Conclusie
1.Kwantum Nederland B.V.,
Kwantumrespectievelijk
Vitra.
1.Inleiding
tussenarrest). [2] Op twee punten bevat het tussenarrest een eindoordeel. De Hoge Raad verwierp de eerste klacht in het voorwaardelijk incidenteel beroep van Vitra dat art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie (
BC) in deze zaak niet van toepassing is, alsmede de klachten van Kwantum tegen het oordeel van het hof over slaafse nabootsing.
Hof) van 8 september 2020, het zogenaamde ‘
RAAP-arrest’, aanleiding “
om de stelling dat de materiële-reciprociteitstoets in deze zaak niet van toepassing is, te onderzoeken op een andere rechtsgrond dan in het middel is aangevoerd.” [3] De Hoge Raad is voornemens over die andere rechtsgrond prejudiciële vragen te stellen op de voet van art. 267 VWEU Pro. Daartoe zijn in het tussenarrest drie vragen van uitleg geformuleerd.
eerdere conclusie). Waar nuttig verwijs ik daar wel naar.
2.Leeswijzer
onder 3relatief uitvoerig op het RAAP-arrest in:
onder 4in op de betekenis van het RAAP-arrest voor de onderhavige zaak:
CCR Act) [6] konden artiesten voor een vergoeding in aanmerking komen indien zij onderdaan of inwoner waren van een lidstaat van de EER, of indien de opname in de EER had plaatsgevonden (hierna: de
Ierse maatregel). [7]
EU) is bij deze beide conventies geen partij omdat alleen staten dat kunnen zijn.
WPPT) tot stand gekomen. [11] In dit wereldwijde verdrag zijn delen van de Conventie van Rome overgenomen. Op andere delen werd de Conventie van Rome aangevuld en gemoderniseerd in verband met het toenemende online gebruik van beschermd materiaal zoals muziekopnames. De EU is wel partij bij het WPPT. Ook de Verenigde Staten zijn partij bij het WPPT (niet bij de Conventie van Rome).
ratione personaeten aanzien van ‘onderdanen van andere verdragsluitende partijen’, zoals gedefinieerd in art. 3 lid 2 WPPT Pro. [16] De verplichting tot nationale behandeling geldt
ratione materiaeonder meer voor ‘het recht op één enkele billijke vergoeding’ voor het gebruik van fonogrammen, zoals gedefinieerd in art. 15 lid 1 WPPT Pro. [17] Deze bepaling luidt:
Samenvatting van het RAAP-arrest
eerste en de tweede prejudiciële vraagdat art. 8 lid 2 Richtlijn Pro 2006/115/EG zich ertegen verzet dat een lidstaat bij de omzetting in zijn wetgeving van de autonome term ‘betrokken uitvoerende kunstenaars’, waarmee de kunstenaars worden aangeduid die recht hebben op een deel van de billijke vergoeding, kunstenaars uitsluit die onderdaan zijn van staten die
niettot de EER behoren. Het Hof oordeelde met andere woorden dat voor art. 8 lid 2 Richtlijn Pro 2006/115 het beginsel van nationale behandeling onverkort geldt, nu in die richtlijn niet een uitzondering of een geografische beperking van de kring van rechthebbenden is opgenomen. Het recht op een billijke vergoeding kan dus door de nationale wetgever niet enkel aan onderdanen van de lidstaten van de EER worden voorbehouden (zie
punt 68). Daarmee was het vonnis over de Ierse maatregel geveld.
voorbehouden waarvan door derde staten krachtens artikel 15, lid 3, WPPT kennis is gegevenen die tot gevolg hebben dat het in artikel 15, lid 1, WPPT neergelegde recht op één enkele billijke vergoeding op hun grondgebied wordt beperkt,
er in de Unie toe leiden dat elke lidstaat aan het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde recht ten aanzien van de onderdanen van die derde staten beperkingen kan stellen.
De CRR Act zou met name tot gevolg hebben dat het naburige recht van kunstenaars uit de Verenigde Staten op het Ierse grondgebied wordt beperkt.
Elk van die voorbehouden reduceert in dezelfde mate, voor de Unie en haar lidstaten, de in artikel 15, lid 1, WPPT bedoelde verplichting ten aanzien van de derde staat die het voorbehoud heeft gemaakt. Dit gevolg is neergelegd in artikel 4, lid 2, WPPT, dat moet worden uitgelegd in het licht van de ter zake dienende regels van het volkenrechtdie op de betrekkingen tussen de verdragsluitende partijen kunnen worden toegepast (zie in die zin arresten van 25 februari 2010, Brita, C386/08, EU:C:2010:91, punt 43, en 27 februari 2018, Western Sahara Campaign, C266/16, EU:C:2018:118, punt 58).
Tot die regels behoort ook het in artikel 21, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht gecodificeerde wederkerigheidsbeginsel.Op grond van dit beginsel wijzigt een voorbehoud dat een verdragsluitende partij ten aanzien van de andere verdragsluitende partijen heeft gemaakt, voor de staat die het voorbehoud heeft gemaakt in zijn betrekkingen met die andere partijen de bepaling van de overeenkomst waarop het voorbehoud betrekking heeft en wijzigt dat voorbehoud deze bepaling in dezelfde mate voor die partijen in hun betrekkingen met de staat die het voorbehoud heeft gemaakt.
Unie en haar lidstaten op grond van de ter zake dienende regels van het volkenrechtdie op de betrekkingen tussen de verdragsluitende partijen kunnen worden toegepast,
niet gehouden zijn om het in artikel 15, lid 1, WPPT vastgestelde recht op één enkele billijke vergoeding onbeperkt toe te kennenaan de onderdanen van een derde staat die door middel van een voorbehoud waarvan in overeenstemming met artikel 15, lid 3, van die internationale overeenkomst kennis is gegeven, de toekenning van een dergelijk recht op zijn grondgebied uitsluit of beperkt.
tot gevolg kan hebben dat onderdanen van lidstaten die actief zijn in de – vaak internationale – handel van muziekopnamen geen passend inkomen ontvangen en het moeilijker zullen hebben om hun investeringen terug te verdienen.
uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen van die derde staat in alle gevallen waarin hun opgenomen muziek ten gehore wordt gebracht in de Unie inkomsten ontvangen, terwijl de betrokken derde staat zich, door de kennisgeving van dat voorbehoud op grond van artikel 15, lid 3, WPPT, niet enkel distantieert van artikel 15, lid 1, van deze internationale overeenkomst, maar eveneens van artikel 4, lid 1 daarvan, waarin de verplichting van gelijke behandeling met betrekking tot het recht op een billijke vergoeding voor het gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen is vastgesteld.
noodzaak om een gelijk speelveld te bewaren voor deelname aan de handel in opgenomen muziek een doelstelling van algemeen belang vormt die een beperking van het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde naburige recht kan rechtvaardigen ten aanzien van de onderdanen van een derde staat die dit recht niet of slechts gedeeltelijk toekent.
recht op één enkele billijke vergoeding is binnen de Unie evenwel een naburig recht, zoals blijkt uit punt 57 van het onderhavige arrest.
