Conclusie
1.Inleiding 1.1-1.7
2.Feiten en procesverloop 2.1-2.10
3.Juridisch kader: art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie 3.1
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele
6.Slotsom en afdoening 6.1-6.5
7.Conclusie
1.Inleiding
Dining Sidechair Wood(hierna:
DSW), een Amerikaanse designstoel uit de jaren ‘40 van de vorige eeuw. Verweerster in cassatie (hierna:
Vitra) is de beweerde auteursrechthebbende. Eiseressen tot cassatie (hierna gezamenlijk:
Kwantum) zijn de beweerde inbreukmakers. Zij zijn aanbieders van een vrijwel identieke nabootsing van de DSW in Nederland en België.
BC), [2] het belangrijkste wereldwijde auteursrechtenverdrag. Die bepaling onderwerpt de internationale auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst (zoals designmeubelen) aan een voorwaarde van materiële reciprociteit (hierna: de
materiële reciprociteitstoets). Deze toets strekt ertoe, aldus de Hoge Raad in het arrest
MAG/Edco c.s.uit 2011 (hierna: het
MAG/Edco-arrest), [3] dat aan een voorwerp als werk van toegepaste kunst geen auteursrechtelijke bescherming wordt geboden als die in het land van oorsprong niet aan dit voorwerp toekomt. Net als in de onderhavige zaak waren in de zaak
MAG/Edcode Verenigde Staten het land van oorsprong van de betrokken voorwerpen.
beschermbaaris als werk van toegepaste kunst met als gevolg dat het ontwerp hier ook als zodanig beschermd is (standpunt Vitra). In het standpunt van Kwantum spelen individuele omstandigheden een rol (zoals het feit dat bescherming in de Verenigde Staten ontbrak omdat niet was voldaan aan het vereiste van een
copyright notice). Vitra abstraheert juist van dergelijke individuele omstandigheden.
gekwalificeerdals een werk van toegepaste kunst en doet niet ter zake of het stoelontwerp in de Verenigde Staten ook daadwerkelijk auteursrechtelijke bescherming geniet. Bepalend is weliswaar
hetconcrete ontwerp (en niet een bepaalde categorie van ontwerpen), maar van individuele omstandigheden die aan auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong in de weg staan wordt geabstraheerd. De door het hof gevolgde benadering noem ik in deze conclusie de ‘
semi-concrete toets’. Naar mijn mening heeft het hof een maatstaf aangelegd, die afwijkt van het
MAG/Edco-arrest van de Hoge Raad. Hierover gaat
onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel, dat mijns inziens doel treft.
Star Athletica-uitspraak). [5] Volgens het hof heeft deze uitspraak de auteursrechtelijke beoordeling van het onderhavige geschil gewijzigd. De betekenis van deze uitspraak is echter, ook in de Verenigde Staten zelf, omstreden.
Star Athletica-uitspraak. Voor de periode daarvóór heeft Kwantum zich met de door haar aangeboden ‘Paris’ stoel schuldig gemaakt aan slaafse nabootsing van het stoelontwerp van Vitra.
Star Athletica-uitspraak voor het Amerikaanse auteursrecht inzake werken van toegepaste kunst;
vangnetbepaling), zoals uitgelegd door de Hoge Raad in het arrest
Impag/ […]uit 2001 (hierna: het
Impag/ […]-arrest); [6]
TRIPs-overeenkomstof
TRIPs); [7]
Verdrag van Parijs); [8]
Beschermingsduurrichtlijn), [9] zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in het arrest
Sony/Falconuit 2009 (hierna: het
Sony/Falcon-arrest). [10]
2.Feiten en procesverloop
Dining Sidechair Wood(DSW). De DSW is ontworpen door het Amerikaanse echtpaar Charles en Ray Eames, die beiden inmiddels (in 1978 respectievelijk 1988) zijn overleden.
Museum of Modern Art(MoMA) in New York in 1948 heeft uitgeschreven. [12] Deze groep stoelen is vanaf 1950 tentoongesteld in dit museum.
