordering onder 2 [6] dat het door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening gestorte bedrag gehouden werd voor Plassania en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewijs daarvan door hem niet is geleverd. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.
Volgens Gratama qq staat genoegzaam vast dat de gelden op de derdenrekening waren bedoeld als noodfonds voor het voldoen van de crediteuren van Plassania en dat daarover afspraken zijn gemaakt die aan alle betrokken partijen zijn gecommuniceerd. Daarbij is van belang dat het bedrag van € 2 miljoen (…) dat van FGH Bank werd geleend binnen een paar dagen door [betrokkene 1] werd weggesluisd en buiten het zicht van de schuldeisers werd gebracht om het zodoende, zonder vrees voor beslagen, vrij te kunnen gebruiken. Uit het e-mailbericht van [betrokkene 2] van 18 juli 2010 (zie 3.8) volgt dat van “de buffer” een bedrag van € 2.150.000 was getraceerd en dat dit beschikbaar zou komen. Ook in het BDO-rapport wordt melding gemaakt van een bedrag van € 2 miljoen aan liquiditeiten dat beschikbaar was, en waarvoor een bankrekening moest worden verkregen. Die bankrekening was de derdenrekening van [verweerder] , aldus Gratama qq. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft in de periode 20 juli tot en met 16 augustus 2010 een bedrag van € 1.515.000 in tranches op de derdenrekening gestort. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] beschikte op dat moment zelf niet over enig (ander) vermogen of (andere) liquiditeiten, aldus Gratama qq. Voorts wijst Gratama qq erop dat naar de derdenrekening bedragen door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] zijn overgemaakt onder vermelding van “urgente nota’s”, “Plassania”, en “noodfonds”. Een en ander vindt volgens hem bevestiging in de getuigenverklaringen van [betrokkene 2] , [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , [de zwager] en [het nichtje] . Uit de gang van zaken kan volgens Gratama qq niet anders worden afgeleid dan dat het door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] gestorte bedrag aan Plassania ter beschikking werd gesteld om de crediteuren te voldoen. Door te stellen dat het noodfonds op de derdenrekening afkomstig is uit het vermogen van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] wordt getracht de door [betrokkene 1] beoogde verduistering van deze gelden te legaliseren. Gratama qq benadrukt voorts dat in strijd met de regelgeving en jurisprudentie niet voorafgaand aan de storting van het geld op de derdenrekening een overeenkomst is opgesteld. Aan de na het faillissement van Plassania en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] opgemaakte Overeenkomst moet volgens hem voorbijgegaan worden.
4.6.
[verweerder] betwist dat de gelden op de derdenrekening werden gehouden voor Plassania. Hij voert daartoe aan dat hij na het overlijden van [betrokkene 1] samen met [de geregistreerd partner van betrokkene 1] en het nieuwe bestuur van Plassania heeft getracht zo snel mogelijk inzicht te krijgen in de complexe onderneming, die een acuut liquiditeitsprobleem bleek te hebben, terwijl diverse (grote) schuldeisers betaling eisten van vorderingen. Als gevolg van meerdere beslagen kon betaling daarvan niet over de bankrekeningen van Plassania lopen. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] had de erfenis beneficiair aanvaard en kon daarom geen beheershandelingen verrichten. Wel had [de geregistreerd partner van betrokkene 1] er belang bij dat de schuldeisers werden voldaan en aldus een faillissement van Plassania werd voorkomen. Tegen die achtergrond maakte [de geregistreerd partner van betrokkene 1] uit zijn privévermogen gelden beschikbaar om de schuldeisers te voldoen.
[verweerder] stelt daarom primair dat de gelden op de derdenrekening werden gehouden voor de met die gelden betaalde crediteuren van Plassania, en subsidiair dat deze werden gehouden voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] .
4.7.
Het hof oordeelt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] van zijn privérekening bedragen heeft overgemaakt naar de derdenrekening van [verweerder] . Verder geldt als uitgangspunt voor de beoordeling dat het saldo op een bankrekening onderdeel uitmaakt van het vermogen van de rekeninghouder, in dit geval [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . Daarbij is niet van belang wat het herkomst is van het saldo. Dat het bedrag op zijn privérekening (mogelijk) geheel of gedeeltelijk afkomstig was van betalingen van [betrokkene 1] of aan hem gelieerde vennootschappen, maakt immers niet dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] niet gerechtigd was op het saldo op zijn privérekening.
Vast staat dat [verweerder] niet voorafgaand aan de storting van de bedragen op de derdenrekening of direct daarna schriftelijk heeft vastgelegd of aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft bevestigd voor wie de bedragen door Stichting Derdengelden op de derdenrekening zouden worden gehouden. Bij gebreke daarvan geldt als uitgangspunt dat deze bedragen door Stichting Derdengelden werden gehouden voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] als degene van wie de bedragen afkomstig waren. De door Gratama qq aangedragen feiten en omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat de bedragen op de derdenrekening werden gehouden voor Plassania. Allereerst is niet gebleken dat die afspraak is gemaakt. Meer in algemene zin geldt dat niet kan worden vastgesteld dat in enig opzicht afspraken zijn gemaakt over het antwoord op de vraag voor wie de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening gestorte bedragen zouden worden gehouden. De e-mailwisseling met [betrokkene 2] rept daarover niet. Dit volgt ook niet uit de overgelegde verklaringen van [het nichtje] , [betrokkene 2] , [de zwager] en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . De verklaring van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] dat dit geld bedoeld was voor het noodfonds van Plassania leidt niet tot de conclusie dat de gelden dus voor Plassania werden gehouden. De gedachte achter het noodfonds was dat daaruit crediteuren van Plassania zouden worden betaald, maar dat betekent niet dat de gelden in het noodfonds van meet af aan in het vermogen van Plassania zouden vallen. Deze conclusie volgt ook niet uit de verklaring van [betrokkene 2] dat hij [de geregistreerd partner van betrokkene 1] had weten te overtuigen dat het geld niet van hem was en terug moest naar Plassania. Vast staat dat dat laatste niet is gebeurd. De betrokkenen bij het noodfonds wilden juist niet dat de gelden op een rekening van Plassania terecht zouden komen, omdat die rekeningen met beslagen werden belast of bedreigd. Dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ermee heeft ingestemd dat het geld (vanaf de derdenrekening) werd aangewend voor de betaling van schuldeisers van Plassania, leidt evenmin tot de conclusie dat Stichting Derdengelden (van meet af aan) de bedragen heeft gehouden voor Plassania. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [het nichtje] dat alle partijen vonden dat het geld terug moest naar Plassania. Geen van de getuigen maakt melding van een gemaakte afspraak over de vraag voor wie de Stichting Derdengelden de bedragen zou gaan houden. De stelling dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , naast het bedrag op de Spaanse rekening, niet over ander vermogen beschikte, kan evenmin tot de conclusie leiden dat de bedragen die van die bankrekening zijn overgeboekt naar de derdenrekening werden gehouden voor Plassania. De
grieven 5 en 6falen daarmee.