Dit recht vormt bijgevolg een integrerend bestanddeel van het door artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) verankerde recht op de bescherming van intellectuele eigendom(zie naar analogie arresten van 27 maart 2014, UPC Telekabel Wien, C314/12, EU:C:2014:192, punt 47; 7 augustus 2018, Renckhoff, C161/17, EU:C:2018:634, punt 41, en 29 juli 2019, Pelham e.a., C476/17, EU:C:2019:624, punt 32).
krachtens artikel 52, lid 1, van het Handvest vereist dat elke beperking op de uitoefening van dat naburige recht bij wet wordt gesteld, wat inhoudt dat de rechtsgrond die de inmenging in dat recht toestaat zelf op duidelijke en nauwkeurige wijze moet bepalen in hoeverre de uitoefening van dat recht wordt beperkt[zie in die zin arrest van 17 december 2015, WebMindLicenses, C419/14, EU:C:2015:832, punt 81; advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 139, en arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C311/18, EU:C:2020:559, punten 175 en 176].
Het loutere bestaan van een voorbehoud waarvan naar behoren kennis is gegeven in overeenstemming met artikel 15, lid 3, WPPT voldoet niet aan dat vereiste omdat de onderdanen van de derde staat in kwestie op basis van een dergelijk voorbehoud niet kunnen weten hoe hun recht op één enkele billijke vergoeding dientengevolge precies wordt beperkt in de Unie. Daartoe is een duidelijke regel van het Unierecht zelf vereist.
Aangezien artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 een geharmoniseerde regel is, staat het uitsluitend aan de Uniewetgever en niet aan de nationale wetgevers om te bepalen of de toekenning van dit naburige recht in de Unie moet worden beperkt ten aanzien van de onderdanen van derde staten en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen. Zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft benadrukt, bevat noch die bepaling, noch enige andere bepaling van het Unierecht bij de huidige stand van het Unierecht een dergelijke beperking.
de Unie beschikt over de in artikel 3, lid 2, VWEU bedoelde exclusieve externe bevoegdheid om in het kader van het WPPT of daarbuiten met derde staten te onderhandelen over nieuwe wederzijdse verbintenissen die betrekking hebben op het recht op één enkele billijke vergoedingvoor producenten van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen en de uitvoerende kunstenaars die tot deze fonogrammen bijdragen.
Een situatie waarin de materie van een dergelijke overeenkomst volledig samenvalt met door de Unieregelgeving bestreken materie vormt een van de situaties waarin de Unie beschikt over de in artikel 3, lid 2, VWEU bedoelde exclusieve externe bevoegdheid[zie met name arresten van 4 september 2014, Commissie/Raad, C114/12, EU:C:2014:2151, punten 6870, en 20 november 2018, Commissie/Raad (AMP Antarctique), C626/15 en C659/16, EU:C:2018:925, punt 113].
artikel 15, lid 3, WPPT en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115bij de huidige stand van het Unierecht
aldus moeten worden uitgelegddat
voorbehoudenwaarvan door derde staten krachtens artikel 15, lid 3, WPPT kennis is gegeven en die tot gevolg hebben dat het in artikel 15, lid 1, WPPT neergelegde recht op één enkele billijke vergoeding op hun grondgebied wordt beperkt,
er in de Unie niet toe leiden dat het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde recht ten aanzien van de onderdanen van die derde staten wordt beperkt.Dergelijke beperkingen kunnen evenwel door de Uniewetgever worden ingevoerd mits zij voldoen aan de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest.
Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 verzet zich er dus tegen dat een lidstaat het recht op één enkele billijke vergoeding beperkt ten aanzien van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van die derde staten.”
Analyse van het RAAP-arrest (derde prejudiciële vraag)
voorbehoudheeft gemaakt (
punt 76).
punt 79). Het maken van een voorbehoud door een verdragsluitende staat heeft tot gevolg dat de verplichtingen van de andere verdragsluitende partijen jegens uitvoerende kunstenaars afkomstig uit die staat in dezelfde mate worden gereduceerd (
punt 80). Dit lijkt erop te duiden dat reciprociteit op grond van art. 4 lid 2 WPPT Pro van rechtswege van toepassing is, en dus niet door een wettelijke maatregel hoeft te worden ‘geactiveerd’. [22] Ook zijn de EU en de lidstaten niet gehouden het recht op een billijke vergoeding toe te kennen aan onderdanen van een derde staat die
geen partijis bij het WPPT (
punt 81).
punt 82 en 83). De noodzaak om een gelijk speelveld te bewaren vormt volgens het Hof een doelstelling van algemeen belang, die een beperking van het recht op een billijke vergoeding kan rechtvaardigen ten aanzien van onderdanen van een derde staat die dit recht niet of slechts gedeeltelijk toekent (
punt 84).
drie stappen.
punt 85). Een nationale beperking van het recht op een billijke vergoeding moet daarom worden getoetst aan art. 17 lid 2 Handvest Pro, in samenhang met art. 8 lid 2 Richtlijn Pro 2006/115/EG, zoals uit te leggen in het licht van het WPPT.
Intellectuele eigendom is beschermd.’ (‘
Intellectual property shall be protected.’). De officiële toelichting op deze bepaling is ook beknopt. Zij vermeldt slechts dat de intellectuele eigendom reeds bescherming vindt in het algemene eigendomsrecht van het eerste lid van artikel 17 (het recht op eigendom op goederen die rechtmatig zijn verkregen), maar dat intellectuele eigendom aparte vermelding verdient vanwege het toenemende belang daarvan in het ‘afgeleide gemeenschapsrecht’ (waarmee is bedoeld de bestaande EU-wetgeving). [25] De garanties van het eerste lid van artikel 17 gelden Pro volgens de toelichting ook voor de in het tweede lid genoemde bescherming van de intellectuele eigendom. [26]
erkent’intellectuele eigendom [27] en
verleentaan IE-rechten de status van grondrecht, [28] telkens wanneer een zaak binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest valt (art. 51 lid 1 Handvest Pro). Het nalaten van de nationale wetgever om te voorzien in een regel ter bescherming van IE-rechten die in een EU-richtlijn wel is voorzien, komt neer op het ontnemen van IE-rechten die krachtens het Unierecht (rechtmatig) zijn verkregen. [29]
RAAP/PPI, waarin het Hof van Justitie overweegt dat het recht op een billijke vergoeding uit artikel 8 van Pro de Verhuurrichtlijn een ‘integrerend onderdeel’ uitmaakt van het in artikel 17, tweede lid Handvest verankerde recht op bescherming van intellectuele eigendom. De constitutionele bescherming van het vergoedingsrecht is symptomatisch voor een breder verschijnsel dat bekendstaat onder de naam ‘grondrechteninflatie’. Deze term brengt tot uitdrukking dat een voortdurende proliferatie van grondrechten uiteindelijk leidt tot ontwaarding van die rechten.”