Deed of Transfer of Ownership’. [13] In cassatie staat niet ter discussie dat eventuele auteursrechten ter zake van de DSW (die in cassatie wél ter discussie staan) krachtens deze overeenkomst zijn overgedragen aan Vitra. [14]
zaak I), [18] ingeleid bij dagvaarding van 23 februari 2015, heeft Vitra gevorderd Kwantum te veroordelen (a) tot staking van de gestelde inbreuk op het auteursrecht van Vitra op het ontwerp van de DSW, (b) tot het doen van opgave van gegevens met betrekking tot de inbreuk, (c) tot afgifte ter vernietiging van de Paris-stoelen, (d) tot veroordeling van Kwantum tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en (e) tot inzage in bewijs dat ten laste van Kwantum Nederland in beslag is genomen, met veroordeling van Kwantum in de proceskosten op de voet van art. 1019h Rv. Aan deze vorderingen heeft Vitra
primairten grondslag gelegd dat Kwantum door het verhandelen van de Paris-stoel inbreuk maakt op het auteursrecht van Vitra op het ontwerp van de DSW.
Subsidiairheeft Vitra zich beroepen op slaafse nabootsing van de DSW door Kwantum. [19]
zaak II), [20] ingeleid bij dagvaarding van 20 februari 2015, heeft Kwantum gevorderd (a) verklaringen voor recht inhoudende dat Kwantum géén inbreuk maakt op auteursrechten van Vitra, dat de Paris-stoel géén slaafse nabootsing is van de DSW, dat Kwantum daarom níet onrechtmatig handelt jegens Vitra en níet is gehouden tot schadevergoeding aan Vitra, (b) opheffing van de gelegde beslagen, althans veroordeling van Vitra tot het doen opheffen van die beslagen en tot teruggave van de in beslag genomen zaken alsmede (c) veroordeling van Vitra tot vergoeding van gederfde winst, op te maken bij staat, en geleden schade bestaande uit de kosten van het kort geding (met rente), dit alles met veroordeling van Vitra in de proceskosten op de voet van art.1019h Rv (met rente). [21]
Sony/Falcon-arrest, faalt dat beroep. De rechtbank komt immers pas toe aan toepassing van het nationale auteursrecht indien de DSW op grond van art. 2 lid 7 BC Pro in Nederland en België kan worden beschermd als werk van kunst. Dat is hier niet het geval (rov. 4.16).
MAG/Edco-arrest van de Hoge Raad strekt art. 2 lid 7 BC Pro ertoe dat aan een voorwerp van toegepaste kunst auteursrechtelijk geen bescherming wordt geboden als die bescherming in het land van oorsprong niet aan dit voorwerp toekomt. De materiële reciprociteitstoets dient, met andere woorden, gericht te zijn op het al dan niet bestaan van auteursrechtelijke bescherming van het litigieuze werk in het land van oorsprong (rov. 4.19).
Impag/ […]-arrest volgt dat de vangnetbepaling op abstracte wijze moet worden getoetst (rov. 4.29 e.v.).
Impag/ […]-arrest van de Hoge Raad is te geven (rov. 4.37).
Umfeld’ (bestaande uit afbeeldingen van andere, gelijksoortige stoelen die in augustus 2014 op de markt waren) heeft Vitra onvoldoende onderbouwd dat de DSW ten tijde van het op de markt brengen van de Paris-stoel (nog) een zodanig eigen gezicht had, dat er gevaar voor verwarring tussen de DSW en de Paris-stoel is (rov. 4.43).