4.8.
Gratama qq heeft in hoger beroep (opnieuw) bewijs aangeboden van zijn stelling dat de Stichting Derdengelden de gelden hield voor Plassania, maar hij heeft geen (voldoende concrete) stellingen te bewijzen aangeboden waaruit die conclusie kan worden getrokken. De hiervoor besproken stellingen kunnen die gevolgtrekking niet dragen. Het bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend verworpen.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat het door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening gestorte bedrag werd gehouden voor Plassania. Daarmee stranden alle vorderingen van Gratama qq, omdat die alle zien op betalingen die ten laste gingen van het saldo op de derdenrekening dat gehouden werd voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . Het feit dat [verweerder] gehoor heeft gegeven aan het verzoek van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] om een deel van het bedrag op de derdenrekening aan hem terug te storten, kan in de gegeven omstandigheden niet als onrechtmatig jegens Plassania worden beschouwd. Op [verweerder] (als advocaat) rustte evenmin de verplichting ervoor zorg te dragen dat het gehele, door [betrokkene 1] naar [de geregistreerd partner van betrokkene 1] overgemaakte bedrag door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan Plassania zou worden terugbetaald. Hij heeft dan ook niet onrechtmatig jegens Plassania gehandeld door dat na te laten. Ook het opstellen van de Overeenkomst is bij deze stand van zaken niet als onrechtmatig jegens Plassania te kwalificeren. Bij een verdere bespreking van de
grieven 4 en 7met betrekking tot de vernietiging van de Overeenkomst heeft Gratama qq bij deze stand van zaken geen belang meer, omdat die vernietiging, niet kan leiden tot toewijzing van de gevraagde veroordelingen tot betaling aan Gratama qq en een ander belang bij die vernietiging is niet gesteld of gebleken. De
grieven 8 en 9delen het lot van de overige grieven.
4.10.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Gratama qq zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.” [7]
2.1
In deze zaak is wel cassatieberoep van het arrest ingesteld.
In cassatie
2.11
Gratama q.q. is op 8 juni 2022 (tijdig) in cassatie gekomen van het arrest in de zaak 200.249.398/01. [verweerder] heeft bij verweerschrift van 30 september 2022, kort gezegd, geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Hij heeft zijn standpunten nog schriftelijk toegelicht. Gratama q.q. heeft daarvan afgezien, maar wel bij repliek kort gereageerd op genoemde schriftelijke toelichting. [verweerder] heeft niet gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
De procesinleiding van Gratama q.q. bevat een inleiding (p. 2-3), onderdelen I t/m IV met klachten (p. 4-10), een voortbouwklacht (p. 4) en een conclusie (p. 11). Onderdelen I t/m IV zijn gericht tegen ’s hofs oordeel in rov. 4.7 en 4.9 van het arrest dat, kort gezegd, de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op [verweerder] derdenrekening gestorte bedragen (in totaal € 1.515.000) door Stichting Derdengelden werden gehouden voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . De voortbouwklacht is gericht tegen rov. 4.4 en 4.7-4.10.
Onderdeel I
3.2
Volgens de hoofdklacht van onderdeel I (p. 4 van de procesinleiding) miskent het hof met genoemd oordeel in rov. 4.7 en 4.9 van het arrest dat voor het vaststellen wie gerechtigd is tot (een aandeel in) het saldo op een derdenrekening bepalend is ten behoeve van wie de gelden op die rekening zijn gestort en welke voorwaarden in de onderlinge rechtsverhouding tussen de betrokken partijen gelden. Bij die vaststelling dienen alle relevante omstandigheden van het geval te worden betrokken. Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat (enkel) de vraag of de bestuurder van Stichting Derdengelden schriftelijk heeft vastgelegd of heeft bevestigd aan wie de gelden toekomen doorslaggevend is om te bepalen ten gunste van wie de bedragen gehouden worden, is dat oordeel onjuist.
3.3
Deze hoofdklacht wordt toegelicht (nrs. 1.1-1.3 van de procesinleiding).
3.3.1
Daar opent het onderdeel als volgt (nr. 1.1):
“Het hof geeft in rov. 4.7 aan dat vaststaat dat [verweerder] niet voorafgaand aan de storting van de bedragen op de derdenrekening of direct daarna schriftelijk heeft vastgelegd of aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft bevestigd voor wie de bedragen door Stichting Derdengelden op de derdenrekening zouden worden gehouden. Bij gebreke van een schriftelijke vastlegging of bevestiging geldt, volgens het hof, als uitgangspunt dat de bedragen door de Stichting Derdengelden werden gehouden voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , nu hij degene was van wie de bedragen afkomstig waren.”
3.3.2
Gevolgd door de opmerking dat “dit oordeel” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (nr. 1.2):
“Rechthebbenden tot het geld op een derdenrekening zijn degenen ten behoeve van wie de gelden op die rekening zijn gestort, onder de eventuele voorwaarden die in hun onderlinge rechtsverhouding gelden. [8] Een schriftelijke vaststelling of bevestiging is geen voorwaarde om te kunnen vaststellen wie de rechthebbende is, maar kan hoogstens een rol spelen als één van de bij die vaststelling in ogenschouw te nemen factoren. Het hof heeft aldus miskend dat bij het vaststellen van de gerechtigdheid tot (een aandeel in) het saldo op een derdengeldenrekening éérst op basis van alle omstandigheden van het geval dient te worden beoordeeld of één of meer gerechtigden kunnen worden aangewezen, alvorens over te (mogen) gaan tot het - als
last resort- aanwijzen van de partij die de bedragen heeft overgemaakt als gerechtigde. In veel gevallen zal het feit dat een partij bedragen overmaakt naar een derdenrekening immers juist een contra-indicatie zijn voor de stelling dat deze partij (zonder meer) gerechtigd is tot de overgemaakte bedragen.”