punt 87).
bevoegdis om te reageren op een voorbehoud van een derde land. Daarover gaat stap 3.
punt 88). De EU heeft bovendien op grond van art. 3 lid 2 VWEU Pro de bevoegdheid om te onderhandelen over wederzijdse verbintenissen met betrekking tot het recht op een billijke vergoeding (
punt 89). Elke overeenkomst (in internationaal verband) zou namelijk de draagwijdte kunnen wijzigen van art. 8 lid 2 Richtlijn Pro 2006/115, dat een gemeenschappelijke regeling van de Unie is. De EU is daarom
exclusiefbevoegd om een wetgevende maatregel te nemen in reactie op een door een derde staat gemaakt voorbehoud (
punt 90).
AETR-doctrine’ toe (of de leer van de
implied powers), [35] op grond waarvan de EU door het uitoefenen van interne wetgevende bevoegdheden op extern vlak een daarmee verbonden exclusieve bevoegdheid verkrijgt. De uitgebreide rechtspraak waarin deze ‘leer’ gestalte heeft gekregen is met het Verdrag van Lissabon – enigszins versimpeld – gecodificeerd in art. 3 lid 2 VWEU Pro, dat luidt (onderstreping toegevoegd):
De Unie is tevens exclusief bevoegd een internationale overeenkomst te sluiten indieneen wetgevingshandeling van de Unie in die sluiting voorziet, indien de sluiting noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen of indien
die sluiting gevolgen kan hebben voor gemeenschappelijke regels of de strekking daarvan kan wijzigen.”
Gevolgen van het RAAP-arrest
‘l’effet d’une bombe’.
’ [38] Dit is vooral het gevolg van het feit dat het recht op een billijke vergoeding voortaan toekomt aan alle rechthebbenden die de materiële voorwaarden vervullen. Voor Europese artiesten en andere doelen lopen de inkomsten terug omdat de koek over meer personen verdeeld moet worden. Het RAAP-arrest leidt op die manier tot de door het Hof genoemde concurrentieverstoringen, zo lang wederkerigheid ontbreekt (
punten 82-84).
sui-generis-recht van databanken, [39] het volgrecht, [40] en de auteursrechtelijke beschermingstermijn. [41] Zo’n Unieregeling is meestal gebaseerd op reciprociteit, omdat onderdanen van een derde land op het grondgebied van de EU alleen dezelfde rechten als EU-onderdanen krijgen indien de wetgeving van dat derde land een gelijkwaardig niveau van bescherming bevat. [42] Een variant hierop is dat rechten alleen worden toegekend aan EU-onderdanen en aan in de EU gevestigde rechtspersonen. [43] Een dergelijke EU-regeling ten aanzien van derde landen die een voorbehoud als bedoeld in art. 15 lid 3 WPPT Pro hebben gemaakt, bestaat (nog) niet maar lidstaten mogen daar niets meer over bepalen. Zodoende heeft het RAAP-arrest een – wat mij betreft onwenselijk – vacuüm doen ontstaan.
Rechtsunsicherheit, für die betroffenen urheberrechtliche Akteure.“
De beoogde RAAP-reparatie
Initiatief inzake de voorwaarden voor de vergoeding van de in de EU gespeelde muziekopnames uit derde landen’. [53] Blijkens het consultatiedocument [54] zal in art. 8 lid 2 Richtlijn Pro 2006/115 een specifieke wijziging moeten worden aangebracht “
om tegemoet te komen aan het voorbehoud dat staten die partij zijn bij het WPPT, hebben gemaakt met betrekking tot de enkele billijke vergoeding” en aldus “
materiële wederkerigheid in het kader van de WPPT toe te passen”. Ik citeer uit het consultatiedocument:
punt 84van het RAAP-arrest).
geengevolgen heeft voor andere reciprociteitsregelingen dan de regeling van art. 4 lid 2 WPPT Pro. Maar er blijkt in elk geval niet uit dat zij de mening is toegedaan dat die gevolgen zich
welvoordoen. Hieronder ga ik na wat naar aanleiding van het RAAP-arrest in de literatuur wordt gezegd over de eventuele extrapolatie naar andere reciprociteitsregelingen, in het bijzonder de regeling van art. 2 lid 7 BC Pro. Vitra heeft in haar uitlating na tussenarrest reeds op enkele commentaren gewezen.
“… while it remains to be seen whether this also applies to the reciprocity test in Article 2(7).” [59]
Rognstadis zeer kritisch over het RAAP-arrest, met name omdat wordt afgeweken van de territoriale beperkingen die kenmerkend zijn voor de systematiek van de klassieke, internationale verdragen. Ik begrijp deze auteur zo dat hij vergaande consequenties vreest op de onderdelen van het auteursrecht waar de lidstaten niet langer wettelijk mogen bepalen dat materiële reciprociteit wordt toegepast. [60] Op art. 2 lid 7 BC Pro gaat deze auteur echter niet specifiek in.
Blomqvist en Rosenmeierzijn kritisch over het RAAP-arrest. [61] Deze auteurs zeggen wel iets over de gevolgen voor art. 2 lid 7 BC Pro. De volgende passage is ook door Vitra geciteerd (mijn onderstreping): [62]
As illustrated by the Cofemel and Brompton Bicycles decisions of the CJEU, the copyright protection of works of applied arts is now harmonized in the EU by virtue of the Inforsoc Directive (...). If we extrapolate from RAAP, none of the national rules in the EU implementing reciprocity for works of applied art can now be maintained, and the situation will remain like that until a possible harmonization is carried out.” [63]
nationale maatregelenraakt waarbij reciprociteit is doorgevoerd (‘
national rules (…) implementing reciprocity’).
Delile. [64] Volgens deze (Franse) auteur getuigt het RAAP-arrest van
Völkerrechtsfreundlichkeitomdat art. 8 lid 2 Richtlijn Pro 2006/115/EG wordt uitgelegd in het licht van art. 15 lid 1 WPPT Pro en omdat de nationale behandeling die is voorgeschreven in art. 4 lid 1 WPPT Pro als een verplichting van de Unie zelf is aangemerkt. [65] Vitra citeert de volgende passage (voetnoten weggelaten; mijn onderstreping):
Ce n 'est donc pas la Charte elle-même qui fonde l‘exclusion de la compétence de l'lrlande, mais l'existence d'un acte législatif de l'Union qui concrétise l’une de ses dispositions. Dès lors que Ie droit à rémunération équitable est garanti par une disposition législative de l'Union, l’article 8, paragraphe 2, de la directive 2006/115, un État membre ne peut poser une limitation à son exercice sans porter atteinte au principe d'attribution des compétences.