het hof). Onder aanvoering van veertien grieven [23] heeft zij in beide zaken vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd, toewijzing van haar vorderingen in zaak I en veroordeling van Kwantum tot terugbetaling van hetgeen Vitra ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Kwantum had voldaan (met rente), met veroordeling van Kwantum in de kosten van de beide instanties op de voet van art. 1019h Rv. Bij memorie van grieven heeft Vitra haar eis in zaak I gewijzigd om buiten twijfel te stellen dat het gevorderde verbod en de gevorderde schadevergoeding mede berustten op de subsidiaire grondslag van slaafse nabootsing. [24]
rov. 13 e.v. (hoofdstuk VI)zet het hof de
bescherming van ‘voortbrengselen van vormgeving’ [27] in het intellectuele eigendomsrecht uiteen. Vitra beroept zich primair op auteursrechtelijke bescherming voor de DSW (rov. 17) en subsidiair op slaafse nabootsing van de DSW (rov. 19). In confesso is dat de DSW in Nederland en België geen modellenrechtelijke bescherming geniet (rov. 18).
rov. 20 e.v. (hoofdstuk VII)zet het hof het stelsel van
auteursrechtelijke bescherming onder de Berner Conventieuiteen. Het hof stelt voorop dat de DSW een ‘buitenlands’ voortbrengsel van vormgeving is. Niet in geschil is dat de DSW voor het eerst in de Verenigde Staten is ‘uitgegeven’ en dat haar makers (uitsluitend) de Amerikaanse nationaliteit hadden (rov. 20). Dit betekent dat de Nederlandse en Belgische auteurswetten geen of beperkte bescherming bieden (rov. 21).
rov. 35 e.v. (hoofdstuk IX)bespreekt het hof het beroep van Vitra op art. 3 lid 1 van Pro de
TRIPs-overeenkomst. Vitra betoogt in dit verband dat in art. 10 lid 1 sub Pro 11 van de Nederlandse Auteurswet (hierna:
Aw) en het Belgische Koninklijk Besluit nr. 91 van 29 januari 1935 (hierna:
KB 1935 [29] ) een apart beschermingsregime voor ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ is gecreëerd, waarop art. 2 lid 7 BC Pro niet van toepassing zou zijn.
rov. 41-43verwerpt het hof dit betoog. Tegen deze verwerping is
onderdeel 1 van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddelgericht.
rov. 46 e.v. (hoofdstuk X)bespreekt het hof het beroep van Vitra op art. 2 lid 1 en Pro art. 5 quinquies Pro van het
Verdrag van Parijs. Ook in dit kader beroept Vitra zich erop dat in art. 10 lid 1 sub Pro 11 Aw en KB 1935 een apart beschermingsregime voor ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ zou zijn gecreëerd.
rov. 49-57verwerpt het hof ook dit betoog. Tegen deze verwerping is
onderdeel 2 van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddelgericht.
rov. 61 e.v. (hoofdstuk XII)bespreekt het hof het beroep van Vitra op art. 10 lid 2 van Pro de
Beschermingsduurrichtlijn, zoals door het Hof van Justitie uitgelegd in het
Sony/Falcon-arrest. Vitra betoogt in dit verband dat de DSW op 1 juli 1995 auteursrechtelijke bescherming genoot in Duitsland en dat hieruit volgt dat de DSW die bescherming ook geniet in andere EU-lidstaten, waaronder Nederland en België.
rov. 63verwerpt het hof dit betoog. Tegen deze verwerping is
onderdeel 3 van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddelgericht.
rov. 65 e.v. (hoofdstuk XIII)resumeert het hof zijn eerdere oordelen (rov. 65) en introduceert het de regeling van
art. 2 lid 7 BC Pro(rov. 66 e.v.).
geen zelfstandige klachtengericht. [30]
rov. 80 e.v. (hoofdstuk XIV)bespreekt het hof eerst Vitra’s beroep op de
vangnetbepaling. Sinds 1 januari 1975 kennen Nederland en België een wettelijke regeling inzake modelbescherming als bedoeld in de vangnetbepaling: de Beneluxwet inzake tekeningen of modellen (hierna:
BTMW [31] ), die in 2006 is vervangen door het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (hierna:
BVIE [32] ) (rov. 83-85).