3.3.3
Waaraan wordt toegevoegd (nr. 1.3) dat het hof bepaalde omstandigheden niet (kenbaar) in zijn oordeelsvorming heeft betrokken, wat terugslaat op het volgende:
“Onder de hierboven bedoelde relevante omstandigheden van het geval zullen doorgaans begrepen zijn het doel waarmee de bedragen zijn overgeboekt en de vraag onder welke omstandigheden of voorwaarden de gelden toevallen aan de (vanaf dat moment) gerechtigde. In het voorliggende geval komt daar de omstandigheid bij dat de gelden op onheuse wijze aan het vermogen van Plassania waren onttrokken en dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , door de gelden terug te storten, heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om de benadeling van (de schuldeisers van) Plassania ongedaan te maken.”
Behandeling
3.4
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.4.1
Eerst iets over hetgeen het hof doet in rov. 4.5-4.10 van het arrest, in de zaak 200.249.398/01. Onder 3.4.2 hierna keer ik terug naar het onderdeel.
Het hof behandelt in rov. 4.5-4.10 onder meer vordering onder 2 van Gratama q.q. als weergegeven in rov. 4.2, alsmede diens grieven 4 t/m 9 als weergegeven in rov. 4.3.
Wat het hof overweegt in rov. 4.7 is niet beperkt tot de derde alinea aldaar. [9] Het hof stelt het een en ander voorop in de tweede alinea aldaar. [10] Daarvan uitgaande, en bij gebreke van de in die derde alinea, eerste zin bedoelde vastlegging en bevestiging door [verweerder] , geldt als uitgangspunt dat de bedragen die [de geregistreerd partner van betrokkene 1] vanaf zijn privérekening heeft overgemaakt naar de derdenrekening door Stichting Derdengelden werden gehouden voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] als degene van wie de bedragen afkomstig waren. Aldus het hof in die derde alinea, laatste zin.
Het hof gaat verder in de vierde alinea aldaar [11] met te bezien wat de uitkomst is als ook worden betrokken de door Gratama q.q. aangedragen feiten en omstandigheden in het kader van diens betoog dat de bedragen op de derdenrekening werden gehouden voor Plassania (rov. 4.5). Dit met inachtneming van het door [verweerder] daartegen aangevoerde, volgens wie die gelden werden gehouden voor de daarmee betaalde schuldeisers van Plassania, althans voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (rov. 4.6). ’s Hofs slotsom is dat dit door Gratama q.q. gestelde, al met al (rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea), niet de gevolgtrekking kan dragen dat Stichting Derdengelden die gelden hield voor Plassania (rov. 4.8). [12] Uit rov. 4.5-4.8 volgt dat niet is komen vast te staan dat de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening gestorte bedragen werden gehouden voor Plassania (rov. 4.9, eerste zin). Waarmee naar ’s hofs oordeel alle vorderingen van Gratama q.q. stranden, dus niet alleen die onder 2, nu die alle zien op betalingen die ten laste gingen van het saldo op de derdenrekening dat gehouden werd voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (rov. 4.9, vervolg). De grieven 4 t/m 9 van Gratama q.q. ketsen daarop af (rov. 4.7 en 4.9). Daaruit vloeit dan voort wat het hof overweegt in rov. 4.10. Zie onder 2.9 hiervoor.
3.4.2
Ik keer terug naar het onderdeel.
Blijkens rov. 4.5-4.10 ziet het hof niet eraan voorbij dat rechthebbenden op het saldo van een derdenrekening als de onderhavige [13] degenen zijn ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder voorwaarden die in de onderlinge verhouding nader gelden. [14] Wat erop neerkomt dat op die rekening gestorte gelden worden gehouden voor degene die daarop recht heeft in de gegeven feiten en omstandigheden, met inachtneming van de rechtsverhouding tussen betrokkenen. [15] In rov. 4.5-4.10 huldigt het hof evenmin de opvatting dat een schriftelijke vastlegging of bevestiging een voorwaarde is om te kunnen vaststellen wie de rechthebbende is, niet hoogstens een rol kan spelen als één van de bij die vaststelling in ogenschouw te nemen factoren. Net zo min als het hof een “
last resort”-benadering volgt als bedoeld in nr. 1.2, voorlaatste zin van het onderdeel. Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
Hetgeen het hof in rov. 4.5-4.10 mede doet, is, met inachtneming van het partijdebat (rov. 4.5-4.6), beoordelen voor wie Stichting Derdengelden de bedragen die [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft overgemaakt naar de derdenrekening hield in voornoemde zin (rov. 4.7-4.9). Welk vraag voorligt vanwege het door Gratama q.q. gevorderde alsmede diens grieven 4 t/m 9 (rov. 4.2-4.3). En het hof dus alles afwegende beantwoordt met ‘ [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ’ (als subsidiair voorgestaan door [verweerder] ), niet met ‘Plassania’ (als voorgestaan door Gratama q.q.) of ‘de met die gelden betaalde schuldeisers van Plassania’ (als primair voorgestaan door [verweerder] ). Zie onder 3.4.1 hiervoor. Dit geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Wat er zij van de opmerking in nr. 1.2, laatste zin van het onderdeel, dit staat hoe dan ook niet in de weg aan het voorgaande gezien hetgeen het hof overweegt in rov. 4.5-4.10. [16] Het in nr. 1.3 van het onderdeel opgemerkte [17] baat Gratama q.q. evenmin. Reeds omdat het onderdeel ook daar ten onrechte negeert dat het hof in rov. 4.5-4.6 (in cassatie onbestreden) uitvoerig uiteenzet wat Gratama q.q. heeft aangevoerd ten aanzien van zijn vordering onder 2 en door [verweerder] daartegenover is gesteld, hetgeen het hof vervolgens kenbaar en afdoende betrekt in zijn oordeelsvorming, mede in rov. 4.7-4.9. [18]
Onderdeel II
3.5
Volgens de hoofdklacht van onderdeel II (p. 4 van de procesinleiding) is genoemd oordeel van het hof in rov. 4.7 en 4.9 van het arrest eveneens onjuist, voor zover het zo begrepen moet worden dat een afspraak over de vraag ten gunste van wie de bedragen gehouden worden niet stilzwijgend kan zijn gemaakt en/of kan worden afgeleid uit de gedragingen van betrokken partijen.