Toute limitation de ce droit requiert l'adoption d'une règle de droit de l'Union européenne, inexistante a l'heure actuelle s'agissant de son champ d'application personnel, dans la mesure où la directive 2006/115 n'exclut pas les ressortissants des États tiers." [66]
position papervan de European Copyright Society, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de RAAP-uitspraak “
reveals a shift in competence that has already taken place.” [67] Over de eventuele
spillovernaar andere reciprociteitsregelingen in internationale verdragen zegt het door Vitra weergegeven citaat niets. Wel wordt in het paper rekening gehouden met de mogelijkheid dat zich
spillover-effecten zullnen voordoen, gelet op de algemene bewoordingen die het Hof in het RAAP-arrest gebruikt. Om te voorkomen dat andere reciprociteitsregelingen onderuit gaan wordt gepleit voor een brede reciprociteitsregeling op Europees niveau. Ik citeer het slot van de
executive summary:
Inleidende opmerkingen: kader en grondslag vorderingen
rov. 14). De regeling is symptomatisch voor de pogingen om een hybride voortbrengsel als industriële vormgeving (techniek en kunst) in het IE-landschap een plek te geven. [68] Daarover bestaat geen specifieke EU-wetgeving, buiten het modellenrecht.
eerste volzinvan art. 2 lid 7 BC Pro geeft de landen van de Berner Unie de vrijheid om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen, alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Het praktisch belang van deze bepaling is in de EU een stuk minder geworden, omdat cumulatie van beschermingsvormen al enige tijd uitgangspunt is. [69]
tweede volzinvan art. 2 lid 7 BC Pro, die een uitzondering vormt op de hoofdregel van de Berner Conventie dat werken van buitenlandse oorsprong hetzelfde moeten worden behandeld als werken van nationale oorsprong (art. 5 lid 1 BC Pro). Ik citeer gemakshalve nog even de materiële-reciprociteitstoets in het eerste deel van de tweede volzin (mijn onderstreping):
alleenals tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in een ander land van de Unie
slechtsde bijzondere bescherming
worden ingeroepenwelke in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend;”
nietom een optionele of facultatieve bepaling gaat. Een werk dat in het land van oorsprong alleen als tekening en model is beschermd,
isin een ander land ook alleen op die wijze beschermd en komt daar niet in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming. [71] Om materiële reciprociteit op zijn grondgebied toe te passen hoeft een land van de Berner Unie dus niet een regeling uit te vaardigen, en zo’n regeling is er in Nederland dan ook niet. Alleen als een land wil afzien van het toepassen van materiële reciprociteit (art. 19 BC Pro laat dat toe), [72] moet het daartoe een regeling treffen. [73] Anders gezegd, de materiële-reciprociteitstoets staat automatisch aan, tenzij die is uitgezet. Daarom begrijp ik de woorden in rov. 3.6 van het tussenarrest “
Deze bepaling laat toe …” ook niet in die zin dat het om een facultatieve regeling zou gaan. [74]
self-executing. Dat de toepassing van die bepaling, en met name de
lex originis-toets, soms geen sinecure is (zoals deze zaak laat zien), kan uiteraard geen reden zijn om de materiële-reciprociteitstoets niet van toepassing te achten.
WCT), dat parallel aan het WPPT tot stand is gekomen. [75] De EU is partij bij het WCT. Op grond van art. 1 lid 4 WCT Pro moeten de partijen bij dat verdrag zich voegen naar de materiële bepalingen van de Berner Conventie (art. 1-21 BC). [76] Art. 9 TRIPs Pro bevat een zelfde bepaling. De EU is dus op grond van twee internationale verdragen, in de totstandkoming waarvan zij bovendien een belangrijk aandeel heeft gehad, gehouden de bepalingen van art. 1-21 BC na te leven, althans te respecteren. Op grond van art. 3 WCT Pro moeten partijen bij dat verdrag de bepalingen van art. 2 tot Pro en met 6 BC
mutatis mutandistoepassen met betrekking tot de bescherming die in het WCT is voorzien. Daar valt ook art. 2 lid 7 BC Pro onder. Uit niets blijkt dat door of namens de EU voor deze bepaling ooit een voorbehoud, uitzondering of andere vorm van
carve-outis gemaakt.
rov. 18). De DSW is ook aan te merken als een werk van toegepaste kunst (
rov. 29). Vitra kan daarom aanspraak maken op de auteursrechtelijke bescherming in Nederland en België (
rov. 31), onder voorbehoud van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC Pro.
rov. 20 en 21). Vitra baseert haar vorderingen dan ook op internationale normen, met name de Berner Conventie, [77] en in het bijzonder het beginsel van nationale behandeling. In dat beginsel ligt een conflictenrechtelijke verwijzingsregel naar de
lex loci protectionisbesloten (hier: het Nederlandse en het Belgische auteursrecht), [78] terwijl het slot van art. 5 lid Pro 1 (‘
alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend’) de materiële bepalingen van de Berner Conventie (
ius conventionis) van toepassing verklaart (
rov. 26)
.
rov. 25, 4de alinea). Ook het hof heeft een vergelijking gemaakt tussen de het Amerikaanse auteursrecht en die onder het auteursrecht van Nederland en van België. Bij het uitvoeren van de
lex originis-toets is het hof tot de conclusie gekomen dat de
Star Athletica-uitspraak van het U.S. Supreme Court voor een kentering heeft gezorgd (vanwege de daarin gegeven uitleg van het criterium van scheidbaarheid als voorwaarde voor auteursrechtelijke bescherming van gebruiksvoorwerpen). Vanaf de datum van die uitspraak (22 maart 2017) voldoet de DSW volgens het hof daarom aan de materiële-reciprociteitstoets. In het principaal cassatieberoep van Kwantum staat centraal of het hof voor het uitvoeren van de materiële-reciprociteitstoets een juiste maatstaf heeft aangelegd. Het incidenteel beroep van Vitra is erop gericht de auteursrechtelijke bescherming al te laten ingaan vóór 22 maart 2017 (wanneer dan precies, staat niet vast). Is aan de materiële-reciprociteitstoets voldaan (zoals het hof heeft geoordeeld maar Kwantum bestrijdt), dan is de DSW beschermd tot en met 2058. [79]
Verschillen met de zaak RAAP
nationale wettelijke maatregelaan de orde, die het recht op een billijke vergoeding afhankelijk stelde van voorwaarden met betrekking tot nationaliteit, woonplaats, of productieplaats. In deze zaak is enkel een
regeling in een internationaal verdragaan de orde (art. 2 lid 7 BC Pro).