Impag/ […]-arrest anders beslist (rov. 94 e.v.). Het hof volgt die beslissing. De DSW valt daarom niet onder de vangnetbepaling (rov. 100).
rov. 94-100van Vitra’s beroep op de vangnetbepaling is
onderdeel 4 van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddelgericht.
rov. 101 e.v. (hoofdstuk XV)zet het hof de inhoud en reikwijdte van de
materiële reciprociteitstoetsuiteen.
referentiepunt’ van de materiële reciprociteitstoets: de vraag waarop die toets zich precies richt (rov. 105). In het
MAG/Edco-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gaat om de behandeling van het concrete voorwerp in het land van oorsprong (rov. 106). Het hof ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het gaat er dus om hoe de DSW in de Verenigde Staten wordt behandeld (rov. 107).
concrete toets’ van de materiële reciprociteit zijn in cassatie
geen klachtengericht.
karakter’ van de (concrete) materiële reciprociteitstoets. Daarbij stelt het hof voorop dat het níet gaat om een zogeheten ‘relatieve’ toets, waarbij het vreemde voorwerp in het aangezochte land niet méér bescherming krijgt dan in het land van oorsprong en het beschermingsniveau in het aangezochte land als het ware neerwaarts wordt bijgesteld naar het beschermingsniveau in het land van oorsprong. Het gaat om een ‘absolute’ toets met een ‘alles-of-niets’ karakter (rov. 109).
welkeeis precies wordt gesteld’ (rov. 110). Naar het oordeel van het hof heeft de materiële reciprociteitstoets alleen betrekking op de
kwalificatievan het voorwerp: vereist, en tevens voldoende is dat het concrete voorwerp in het land van oorsprong wordt aangemerkt als ‘werk van toegepaste kunst’, dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming (rov. 111 e.v.). Het gaat er dus niet om of het concrete voorwerp in het land van oorsprong daadwerkelijk auteursrechtelijke bescherming geniet (rov. 114). Ook het
Mag/Edco-arrest moet aldus worden verstaan, aldus het hof (rov. 115). In dit verband merkt het hof op dat de materiële reciprociteitstoets betrekking heeft op het moment c.q. tijdvak waarvoor de bescherming wordt ingeroepen (rov. 116).
rov. 108-116voor een ‘absolute materiële-reciprociteitstoets m.b.t. kwalificatie voorwerp’ is
onderdeel 1 van het principale cassatiemiddelgericht. Dit is wat ik hiervoor heb aangeduid als de semi-concrete toets.
gevolg’ indien niet wordt voldaan aan de materiële reciprociteitstoets. Dat gevolg houdt in dat aan het betrokken voorwerp alleen ‘specifieke (sui generis) modelrechtelijke bescherming’ toekomt, en niet de bescherming van ‘een (mogelijk apart) auteursrechtelijk beschermingsregime’ (rov. 117), dus ook niet de beweerde ‘bijzondere bescherming’ uit hoofde van KB 1935, waarop Vitra zich heeft beroepen (rov. 118).
rov. 117-118van Vitra’s beroep op een aan art. 2 lid 7 BC Pro onttrokken bijzonder auteursrechtelijk beschermingsregime is
onderdeel 5 van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddelgericht.
rov. 121 e.v. (hoofdstuk XVI)komt het hof toe aan een
toepassingvan de materiële reciprociteitstoets, zoals nader gepreciseerd in rov. 105 e.v., op de voorliggende zaken. Het gaat bij deze toepassing om de vraag of de DSW in de Verenigde Staten thans (voor het tijdvak waarvoor in deze zaak bescherming wordt ingeroepen) moet worden gekwalificeerd als werk van toegepaste kunst (rov. 121). Verderop spreekt het hof over ‘de vraag naar de auteursrechtelijke beschermbaarheid van de DSW onder Amerikaans recht’ (rov. 127).
feitelijkgeen auteursrechtelijke bescherming in de Verenigde Statenheeft genoten (rov. 128). [34] De omstandigheid dat de DSW in de Verenigde Staten feitelijk geen auteursrechtelijke bescherming heeft genoten of geniet, brengt volgens het hof evenwel niet mee dat de DSW op grond van de materiële reciprociteitstoets in andere verdragsstaten niet mag worden gekwalificeerd als werk van toegepaste kunst (rov. 129).