3.6
De toelichting (nr. 2.1 van de procesinleiding) luidt: [19]
“Het oordeel van het hof lijkt ervan uit te gaan dat om te kunnen vaststellen ten gunste van wie bedragen op een derdenrekening worden gehouden een (expliciete, schriftelijke) afspraak vereist is. Daarmee miskent het oordeel dat voor de totstandkoming van een overeenkomst niet steeds is vereist dat sprake is van een expliciet aanbod en aanvaarding c.q. een 'aanwijsbare' afspraak. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. Het hof heeft dit miskend, door niet (kenbaar) te toetsen of aan de overboekingen van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] de stilzwijgende afspraak ten grondslag lag dat de gelden werden overgeboekt ten gunste van (de schuldeisers van) Plassania.”
Behandeling
3.7
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.7.1
Ik citeerde rov. 4.7 en 4.9 van het arrest onder 2.9 hiervoor. Daarin overweegt het hof onder meer, na de vooropstelling dat de door Gratama q.q. aangedragen feiten en omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat de bedragen op de derdenrekening werden gehouden voor Plassania, dat “[a]llereerst niet [is] gebleken dat die afspraak is gemaakt” (rov. 4.7, vierde alinea, eerste en tweede zin). En vervolgens (rov. 4.7, vierde alinea, derde zin):
“Meer in algemene zin geldt dat niet kan worden vastgesteld dat in enig opzicht afspraken zijn gemaakt over het antwoord op de vraag voor wie de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening gestorte bedragen zouden worden gehouden.”
3.7.2
Ik lees daarin nergens dat het volgens het hof bij zo’n afspraak niet kan gaan om een stilzwijgende afspraak, zoals bedoeld in het onderdeel. Dat staat niet in rov. 4.7 of 4.9 (dan wel elders in de onderhavige zaak in het arrest). [20] Het hof formuleert daar juist ruim, gezien ook het tweede citaat onder 3.7.1 hiervoor (“Meer in algemene zin geldt dat niet kan worden vastgesteld dat in enig opzicht afspraken zijn gemaakt”, etc.). ’s Hofs daarop voortbouwende vaststelling in rov. 4.7, vierde alinea, voor-voorlaatste zin, [21] waarop het onderdeel wijst, maakt dit naar de aard niet anders. Kortom, het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en ontbeert daarmee feitelijke grondslag.
Onderdeel III
3.8
Volgens de hoofdklacht van onderdeel III (p. 4 van de procesinleiding) is in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 4.7 en 4.9 van het arrest dat de gelden op de derdenrekening niet toekomen aan Plassania. Dit “mede in het licht van door Gratama ingenomen essentiële stellingen”.
3.9
De toelichting (nrs. 3.1-3.3 van de procesinleiding) behelst het volgende.
3.9.1
Het gaat het onderdeel meer specifiek om maar liefst 22 “in onderlinge samenhang te beschouwen” en “essentiële” stellingen van Gratama q.q., die de toelichting noemt [22] (p. 6-9 van de procesinleiding) en waarop het hof niet heeft gerespondeerd (nr. 3.1). Stellingen:
“die ertoe strekken te betogen dat i) de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] overgeboekte gelden door [verweerder] werden gehouden ten gunste van Plassania en ii) dat tussen de betrokkenen - [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , (de nieuwe directie van) Plassania en [verweerder] - daartoe een (al dan niet stilzwijgende) afspraak tot stand was gekomen.”
3.9.2
In het licht van deze stellingen - waarop door het hof niet steeds (volledig) is gerespondeerd, zeker niet in onderlinge samenhang - is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] overgeboekte gelden door [verweerder]
nietwerden gehouden ten gunste van Plassania (nr. 3.2). Specifiek in het licht van de stellingen sub 5 t/m 19 is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat van een (stilzwijgende) afspraak tussen [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , Plassania en [verweerder] over het houden van de gelden ten gunste van Plassania
geensprake was (nr. 3.3).
Behandeling
3.1
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.10.1
Onder 3.4.1-3.4.2 hiervoor wees ik er al op dat het hof in rov. 4.5-4.6 van het arrest (in cassatie onbestreden) uitvoerig uiteenzet wat Gratama q.q. heeft aangevoerd ten aanzien van zijn vordering onder 2 en door [verweerder] daartegenover is gesteld. Hetgeen het hof vervolgens kenbaar en afdoende betrekt in zijn oordeelsvorming, mede in rov. 4.7 en 4.9. Daaraan ziet het onderdeel voorbij.