geharmoniseerde regeldie een recht toekent aan specifieke rechthebbenden (art. 8 lid 2 Richtlijn Pro 2006/115/EG), welk recht door de onder a. genoemde maatregel was ingeperkt. In deze zaak is er
geen beroep gedaan op een geharmoniseerde regelvan Unierecht die rechten creëert.
internationaal verdrag dat hetzelfde vergoedingsrecht toekent(art. 15 lid 1 WPPT Pro). [80] Bij dat verdrag is de EU partij. In deze zaak is er geen geharmoniseerde regel van Unierecht die in het licht van een internationaal verdrag moet worden uitgelegd. Aan de orde is de toepassing van een
bepaling uit de Berner Conventiewaarbij de EU geen partij is.
de EU zelf gebonden aan het beginsel van nationale behandelingvan onderdanen van andere WPPT-verdragstaten. In deze zaak heeft de
EU niet een verplichting tot gelijke behandelingvan onderdanen of werken van derde landen.
gevolgenzijn
van een door een derde staat gemaakt voorbehoud. Anders dan RAAP, gaat deze zaak
niet over een voorbehoud van een derde staat, maar over een in de Berner Conventie neergelegde regeling van materiële reciprociteit.
voorbehoudals onder e. om een
reactievraagt, bepaald dat een reactie alleen
door de EUkan worden gegeven omdat rechthebbenden uit de betrokken derde staat alleen dan kunnen weten waar zij in de EU aan toe zijn. Bij de reciprociteitsregeling van art. 2 lid 7 BC Pro weten makers uit een land waarin aan modellen geen auteursrechtelijke bescherming wordt toegekend, dat zij zich in andere verdragstaten niet kunnen beroepen op auteursrechtelijke bescherming. [81] Voor het kunnen inroepen van materiële reciprociteit is een reactie niet nodig. Onderdanen van de betrokken derde landen weten waar zij aan toe zijn.
Analyse en gevolgen van de verschillen
De bepalingen van [het] Handvest zijn gerichttot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede,
uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten(…).”
wanneer zij optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie(zie in die zin arrest Åkerberg Fransson, C617/10, EU:C:2013:105, punt 18).
de Unievoorschriften op het betrokken gebied de lidstaten geen specifieke verplichting oplegden voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie(zie arresten Maurin, C144/95, EU:C:1996:235, punten 11 en 12, en Siragusa, EU:C:2014:126, punten 26 en 27).”
verschil a.). Hier dient de rechter te beslissen op vorderingen die zijn gebaseerd op met name de Berner Conventie (zie 4.8). In dat kader diende de rechter het verweer te beoordelen dat Kwantum ontleende aan art. 2 lid 7 BC Pro. Dat is een bepaling van internationaal recht. Als de rechter aan die bepaling toetst, brengt hij niet het recht van de Unie tot uitvoer. Daarom kan het RAAP-arrest in deze zaak niet worden toegepast op art. 2 lid 7 BC Pro. Die bepaling is geen onderdeel van het Unierecht. Het feit dat de EU, als partij bij de TRIPs-Overeenkomst en bij het WCT, zich heeft gecommitteerd aan de naleving van art. 1-21 BC (en daarmee ook van art. 2 lid 7 BC Pro), maakt dat niet anders.
Hernández:
Cofemel [90] en
Brompton [91] volgt dat de bescherming van werken van toegepaste kunst is geregeld in de Auteursrechtrichtlijn zodat er, net als in RAAP, wel degelijk sprake is van een op Unieniveau geharmoniseerde regel. De DSW is een werk van toegepaste kunst en moet in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming genieten overeenkomstig de Auteursrechtrichtlijn (vgl. punten 35 en 48 van het
Cofemel-arrest)
.
Cofemel-arrest wordt verwezen.
Cofemel-arrest (punten 27-35).
Cofemel-arrest op de verhouding tussen auteursrechtelijke en modellenrechtelijke bescherming (vgl. 4.1). Aanvankelijk werd uitgegaan van twee gescheiden vormen van bescherming: het utilitaire werd beschermd door het modellenrecht en het artistiek-creatieve door het auteursrecht. Het Hof verzoent dit contrast. Het oordeelt dat modelbescherming en auteursrechtelijke bescherming “
elkaar niet uitsluiten” (punt 43). Beide beschermingsvormen kunnen dus van toepassing zijn op een gebruiksvoorwerp. Het Hof oordeelt dus dat een model dat voldoet aan het oorspronkelijkheidsvereiste, als een ‘werk’ in de zin van de Auteursrechtrichtlijn kan worden aangemerkt (punt 48). Aanvullende vereisten, zoals de voorwaarde dat het model een ‘artistieke waarde’ of ‘visueel gezien een esthetische waarde’ heeft, [94] kunnen niet (langer) worden gesteld.
Bromptondat technisch noodzakelijke productvormgeving auteursrechtelijk beschermbaar kan zijn, mits zij het resultaat is van een eigen intellectuele schepping van de auteur. Ook een functioneel product als in die zaak (een vouwfiets) kan dus auteursrechtelijk zijn beschermd. Auteursrecht op techniek is echter niet mogelijk (punt 33). Dit arrest voegt voor deze zaak niets relevants toe aan het
Cofemel-arrest.
Cofemel-arrest nu voor de vraag of deze zaak binnen het toepassingsgebied van het Handvest valt? Vaststaat vast dat de DSW
materieel gezienaan het werkbegrip voldoet. De DSW is immers aan te merken als werk van toegepaste kunst (zie 4.7). Dat was in Nederland vóór
Cofemelvermoedelijk ook al zo.
Cofemeldaaronder worden gebracht en is ook overigens niet onder het toepassingsgebied van het Handvest te brengen.
lex protectionis. Art. 12 Aw Pro bevat het verveelvoudigingsrecht (nationaal recht). Dat recht is op EU-niveau geharmoniseerd (art. 2 Auteursrechtrichtlijn Pro) voor ‘werken’. Dat laatste begrip is niet door de Uniewetgever geharmoniseerd, maar gaandeweg wel door het Hof (en in het
Cofemel-arrest toegepast op modellen). Daarom gaat het hier om een door een EU-richtlijn toegekend recht (Unierecht).
Cofemel-arrest [96] (en evenmin op het Handvest). Wat ik hierna opmerk over het Handvest is daarom ten overvloede.
proprietary character’ (wat art. 17 Handvest Pro primair beoogt te beschermen). Dat het reproductierecht van de maker als zodanig onder het door art. 17 lid 2 Handvest Pro erkende recht op intellectuele eigendom kan vallen, lijdt daarom geen twijfel.