Star Athletica-uitspraak. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. In dat kader benoemt het hof een drietal ‘vormgevingskenmerken’ van de DSW (rov. 142), die volgens het hof meebrengen dat de vormgeving van de DSW thans in de Verenigde Staten wordt aangemerkt als ‘work of authorship’ c.q. ‘sculptural work’ als bedoeld in § 102(a) van de Copyright Act 1976 (rov. 143). Het hof concludeert hieruit dat is voldaan aan de materiële reciprociteitstoets (rov. 146). Dat naar Amerikaans recht wellicht aan de DSW slechts een geringe beschermingsomvang toekomt, acht het hof niet van belang (rov. 147).
rov. 121-152van de materiële reciprociteitstoets op de kwalificatie van de DSW naar Amerikaans auteursrecht is
onderdeel 1 van het principale cassatiemiddelgericht.
Onderdeel 3 van het principale cassatiemiddelklaagt meer concreet over de motivering van het oordeel in
rov. 142-143over de toepassing van § 102(a) van de Copyright Act 1976 op de vormgevingskenmerken van de DSW.
temporele reikwijdtevan de uitleg die in de
Star Athletica-uitspraak is gegeven aan de Copyright Act 1976. Aangenomen moet worden dat de vormgeving van de DSW in het pre-
Star Athletica-tijdperk niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kwam (rov. 150).
Star Athletica-uitleg zich ook uitstrekt tot 1 januari 1978 kan in het midden blijven, nu Vitra’s auteursrechtelijke vorderingen, voor zover gebaseerd op de stellingname dat aan de materiële reciprociteitstoets is voldaan, uitsluitend zien op de periode vanaf 22 maart 2017, de datum van de
Star Athletica-uitspraak (rov. 151). In zoverre slaagt grief 3, betreffende de uitleg en toepassing van de materiële reciprociteitstoets (rov. 152 [35] ).
rov. 151van de temporele reikwijdte van Vitra’s auteursrechtelijke vorderingen (en tegen de daarop voortbouwende slotsom in
rov. 223 en 225dat die vorderingen slechts toewijsbaar zijn voor de periode vanaf 22 maart 2017) is
onderdeel 7 van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddelgericht.
rov. 153 e.v. (hoofdstuk XVII)behandelt het hof het beroep van Kwantum op art. 7 lid 8 van Pro de Berner Conventie, dat een materiële reciprociteitstoets bevat met betrekking tot specifiek de
beschermingsduurvan het auteursrecht. Dit beroep faalt, omdat vaststaat dat de DSW feitelijk nooit auteursrechtelijke bescherming heeft genoten in de Verenigde Staten. Bij gebreke van een beschermingsduur in het land van oorsprong is het maken van een duurvergelijking niet mogelijk, zodat art. 7 lid 8 BC Pro buiten toepassing blijft (rov. 157). Verdedigbaar is dat in zo’n geval inkorting van de beschermingsduur kan plaatsvinden tot de in art. 7 lid 4 BC Pro voorgeschreven minimumduur, maar die benadering is geen geldend recht (rov. 158).
rov. 157-158van Kwantums beroep op inkorting van de beschermingsduur van het auteursrecht (tot nihil respectievelijk tot de minimumduur) is
onderdeel 2 van het principale cassatiemiddelgericht.
rov. 157 en 160is
onderdeel 6 van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddelgericht.
rov. 175 e.v. (hoofdstuk XX)bespreekt het hof Vitra’s subsidiaire beroep op onrechtmatig handelen van Kwantum, meer in het bijzonder
slaafse nabootsingvan de DSW.