3.10.2
In dat verband merk ik overigens nog het volgende op met betrekking tot die ‘22 stellingen’ van Gratama q.q. [23]
-
Stelling 1(“
Uit het BDO-rapport van 21 juli 2010 volgde dat er volgens de directie binnen de Plassania-groep een bedrag van EUR 2 miljoen beschikbaar was voor Plassania om kortlopende verplichtingen van Plassania te voldoen. Uit het rapport volgde ook dat het kunnen beschikken over dit bedrag van levensbelang was voor het noodlijdende Plassania”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [24] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [25]
-
Stelling 2(“
[betrokkene 1] maakte het bedrag van ruim EUR 2 miljoen van de rekening van Plassania (met wat aanvullende gelden van overige rekeningen) tussen 1 en 24 juni 2010 aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] over zonder dat daar enige verplichting of rechtsgrond voor bestond”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [26] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [27]
-
Stelling 3(“
Uit (schriftelijke) verklaringen en (email-)correspondentie van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] zelf, [het nichtje] , [betrokkene 2] en [de zwager] volgt dat het geld dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] van [betrokkene 1] had ontvangen, geleend was van FGH Bank en bedoeld was om Plassania te redden (door precaire schuldeisers te voldoen) dan wel een ‘zachte landing’ te bewerkstelligen, en uitdrukkelijk niet voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] in privé was”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [28] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [29]
-
Stelling 4(“
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] beschikte zelf niet over inkomsten. De gelden waren dus afkomstig van Plassania en konden niet anderszins zijn verkregen”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [30] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [31]
-
Stelling 5(“
(Kort) nadat [betrokkene 2] en de (nieuwe) directie van Plassania hadden ontdekt dat de gelden door [betrokkene 1] waren overgemaakt aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , hebben [betrokkene 2] en de directie van Plassania [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aangespoord om de gelden terug te betalen. [de geregistreerd partner van betrokkene 1] wilde daar eerst niet toe overgaan, omdat [betrokkene 1] hem op het hart had gedrukt de gelden “onder geen beding terug te sturen naar Nederland, en geen cent meer in Plassania te stoppen”. Toch heeft [de geregistreerd partner van betrokkene 1] uiteindelijk ingestemd met het verzoek om gelden terug te storten”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [32] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [33]
-
Stelling 6(“
Voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] was van belang dat de teruggestorte gelden ten gunste zouden komen aan Plassania. Daarmee zou de mogelijkheid open worden gehouden dat Plassania kon worden gered”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 5.
-
Stelling 7(“
Daarnaast was [de geregistreerd partner van betrokkene 1] er door meerdere directieleden van Plassania op gewezen dat de gelden niet bij hem konden blijven, omdat deze op onrechtmatige wijze aan het vermogen van Plassania waren onttrokken. Door de gelden terug te storten voldeed [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan zijn verplichting tot terugbetaling van het onrechtmatig aan Plassania onttrokken vermogen”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 5. [34]
-
Stelling 8(“
Tussen [betrokkene 2] , de directie van Plassania en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] is overeengekomen dat de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] over te maken gelden konden worden ingezet door de directie van Plassania om crediteuren te betalen”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen op de daarbij genoemde vindplaats. Wat daar wel te lezen valt, betreffende een verklaring van [betrokkene 2] , dekt het hof af in rov. 4.5, tweede alinea. [35] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [36]
-
Stelling 9(“
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft vanaf 20 juli 2010 de gelden - met die intentie - naar de derdenrekening overgemaakt”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 5.
-
Stelling 10(“
Voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] was op het moment dat hij de gelden terug overmaakte duidelijk dat deze gelden niet langer aan hem toebehoorden”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen op de daarbij genoemde vindplaats. Dit betreft slechts een lang (bijna twee pagina’s tellend) citaat uit een verklaring van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . [37] In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is.
-
Stelling 11(“
Bij de overboekingen stond vermeld dat de gelden bedoeld waren voor de schuldeisers van Plassania of voor het noodfonds van Plassania”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 5.
-
Stelling 12(“
De hoofdlijnen van de bovenstaande afspraken zijn op 18 juli 2010 door [betrokkene 2] per e-mail gedeeld met de directie van Plassania, [verweerder] en de belangrijkste schuldeisers van Plassania. [verweerder] was er dus van op de hoogte dat de gelden aan Plassania waren onttrokken en dat ze terug in het vermogen van Plassania moesten worden gebracht”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [38] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [39]
-
Stelling 13(“
[verweerder] erkende zelf ook het bestaan van een noodfonds dat aan Plassania ter beschikkingmoest komen te staan
(voordat het door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan hem was overgemaakt), dan wel ter beschikkingstond
(na de overboekingen), en dat dit fonds bedoeld was om de crediteuren van Plassania te betalen”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen in diens memorie van grieven, het onderdeel wijst hier ook niet op een vindplaats aldaar. De in rov. 4.2 en 4.5, eerste alinea bedoelde vordering onder 2 van Gratama q.q. (inclusief het daartoe door hem aangevoerde) houdt geen kenbaar verband met de vindplaatsen die het onderdeel hier noemt. In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is (nog daargelaten in hoeverre genoemde stelling aansluit op die vindplaatsen).
-
Stelling 14(“
Crediteuren van Plassania waren ook op de hoogte van het bestaan en de bedoeling van het noodfonds. Zij waren hierover door [verweerder] zelf geïnformeerd. Inbev heeft in een email bevestigd dat [verweerder] op 19 juli 2010 (vóór de overboeking) had aangegeven dat er door [betrokkene 1] gelden waren onttrokken aan de Plassania-groep en dat deze aan Plassania terug overgemaakt zouden worden en besteed zouden worden aan een solvente liquidatie van Plassania. Deze email is door [verweerder] aan de directie toegestuurd. Uit de faillissementsaanvraag van Inbev volgt dat Inbev was geïnformeerd dat vanaf een buitenlandse rekening een bedrag van EUR 2,15 miljoen aan Plassania ter beschikking was gesteld en als noodfonds werd aangewend. Eenzelfde conclusie volgt uit de correspondentie met Grolsch”). Een dergelijke samenhangende stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen in diens memorie van grieven, ook niet op de enige vindplaats aldaar waarop het onderdeel hier wijst. [40] De in rov. 4.2 en 4.5, eerste alinea bedoelde vordering onder 2 van Gratama q.q. (inclusief het daartoe door hem aangevoerde) houdt geen kenbaar verband met de vindplaatsen die het onderdeel hier noemt. In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is (nog daargelaten in hoeverre genoemde stelling aansluit op die vindplaatsen).
-
Stelling 15(“
In een concept van een ‘standstill
overeenkomst’ van 29 juli 2010 heeft [verweerder] geschreven dat het doel van destandstill
met de betrokken crediteuren onder meer is de hoogte van de onttrekkingen van [betrokkene 1] vast te stellen en de onttrokken bedragen in de boedel terug te brengen. Ook stond daarin dat het - samengevat - Plassania, de bestuurders en de erven van [betrokkene 1] niet was toegestaan handelingen te verrichten die de boedel zouden benadelen”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt te lezen op de vindplaats in diens memorie van grieven die het onderdeel hier noemt. [41] De in rov. 4.2 en 4.5, eerste alinea bedoelde vordering onder 2 van Gratama q.q. (inclusief het daartoe door hem aangevoerde) houdt evenwel geen kenbaar verband met deze vindplaats. In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is.