Cofemel-arrest wellicht de gewenste duidelijkheid gebracht? De passage waarin het Hof nagaat of modellen als ‘werken’ in de zin van de Auteursrechtrichtlijn kunnen worden aangemerkt, begint met de volgende overwegingen (mijn onderstreping):
bescherming genieten op grond van het recht van de Unie. Dit betekent echter
nietdat al die voorwerpen of categorieën van voorwerpen
dezelfde bescherming moeten genieten.”
Brompton-arrest, ook niet in de conclusie van de A-G in die zaak, en evenmin in het RAAP-arrest (punt 85, de verwijzing naar art. 17 lid 2 Handvest Pro). Ik zal niettemin trachten deze overwegingen van enige duiding te voorzien.
Cofemelopgaan, temeer omdat vervolgens in punt 39 twee richtlijnen en een verordening worden genoemd, die de grondslag vormen waarop in de EU-wetgeving het auteursrecht en het modellenrecht zijn beschermd.
Cofemel-arrest bevestigt dat IE-rechten in meer of minder mate kunnen worden beperkt en ook qua beschermingsvorm kunnen verschillen. Indien een voorwerp voldoet aan de werktoets en daarom auteursrechtelijk is beschermd, kunnen er op die bescherming restricties of beperkingen worden aangebracht die tot gevolg hebben dat op het auteursrecht geen beroep kan worden gedaan.
Luksan(zie ook 3.23). Daarin stelde het Hof vast dat de Oostenrijkse wetgever ten onrechte geen vergoeding had voorzien voor de hoofdregisseur van films, terwijl de Uniewetgeving daar wel in voorziet. Het Hof kwalificeerde deze omissie als een onteigening van het recht van de regisseur, in strijd met art. 17 lid 2 Handvest Pro. Dat oordeel volgde uit het oordeel dat de relevante richtlijnbepaling was geschonden. [100] Hierin zie ik de bevestiging dat art. 17 lid 2 Handvest Pro niet een beschermingsstandaard bevat, maar bestaande IE-bescherming de status van grondrecht verleent.
tegenwerpingzou kunnen zijn dat grondrechten naar hun aard universeel zijn en er daarom op het grondgebied van de Europese Unie niet een verschil in behandeling mag bestaan naar gelang het land van oorsprong van een werk van toegepaste kunst, of dat nu Frankrijk, China of de VS is.
geenreciprociteit kan worden toegepast (RAAP-arrest, punt 84). Nu met de regeling van art. 2 lid 7 BC Pro in onder meer dat is beoogd, valt niet in te zien dat art. 17 lid 2 Handvest Pro aan die regeling in de weg zou staan.
bij wetzijn vastgesteld, maar die wet hoeft niet een regeling van de Unie te zijn. Dat kan ook een nationale wettelijke maatregel zijn. [102] Ook een bepaling van een internationaal verdrag kan gelden als ‘bepaling bij wet’. Er is althans niets dat erop wijst dat dit niet zou kunnen.
isde materiële-reciprociteitstoets van toepassing (zie 4.4). [103] De regeling is, in zoverre, precies en eenvormig. Aan de ‘formele vereisten’ van art. 52 lid 1 Handvest Pro is daarom voldaan. Bovendien streeft de regeling een legitiem doel na en is zij daarvoor geschikt en noodzakelijk (zie zojuist, 4.41). Aan de ‘materiële vereisten’ van art. 52 lid 1 Handvest Pro is daarom ook voldaan.
eerstetegenwerping zou kunnen zijn dat art. 2 lid 7 BC Pro geen maatregel van de EU is en daarom niet de grondslag kan zijn voor een beperking op art. 17(2) Handvest.
verschillen e. en f. Voor een maatregel in antwoord op een door een derde land overeenkomstig art. 15 lid 3 WPPT Pro gemaakt voorbehoud, is een Uniemaatregel nodig. Waar geen voorbehouden kunnen worden gemaakt maar er een eenvormige verdragsbepaling is die materiële reciprociteit
voorschrijft, is er niets waarop een reactie gegeven kan of moet worden. Voor dat standpunt bevat het RAAP-arrest steun. Het Hof acht het namelijk aan de EU
en aan de lidstaten toegestaanom aan onderdanen van een derde staat die
geen partijis bij het WPPT, geen of slechts gedeeltelijk een billijke vergoeding toe te kennen (RAAP-arrest, punt 81). Daar lijkt dus geen Uniemaatregel voor nodig te zijn, ook al is het effect daarvan dat de volgens het Hof door art. 17 lid 2 Handvest Pro erkende bescherming van IE-rechten aan onderdanen van die derde staat wordt onthouden voor het gebruik van hun werken in de EU. [104]
Luksan-arrest (punt 59) en in het
Cofemel-arrest (punt 41), toen de exclusieve externe bevoegdheid – naar moet worden aangenomen – al enige tijd een feit was.
la beauté institutionnellegeen enkel nuttig doel. Het EU-blok zou een eigen reciprociteitsregeling krijgen parallel aan die van art. 2 lid 7 BC Pro, waar de andere verdragsstaten van de Berner Conventie niet aan gebonden zijn. Dat kan bijna alleen maar een onduidelijk construct worden.
unilateral waiver(lijkt politiek niet kansrijk, maar) zou wél in de Berner Conventie zijn in te passen, zoals het afzien van reciprociteit intra-EU dat ook was. Ook Schaafsma noemt deze optie, als onderdeel van wat volgens hem ‘
desirable law’ is. [106] Het uitvaardigen van een maatregel met die strekking impliceert wel dat bij de huidige stand van zaken, na het RAAP-arrest, de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 kennelijk Pro
nietbuiten toepassing hoeft te worden gelaten. Als dat wel nu al zou moeten, dan zou een dergelijke hypothetische maatregel om dat te realiseren immers zinledig zijn.
tweedetegenwerping zou kunnen zijn dat de bepaling die het probleem vormt niet tevens de oplossing kan zijn. Dat zou circulair zijn.
rechten en verplichtingenvoortvloeiende uit
overeenkomsten vóór 1 januari 1958(…) gesloten tussen één of meer lidstaten enerzijds en één of meer derde staten anderzijds, worden door de bepalingen van de Verdragen niet aangetast.
pacta sunt servanda.De bepaling ziet alleen op bestaande overeenkomsten met een (op moment van sluiten) derde land. De tweede alinea van art. 351 VWEU Pro is een uitdrukking van het loyaliteitsprincipe (als bedoeld in art. 4 lid 3 VEU Pro). Dit verplicht lidstaten de onverenigbaarheid van een verdrag met het Unierecht op te heffen, in voorkomende gevallen door opzegging van het strijdige verdrag. [110] Totdat de onverenigbaarheid is opgeheven, machtigt art. 351, eerste alinea, VWEU de lidstaat om het verdrag te blijven toepassen voor zover dit verplichtingen omvat waaraan hij volkenrechtelijk nog steeds gebonden is. [111]
Ferrari, dat dateert van kort na het RAAP-arrest en waarnaar Kwantum in haar uitlating van 4 november 2022 verwijst. [113] In die zaak was aan de orde een bilateraal IE-verdrag uit 1892 tussen Duitsland en Zwitserland. Dat verdrag was in strijd met het Unierecht, maar kon door de nationale rechter op grond van art. 351, eerste alinea toch worden toegepast zo lang Duitsland die strijdigheid met het Unierecht niet overeenkomstig art. 351, tweede alinea, had aangepast. [114] Die zaak illustreert dat art. 351, eerste alinea, VWEU nog steeds wordt toegepast, ook op het gebied van intellectuele eigendom.