GModVo [36] ).
rov. 179, 180 en 182van Kwantums beroep op negatieve reflexwerking is
onderdeel 4 van het principale cassatiemiddelgericht.
rov. 185 e.v.honoreert het hof Vitra’s beroep op
slaafse nabootsing naar Nederlands recht. Op basis van Vitra’s nadere stellingname in hoger beroep oordeelt het hof, anders dan de rechtbank (in rov. 4.43 van het bestreden vonnis), dat de DSW een ‘eigen gezicht’ heeft op de relevante markt (rov. 207) en dat de Paris-stoel van Kwantum nodeloos verwarringsgevaar veroorzaakt bij het relevante publiek, nu het een vrijwel identieke nabootsing betreft (rov. 208). De slotsom is dat Kwantum door de Paris-stoel in Nederland op de markt te brengen onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vitra (rov. 210).
geen zelfstandige klachten gericht.
rov. 211 e.v.honoreert het hof Vitra’s beroep op
slaafse nabootsing naar Belgisch recht.
rov. 215) is
onderdeel 5 van het principale cassatiemiddelgericht.
rov. 222 e.v. (hoofdstuk XXI)komt het hof tot de
slotsomdat Vitra’s vorderingen op auteursrechtelijke grondslag toewijsbaar zijn vanaf 22 maart 2017 (rov. 223) en op grond van slaafse nabootsing voor de periode daarvóór (rov. 225).
rov. 228 e.v. (hoofdstuk XXII)behandelt het hof de uit te spreken
proceskostenveroordelingop de voet van art. 1019h Rv. Het hof overweegt dat Kwantum, als de in het ongelijk te stellen partij, zal worden veroordeeld in de kosten van de beide instanties in beide zaken (rov. 228). Naar aanleiding van bezwaren van Kwantum tegen de hoogte van de door Vitra opgevoerde proceskosten (rov. 229) stelt het hof de te vergoeden proceskosten vast met toepassing van de Indicatietarieven in IE-zaken, zowel voor de eerste aanleg (rov. 230 e.v.) als voor het hoger beroep (rov. 237 e.v.).
rov. 228-236betreffende de proceskostenveroordeling in eerste aanleg is
onderdeel 7 van het principale cassatiemiddelgericht.
3.Juridisch kader: art. 2 lid 7 Berner Pro Conventie
Berner Conventievan 1886 is tussen de betrokken staten een ‘Unie voor de bescherming van de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst’ tot stand gekomen (art. 1 BC Pro). [37] Zowel Nederland, België als de Verenigde Staten (sinds 1989) zijn aangesloten bij de (laatste versie van) Berner Conventie. [38]
Parijse versievan 1971 is hier van toepassing. [39] Voor de uitleg daarvan zijn ook de eerdere versies en hun totstandkomingsgeschiedenis van belang. Art. 32 van Pro het Weens Verdragenverdrag (hierna:
WVV [40] ) noemt immers de totstandkomingsgeschiedenis van verdragen (‘
travaux préparatoires’) als aanvullende interpretatiebron. [41] Voor de verdragshistorische betekenis van art. 2 lid 7 BC Pro zijn met name de
Brusselse versievan 1948 (waarin de materiële reciprociteitstoets werd geïntroduceerd, in het toenmalige art. 2 lid Pro 5) en de
Stockholmse versievan 1967 (waarin de vangnetbepaling werd geïntroduceerd, in het huidige art. 2 lid Pro 7) van belang. [42]
World Intellectual Property Organization(WIPO) zijn gepubliceerd. [43] De Franstalige notulen van de Brusselse versie zal ik hierna aanduiden als
Actes BC 1948. [44] De Engelstalige notulen van de Stockholmse versie zal ik aanduiden als
Records BC 1967. [45] Voor de goede orde merk ik op dat deze notulen voornamelijk een inventarisatie van tekstvoorstellen, amendementen en beraadslagingen bevatten (enigszins vergelijkbaar met de Handelingen van de Staten-Generaal). Het is daardoor niet altijd eenvoudig om daaruit eenduidige conclusies te trekken.