-
Stelling 16(“
De constructie met de derdengeldenrekening was enkel bedoeld om beslag op de gelden bij Plassania te voorkomen; zonder dat risico zouden de gelden direct zijn overgemaakt aan Plassania”). Een dergelijke stelling van Gratama q.q. valt niet te lezen op de daarbij genoemde vindplaats. In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof dan ook niet naar genoemde stelling (waarop het dan evenmin respondeert in rov. 4.7), wat dus geenszins onbegrijpelijk is. Wat daar wel te lezen valt, in het bijzonder betreffende de derdenrekening, dekt het hof af in rov. 4.5, tweede alinea. [42] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [43]
-
Stelling 17(“
[de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft na het overboeken van de gelden naar de derdenrekening geen bemoeienis meer met de allocatie ervan gehad. Hij had naar eigen zeggen ‘geen idee’ wat er met de gelden gebeurde, daarover werd ‘in Nederland besloten’”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 10.
-
Stelling 18(“
[verweerder] heeft de overboekingen door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] naar de derdenrekening niet geweigerd of de bedragen teruggestort. Integendeel; hij heeft vanaf de derdenrekening verschillende betalingen aan crediteuren van Plassania gedaan ‘namens’ of ‘inzake’ Plassania”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 13.
-
Stelling 19(“
Bij het overmaken van bedragen aan crediteuren van Plassania vroeg [verweerder] om toestemming van de directie van Plassania. De directie besliste dus op welke wijze en aan wie de gelden werden besteed, waaruit volgt dat Plassania door partijen werd gezien als de rechthebbende van de gelden”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 13.
-
Stelling 20(“
De door [verweerder] opgestelde overeenkomst (waarin het uitgangspunt wordt geformuleerd dat de gelden op de derdenrekening van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] waren) is van 29 november 2010, derhalve meer dan twee maanden na het faillissement van Plassania (13 september 2010), twee weken na de faillietverklaring van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (16 november 2010), en dus van ruim na het moment dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] het bedrag van EUR 1,515 miljoen had overgemaakt (periode 20 juli 2010-16 augustus 2010)”). In rov. 4.5, tweede alinea verwijst het hof hiernaar, voor zover nodig gezien hetgeen daadwerkelijk te lezen valt op de vindplaatsen in kwestie. [44] Daarop respondeert het hof kenbaar en afdoende met rov. 4.7, tweede t/m vierde alinea (waarop het voortbouwt in rov. 4.8-4.10). [45]
-
Stelling 21(“
De afspraken die zijn neergelegd in voornoemde overeenkomst zijn bovendien niet in overeenstemming met de afspraken die in werkelijkheid zijn gemaakt c.q. wat de werkelijke intentie van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] was toen hij de gelden overmaakte. [verweerder] had deze overeenkomst dan ook niet mogen opstellen en door partijen mogen laten ondertekenen. Geen van de betrokkenen weet precies wat zij hebben ondertekend en waarom dit achteraf nog moest gebeuren”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 20.
-
Stelling 22(“
Met de overeenkomst heeft [verweerder] gepoogd de gelden ‘gerechtvaardigd’ aan de boedel te kunnen onttrekken, maar dit was onrechtmatig jegens Plassania en haar crediteuren, nu deze daardoor benadeeld zijn”). Daarvoor geldt hetzelfde als bij stelling 20.
3.10.3
Hierop loopt het onderdeel reeds integraal stuk. Ik kan daarlaten hoe het onderdeel zich verhoudt tot de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
Onderdeel IV
3.11
Volgens de hoofdklacht van onderdeel IV (p. 4 van de procesinleiding) is in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 4.7 en 4.9 van het arrest dat de gelden op de derdenrekening toekomen aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (en niet aan de schuldeisers van Plassania). Dit “mede in het licht van door Gratama ingenomen essentiële stellingen”.
3.12
De toelichting (nrs. 4.1-4.2 van de procesinleiding) behelst het volgende.
3.12.1
Nadat het hof oordeelt dat uit de door Gratama q.q. aangevoerde feiten en omstandigheden niet volgt dat Plassania de rechthebbende van de gelden op de derdenrekening was, komt het hof vervolgens - kennelijk - op basis daarvan tot de slotsom dat de gelden dús aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] toebehoorden. Daarbij gaat het hof eraan voorbij dat, als al wordt geconcludeerd dat de gelden niet aan Plassania toebehoorden, een veel meer voor de hand liggende conclusie is dat de gelden aan de schuldeisers van Plassania toebehoorden. Het feitelijke debat biedt daarvoor in ieder geval meer aanknopingspunten dan voor de conclusie dat de gelden aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] toebehoorden. Gratama q.q. wijst in dat verband op de ‘22 stellingen’ als bedoeld in onderdeel III. Tegen deze achtergrond is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd ’s hofs oordeel dat de gelden aan [de geregistreerd partner van betrokkene 1] toebehoorden (nr. 4.1).
3.12.2
Daaraan voegt het onderdeel nog toe (nr. 4.2):
“Het hof had moeten onderzoeken of de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] overgeboekte bedragen toebehoorden aan de (al dan niet precaire) schuldeisers van Plassania. Zou dat het geval zijn geweest, dan zou het wegboeken van (een gedeelte van) deze bedragen naar [verweerder] zelf en naar [de geregistreerd partner van betrokkene 1] onrechtmatig zijn geweest jegens de gezamenlijke schuldeisers van Plassania. Hoe meer richting een insolventiescenario wordt bewogen, hoe meer de 'precaire schuldeisers' van een vennootschap immers gelijk komen te liggen met de gezamenlijke schuldeisers (naar hun wettelijke rangorde). Gratama heeft jegens [verweerder] vorderingen uit onrechtmatige daad ingesteld die (al dan niet expliciet) zien op het benadelen van de gezamenlijke schuldeisers van Plassania. [46] Nu het hof niets overweegt waaruit kan volgen dat deze
Peeters/ […]-vorderingen niet slagen, is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.”