grondslagenvan de Unierechtsorde worden beschouwd, zijn geen afwijkingen mogelijk. [118] Daar valt bescherming van IE-eigendom vanzelfsprekend niet onder.
verplichtingendie voor een lidstaat voortvloeien uit een internationaal verdrag. Dit betekent dat wanneer een verdrag een lidstaat toestaat maar niet verplicht om een bepaalde maatregel te nemen die in strijd is met het Unierecht, een beroep op art. 351, eerste alinea, VWEU niet opgaat. [119] In de zaak
Luksanberoep was beroep gedaan op art. 14bis BC om een vergoeding aan de hoofdregisseur van een film te weigeren, terwijl het Unierecht inmiddels bepaalde dat wel een recht op zo’n vergoeding bestond (voetnoot 100). Ik citeer (mijn onderstreping):
een lidstaat toestaat om een maatregel te nemendie in strijd lijkt met het Unierecht,
zonder evenwel deze lidstaat daartoe te verplichten, dient de lidstaat
zich echter van een dergelijke maatregel te onthouden(…).
Deze rechtspraak moeteveneens mutatis mutandis
toepassing vinden wanneer een door een lidstaatkrachtens de door een eerdere internationale overeenkomst verleende bevoegdheid
getroffen wetgevende maatregel door ontwikkelingen in het Unierecht in strijd met dit recht blijkt te zijn. In een dergelijke situatie kan de betrokken lidstaat zich niet op deze overeenkomst beroepen om zich te onttrekken aan de later ontstane Unierechtelijke verplichtingen.
heeft de Uniewetgever echter de bevoegdheden van de Unie op het gebied van intellectuele eigendom uitgeoefend. De lidstaten zijn bijgevolg niet meer bevoegd om bepalingen vast te stellen die afbreuk doen aan deze Unieregeling. Derhalve kunnen zij geen gebruik meer maken van de bij artikel 14 bis Pro van de Berner Conventie verleende bevoegdheid.”
geen nationale maatregelin het geding is, er daarom ook geen nationale maatregel is aan te wijzen die door ontwikkelingen in het Unierecht daarmee in strijd is gekomen, zodat in zoverre ook niet relevant is dat de Uniewetgever zijn bevoegdheden op intern (wetgevend) vlak heeft uitgeoefend. De maatregel die hier wel door de rechter is toegepast, is een maatregel van internationaal recht, die gelijkelijk van toepassing is in alle lidstaten.
een verplichtingbehelst. Het uitvoeren van de materiële reciprociteitstoets kan er immers toe leiden dat de rechter van de aangezochte verdragsstaat auteursrechtelijke bescherming op het grondgebied van die staat moet
weigerente erkennen. Ik meen niettemin dat wel van een verdragsrechtelijke verplichting kan worden gesproken. De rechter kan immers niet vrijblijvend met art. 2 lid 7 BC Pro omgaan. Indien op die bepaling beroep wordt gedaan in een door hem te beslechten geding, dient de rechter daarop te beslissen. Daar komt bij dat de Berner Conventie rechten en verplichtingen omvat die een geheel vormen en waar art. 2 lid 7 BC Pro onderdeel van uitmaakt.
vóór 1 januari 1958moet zijn aangegaan. Dit temporele criterium wordt strikt gehanteerd. Ik citeer het recente arrest
HFdat gaat over het
ne bis in idem-beginsel in art. 50 Handvest Pro) (mijn onderstreping): [120]
Hoewel de lidstaten zich ten tijde van de sluiting van deze Verdragen reeds ervan bewust waren dat de bevoegdheden van de Unie met het verstrijken van de tijd aanmerkelijk kunnen evolueren, ook op gebieden waar zij overeenkomsten met derde staten hadden gesloten, hebben zij niet voorzien in de mogelijkheid om voor de toepassing van artikel 351, lid 1, VWEU uit te gaan van de datum waarop de Unie op een bepaald gebied bevoegd is geworden.
deze uitzonderingsbepalingaldus moet worden uitgelegd dat zij
alleen betrekking heeft op overeenkomsten die vóór 1 januari 1958 (…) zijn gesloten.”
de verplichting is aangegaan. Bepalend daarvoor is wanneer een verdrag door ratificatie in werking is getreden. Pas dan is sprake van een ‘gesloten internationale overeenkomst’ als bedoeld in art. 351, eerste alinea, VWEU. [123] Dit lijkt mij ook in overeenstemming met het Weens Verdragenverdrag, dat steeds verwijst naar verdragen waarbij staten
partijzijn, wat zij pas zijn na ratificatie. Dat betekent dat de binding er voor Nederland pas was vanaf de datum waarop Nederland is toegetreden tot de Brusselse herziening van de Berner Conventie. Dat was pas begin jaren ’70. De goedkeuring vond plaats bij Rijkswet van 27 oktober 1972, [124] de toetreding op 16 november 1972 [125] en de inwerkingtreding van het verdrag was op 7 januari 1973. [126] Vijftig jaar geleden dus, maar niet vóór 1 januari 1958.
niet van toepassingis als het gaat om de materiële reciprociteitstoets toegepast door
Nederland. In zoverre gaat het betoog van Kwantum dus niet op.
België. Het hof heeft ook een bevel gegeven tot staking van de inbreuk op de auteursrechten van Vitra in Nederland én België. Daarom dient tevens te worden nagegaan of de Brusselse herziening van de Berner Conventie voor België wél voor 1 januari 1958 in werking is getreden. Dat blijkt het geval te zijn. De Belgische ratificatie vond namelijk op 15 juli 1951 plaats, met als datum van inwerkingtreding 1 augustus 1951. [127] Dit lijkt erop te wijzen dat voor zover Vitra’s vorderingen zien op auteursrechtelijke bescherming in België, het beroep van Kwantum op art. 351 lid 1 VWEU Pro wel opgaat. [128] Dat in deze zaak de Nederlandse rechter over art. 2 lid 7 BC Pro heeft moeten beslissen, laat onverlet dat het op deze plaats gaat over een verplichting van het Berner Unieland België.
die staatis toegetreden tot de Berner Conventie, kunnen onevenwichtigheden ontstaan. Onderdanen of werken van derde staten die relatief laat zijn toegetreden, zoals de Verenigde Staten (1989), China (1992) en de Russische Federatie (1994), zouden in de EU niet kunnen worden geconfronteerd met de materiële reciprociteitstoets, ook niet in EU-lidstaten die zelf wel voor 1 januari 1958 hebben geratificeerd. Daarentegen zouden onderdanen van derde staten die wel al voor 1 januari 1958 tot Bern waren toegetreden, zoals Canada (1928), India (1928) en Israël (1950), wel die toets tegengeworpen kunnen krijgen - een en ander uiteraard alleen als in het land van oorsprong werken van toegepaste kunst niet auteursrechtelijk worden beschermd.