Behandeling
3.13
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.13.1
In rov. 4.9, eerste en tweede zin van het arrest overweegt het hof:
“Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat het door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening gestorte bedrag werd gehouden voor Plassania. Daarmee stranden alle vorderingen van Gratama qq, omdat die alle zien op betalingen die ten laste gingen van het saldo op de derdenrekening dat gehouden werd voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] .”
3.13.2
Met “het voorgaande” doelt het hof op rov. 4.5-4.8, onder het opschrift “De rechthebbende op het saldo van de derdenrekening”. ’s Hofs bevindingen in rov. 4.9, eerste en tweede zin inzake degene voor wie die gelden werden gehouden, steunen daarop en liggen in een logisch verlengde daarvan. Naar volgt uit de behandeling van onderdeel III maken de ‘22 stellingen’ van Gratama q.q. als bedoeld in dat onderdeel, waarop het onderhavige onderdeel ook beroep doet (nr. 4.1), niet dat het oordeel van het hof in rov. 4.7 en 4.9 als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd valt aan te merken. Zie onder 3.10-3.10.3 hiervoor.
3.13.3
Daarbij verdient opmerking dat, blijkens rov. 4.2-4.3, 4.5 en 4.8 (in cassatie onbestreden), Gratama q.q. zich ook in hoger beroep enkel op het standpunt heeft gesteld dat de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening gestorte bedragen door Stichting Derdengelden werden gehouden voor
Plassania. Wat, blijkens rov. 4.6 (eveneens in cassatie onbestreden), is betwist door [verweerder] . Welk standpunt het hof dus niet volgt, net zo min als de primaire stelling van [verweerder] dat die gelden werden gehouden voor de daarmee betaalde schuldeisers van Plassania. [47] Overigens valt deze uitleg van de gedingstukken, die in beginsel aan het hof als feitenrechter is voorbehouden, ook niet als onbegrijpelijk aan te merken. [48]
3.13.4
Gezien 3.13.1-3.13.3 hiervoor ontbreekt grond om aan te nemen dat het hof nog weer nader had moeten onderzoeken, in de woorden van het onderdeel, “of de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] overgeboekte bedragen toebehoorden aan de (al dan niet precaire) schuldeisers van Plassania” (nr. 4.2). Evenmin gaat op de stelling in het onderdeel “dat het hof niets overweegt waaruit kan volgen dat deze
Peeters/ […]-vorderingen niet slagen” (nr. 4.2), nu ook deze vorderingen van Gratama q.q. dus ten onrechte veronderstellen dat genoemde gelden werden gehouden voor Plassania, zoals tevens tot uitdrukking komt in rov. 4.9.
3.13.5
Hierop loopt het onderdeel reeds integraal stuk. Ik kan daarlaten hoe het onderdeel zich verhoudt tot de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
Voortbouwklacht
3.14
De voortbouwklacht houdt vooreerst in dat gegrondbevinding van een (of meer) van de klachten in onderdelen I t/m IV ertoe leidt dat rov. 4.7-4.10 van het arrest niet in stand kunnen blijven. De voortbouwklacht voegt daaraan toe, kort gezegd, dat bij gegrondbevinding van onderdeel I mogelijk ook rov. 4.4 niet in stand kan blijven.
Behandeling
3.15
De voortbouwklacht deelt in het lot van onderdelen I t/m IV, die falen. Zie onder 3.2-3.13.5 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Slotsom
3.16
Het cassatieberoep van Gratama q.q. is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.17
Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro in overweging.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 8 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:702.
2.Zie noot 1 hiervoor.
3.Het hof vat deze samen in rov. 4.3.
4.Het hof citeert genoemde vorderingen in rov. 4.2.
5.Zie noot 1 hiervoor.
6.Het hof citeert deze dus in rov. 4.2: “In hoger beroep heeft Gratama qq zijn vorderingen gewijzigd en verduidelijkt en vordert hij te verklaren voor recht dat: (…) 2. de door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] op de derdenrekening van [verweerder] overgemaakte gelden van in totaal € 1.515.000,= dienen te worden beschouwd als te zijn terugbetaald door [de geregistreerd partner van betrokkene 1] aan Plassania en dat deze gelden, derhalve op de derdenrekening werden gehouden voor Plassania; (…).”
7.Grief 1 klaagt in algemene zin over de afwijzing van de vorderingen van Gratama q.q. (aldus het hof in rov. 4.3). Grief 2 ziet op de volgens Gratama q.q. onjuiste weergave van de feiten, vorderingen en grondslagen in het tussenvonnis en is in rov. 3 reeds besproken (aldus het hof in rov. 4.3, doelend op de aanhef van rov. 3). Grief 3 klaagt over de afwijzing van de vernietiging van het samenstel van rechtshandelingen en betalingen op grond van de actio pauliana (aldus het hof in rov. 4.3), welke grief het hof behandelt en verwerpt in rov. 4.4.
8.[Noot 4 in origineel, A-G:] Hoge Raad 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441 (
9.Dus: “Vast staat dat [verweerder] ”, etc.
10.Dus: “Tussen partijen is niet in geschil”, etc.
11.Dus: “De door Gratama qq aangedragen feiten en omstandigheden”, etc. Te lezen in het licht van rov. 4.7, tweede en derde alinea.
12.Bij die stand van zaken passeert het hof blijkens rov. 4.8 als niet ter zake dienend het door Gratama q.q. (opnieuw) in hoger beroep gedane bewijsaanbod ten aanzien van zijn stelling dat Stichting Derdengelden die gelden hield voor Plassania: “(…) hij heeft geen (voldoende concrete) stellingen te bewijzen aangeboden waaruit die conclusie kan worden getrokken”, etc.
13.Een advocatuurlijke kwaliteitsrekening. Zie bijv. HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413,
14.Zie bijv. - in het licht van art. 25 lid 4 Wna Pro - HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720,
15.Zie bijv. ook de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2020:800) voor HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588,
16.Zie bijv. ook HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1177,
17.Dit bevat geen verwijzing naar enige vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties.
18.Zie bijv. rov. 4.7, vierde alinea over dat door Gratama q.q. aangevoerde als bedoeld in rov. 4.5.
19.Voor de bijbehorende noten 5-6 verwijs ik naar het onderdeel.
20.Evenmin trouwens in rov. 4.23 en 4.35, betreffende de andere zaak waarop het arrest ziet (200.248.913/01).
21.Dus: “Geen van de getuigen maakt melding van een gemaakte afspraak”, etc.
22.Met vindplaatsverwijzingen.
23.Voor de vindplaatsverwijzingen in noten 7-36 verwijs ik naar het onderdeel.
24.“Ook in het BDO-rapport wordt melding gemaakt (…). Die bankrekening was de derdenrekening van [verweerder] ”, etc. Dit moet worden bezien in het licht van het daaraan voorafgaande in die tweede alinea.
25.In die lange vierde alinea overweegt het hof mede: “De gedachte achter het noodfonds was (…), maar dat betekent niet”, etc. Daarbij betrekt het hof onder meer dat vast staat dat het geld niet terug is gegaan naar Plassania. En dat betrokkenen bij het noodfonds juist niet wilden dat de gelden op een rekening van Plassania terecht zouden komen, nu die rekeningen met beslagen werden belast of bedreigd.
26.“Daarbij is van belang dat het bedrag van € 2 miljoen”, etc. Zie ook verderop in de vierde alinea over “de door [betrokkene 1] beoogde verduistering van deze gelden”.
27.Zie met name die tweede alinea.
28.“Uit het e-mailbericht van [betrokkene 2] van 18 juli 2010”, etc. (zie ook rov. 3.8). En: “Een en ander vindt volgens hem bevestiging in”, etc. Dit ‘een en ander’ slaat terug op het daaraan voorafgaande in die tweede alinea.
29.In die lange vierde alinea overweegt het hof mede: “De e-mailwisseling met [betrokkene 2] rept daarover niet.” “Dit volgt ook niet uit de overgelegde verklaringen”, etc. “Deze conclusie [dit sluit aan op “De verklaring van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ”, etc., A-G] volgt ook niet uit de verklaring van [betrokkene 2] ”, etc. “Dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ermee heeft ingestemd”, etc. En: “Geen van de getuigen”, etc.
30.“ [de geregistreerd partner van betrokkene 1] beschikte op dat moment [in de periode 20 juli t/m 16 augustus 2010, A-G] zelf niet over enig (ander) vermogen of (andere) liquiditeiten”, etc.
31.In die lange vierde alinea overweegt het hof afsluitend: “De stelling dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] , naast het bedrag op de Spaanse rekening, niet over ander vermogen beschikte”, etc. Deze slotoverweging volgt logisch uit het daaraan voorafgaande in rov. 4.7.
32.“ [de geregistreerd partner van betrokkene 1] heeft in de periode 20 juli tot en met 16 augustus 2010”, etc. (zie ook rov. 3.10). En: “Voorts wijst Gratama qq erop”, etc. Dit moet worden bezien in het licht van het daaraan voorafgaande in die tweede alinea.
33.In die lange vierde alinea overweegt het hof mede: “De verklaring van [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ”, etc. “Deze conclusie volgt ook niet uit de verklaring van [betrokkene 2] ”, etc. “Dat [de geregistreerd partner van betrokkene 1] ermee heeft ingestemd”, etc. En: “Hetzelfde geldt voor de verklaring van [het nichtje] ”, etc.
34.Bij de laatste zin van de stelling staat een verwijzing naar “Randnr. 3.10 MvG”. Niet alleen valt deze zin daar niet te lezen. Wat daar wel valt te lezen, heeft bovendien betrekking op grief 3 van Gratama q.q. (zie rov. 4.3). Die het hof al behandelt en verwerpt in rov. 4.4.
35.Zie noot 28 hiervoor.
36.Zie noot 29 hiervoor.
37.Wat het onderdeel hier ervan maakt, lees ik ook niet zo terug in dit citaat. Welk citaat wordt voorafgegaan door de enkele opmerking dat bij e-mail van 20 februari 2018 [de geregistreerd partner van betrokkene 1] (eindelijk) een verklaring heeft afgegeven aan Looyen q.q., waarvan door Gratama q.q. een kopie wordt overgelegd als productie 1. Deze vindplaats - nr. 2.6 van de memorie van grieven zijdens Gratama q.q. - is onderdeel van grief 2 van Gratama q.q., waarover het hof zich uitlaat in de aanhef van rov. 3.
38.“Uit het e-mailbericht van [betrokkene 2] van 18 juli 2010”, etc. (zie ook rov. 3.8).
39.Zie noot 29 hiervoor.
40.Welke vindplaats onderdeel is van grief 2 van Gratama q.q., waarover het hof zich uitlaat in de aanhef van rov. 3. Die vindplaats - nr. 2.11 van genoemde memorie - koppelt het onderdeel slechts aan de derde en vierde zin van genoemde stelling, daarbij ook niet geheel recht doende aan hetgeen daadwerkelijk te lezen valt in die vindplaats (waar een andere datum wordt genoemd dan waarvan het onderdeel hier rept).
41.Welke vindplaats - nr. 2.12 van genoemde memorie - onderdeel is van grief 2 van Gratama q.q., waarover het hof zich uitlaat in de aanhef van rov. 3.
42.“Volgens Gratama qq staat genoegzaam vast”, etc. En: “Uit de gang van zaken kan volgens Gratama qq”, etc.
43.Zie noot 33 hiervoor.
44.“Aan de na het faillissement van Plassania en [de geregistreerd partner van betrokkene 1] opgemaakte Overeenkomst”, etc.
45.Daarin verwerpt het hof het door Gratama q.q. aangevoerde als bedoeld in rov. 4.5, maar niet (ook) op basis van de Overeenkomst.
46.[Noot 37 in origineel, A-G:] Zie de vorderingen 6, 7 en 8 en de toelichting op vordering 6 in randnr. 6.9 MvG.
47.[verweerder] stelde subsidiair dat deze gelden werden gehouden voor [de geregistreerd partner van betrokkene 1] . Aldus rov. 4.6, tweede alinea. Daarop sluit dus aan de door het hof bereikte uitkomst.
48.Zo heeft nergens in de gedingstukken in feitelijke instanties Gratama q.q. zich op het standpunt gesteld dat die gelden werden gehouden voor een of meer anderen dan Plassania, zoals de (al dan niet precaire)