Ambtshalve bijbrengen van rechtsgronden in cassatie
verplichtingtot het bijbrengen van een rechtsgrond is er in elk geval niet. De in het tussenarrest aangehaalde Unierechtelijke bepalingen zijn niet van openbare orde (ook art. 17 Handvest Pro is dat niet). In zoverre berust het bijbrengen van de nieuwe rechtsgrond dus op een keuze van de Hoge Raad.
ten gunste van de eiserbestaan weinig precedenten. Dat de Hoge Raad daarin zeer terughoudend is, hangt samen met het verbod van ambtshalve cassatie (art. 419 lid 1 Rv Pro) en met de noodzaak het recht op hoor en wederhoor te respecteren. [131] Ik noem twee precedenten, genoemd in Asser/Korthals Altes & Groen nr. 276, allebei uit 1995 en betrekking hebbend op procesrechtelijke kwesties.
Het aanvullen van rechtsgronden behoort hoe dan ook niet plaats te vinden zonder inachtneming van het contradictoire karakter van het geding. De rechter zou partijen in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over een ambtshalve aan de beslissing ten grondslag te leggen rechtsgrond.”
rechtszekerheid van partijen en hun rechten van de verdediging. Van partijen, die worden bijgestaan door een of meer advocaten, mag worden verwacht dat zij met kennis van zaken en zich bewust van hun belangen hun cassatieklachten formuleren. Dat betekent ook dat partijen ervan uit moeten kunnen gaan dat zij niet in een partijdebat terecht komen dat zij niet zelf zijn aangegaan, tenzij daar een zwaarwegende reden voor betstaat. Het staat ter beoordeling van de Hoge Raad of zo’n reden zich voordoet, maar de lat moet daarvoor hoog liggen. Door partijen de gelegenheid te geven zich naar aanleiding van een tussenarrest uit te laten kan de Hoge Raad weliswaar een verrassingsbeslissing voorkomen, maar voor partijen voelt dat mogelijk niet hetzelfde als een voldragen partijdebat over een in procesinleiding of verzoekschrift aangevoerde klacht. Een praktische maar niet onbelangrijke overweging is verder dat partijen (of één van hen) mogelijk geen toereikende financiële middelen hebben voor een extra ronde over een nieuwe kwestie, zeker als het daarbij om een bewerkelijke kwestie gaat.
partijen gelijk te behandelen. Ambtshalve aanvulling van een rechtsgrond ten gunste van de eiser kan diens procespositie aanzienlijk (en mogelijk beslissend) versterken. Daaraan dient wellicht minder zwaar getild te worden als bijvoorbeeld sprake is van een kwetsbare partij en in de in cassatie bestreden uitspraak onvoldoende recht is gedaan aan de door deze partij in hoger beroep naar voren gebrachte standpunten. Daar staat tegenover dat de Hoge Raad een beroep sowieso kan
verwerpenop een ambtshalve bijgebrachte grond. Dat de Hoge Raad, binnen de grenzen van het ontsloten gebied, hetzelfde kan ter ondersteuning van het middel, draagt in zoverre wellicht aan gelijke behandeling bij, zo zou men kunnen zeggen.
belastingvan de Hoge Raad. De vrees voor overbelasting is een van de redenen waarom bijvoorbeeld de gronden voor cassatie tegen een niet-appellabele beslissing van de kantonrechter zijn beperkt (art. 80 lid 1 RO Pro). Die zelfde vrees voor overbelasting lijkt tevens een van de redenen waarom de Hoge Raad het verbod op ambtshalve cassatie in art. 419 lid 1 Rv Pro strikt naleeft. Hoewel ik zelf nog wel eens geneigd ben om zorgen omtrent overbelasting wat te relativeren, valt niet te ontkennen dat het openen van een nieuw partijdebat op een ambtshalve aangevoerde grond voor meer werk zorgt, voor alle geledingen van de civiele sector van de Hoge Raad. Als het moet dan moet het, maar voor de gemiddelde doorlooptijd is het niet bevorderlijk.
het door het incidentele middel ontsloten gebied, zoals in het tussenarrest impliciet wordt aangenomen? Kwantum neemt in haar uitlating van 4 november 2022 het standpunt in dat dit
niethet geval is. Zij licht dat standpunt als volgt toe. [140]
dat art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie niet van toepassing is ten aanzien van de DSW in haar hoedanigheid van model" [142] (maar wel in haar hoedanigheid van werk van toegepaste kunst). Het hof heeft dit betoog verworpen (
rov. 41-43)omdat, samengevat, de Nederlandse noch de Belgische wetgever een apart beschermingsregime heeft willen creëren voor tekeningen en modellen van nijverheid, naast een regime voor werken van (op nijverheid) toegepaste kunst.
van toepassingis op 'werken van toegepaste kunst' – die toets óók van toepassing is op 'tekeningen en modellen van nijverheid'. Dát is volgens Kwantum het door het middel ontsloten gebied.
werken van toegepaste kunstuit een derde land.
Samenvatting en slotsom
CILFIT/Consorzio’-criterium [145] om uit te maken of de Hoge Raad gehouden is prejudiciële vragen te stellen. Gezien de weerbarstigheid van de materie (tot uitdrukking komend in de lengte van deze conclusie) wil ik geen moment suggereren dat over het antwoord op alle vragen die het RAAP-arrest doet rijzen geen redelijke twijfel kan bestaan. Punt is echter dat uw Raad om de zojuist genoemde redenen aan die vragen niet toe zou moeten komen, zodat een prejudiciële beslissing daarover niet noodzakelijk is om dit geding te kunnen beslissen.
Land Rover/Ineos. Ik heb vastgesteld dat in die zaak cassatie is ingesteld (ingeschreven onder zaaknr. 22/04036) en dat daarin beroep wordt gedaan op het RAAP-arrest en op het tussenarrest. Aan de orde is onder meer of de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC Pro in de weg staat aan auteursrechtelijke bescherming en of de daaruit voortvloeiende beperking op de uitoefening van het auteursrecht op een gebruiksvoorwerp verenigbaar is met het Unierecht.