Verdrag van Parijs. Met dat verdrag kwam tussen de betrokken staten een ‘Unie tot bescherming van de industriële eigendom’ tot stand. Waar de Berner Conventie dus het internationale
auteursrechtbeheerst, bestrijkt het Verdrag van Parijs het terrein van de
industriële eigendom, waaronder het modellenrecht. [46] Men herkent in deze tweedeling het klassieke onderscheid tussen ‘intellectuele eigendom’ enerzijds (waaronder van oudsher vooral het auteursrecht werd begrepen, dus de bescherming van intellectuele prestaties van auteurs) en ‘industriële eigendom’ anderzijds (de bescherming van technologische ontwikkelingen in de industrie). Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw is het gebruikelijk geworden om de industriële eigendom als onderdeel van de intellectuele eigendom in brede zin te beschouwen.
TRIPs-overeenkomst, die in 1994 tot stand is gekomen en het gehele terrein van ‘de handelsaspecten van intellectuele eigendom’ bestrijkt. De artikelen 9 e.v. TRIPs zijn gewijd aan het auteursrecht (‘
Copyright and related rights’). Art. 9 lid 1 verplicht Pro de verdragspartijen tot naleving van de materiële bepalingen van de Berner Conventie (art. 1-21 BC). De artikelen 25 e.v. TRIPs zijn gewijd aan het modellenrecht (‘
Industrial designs’). Art. 2 lid 2 en Pro 3 lid 1 TRIPs expliciteren dat deze overeenkomst geen afbreuk doet aan de inhoud van het Verdrag van Parijs en de Berner Conventie. Tegen deze achtergrond wordt de TRIPs-overeenkomst voor het auteursrecht wel als een ‘aanvulling op de BC’ betiteld. [48]
WCT) [49] uit 1996, dat in 2002 in werking is getreden en sinds 14 maart 2010 in Nederland van kracht is. Het WCT gaat over de bescherming van werken en de rechten van makers in de digitale omgeving. In wezen vormt dit verdrag een aanvulling op de Berner Conventie. Op grond van art. 1 lid 4 WCT Pro moeten de partijen bij dat verdrag de materiële bepalingen van de Berner Conventie (art. 1-21 BC) naleven. Op grond van art. 3 WCT Pro moeten de partijen bij dat verdrag de bepalingen van de artikelen 2 tot en met 6 van de Berner Conventie
mutatis mutandistoepassen met betrekking tot de bescherming waarin in het WCT is voorzien. De Europese Unie is partij bij dit verdrag, dat ten grondslag ligt aan Richtlijn 2001/29, de Auteursrechtrichtlijn. [50]
object and purpose’) als interpretatiebron noemt. [53] Genoemde doelstelling rechtvaardigt echter niet dat bij twijfel over de verdragsuitleg telkens die uitleg wordt gekozen die voor de rechthebbende(n) het gunstigst is. [54] De beoogde bescherming gaat immers volgens de preambule niet verder dan
mogelijkis geacht door de opstellers. Bovendien is die doelstelling slechts één van de interpretatiebronnen die bij de verdragsuitleg een rol kunnen spelen.
Art. 2 lid 6 BC Probepaalt dat de in het artikel genoemde voortbrengselen ‘bescherming in alle landen van de Unie’ genieten.
Art. 5 BC Proformuleert de uitgangspunten die deze bescherming beheersen.
assimilatiebeginsel, ook wel ‘gelijkstellingsbeginsel’ of ‘beginsel van nationale behandeling’ genoemd. Volgens deze bepaling genieten auteurs van werken van letterkunde en kunst (in de zin van art. 2 lid 1 BC Pro) in andere landen van de Unie van Bern de bescherming die de nationale auteurswetten van die landen aan eigen onderdanen toekennen, alsook de (minimum)bescherming waarin de Conventie voorziet. Dit beginsel heeft mede het karakter van een conflictregel: de inhoud van het auteursrecht wordt enerzijds bepaald door de ‘
lex loci protectionis’, de wetgeving van het land waar de auteursrechtelijke bescherming wordt gevraagd, en anderzijds door het ‘
ius conventionis’, de materiële regels uit de Conventie zelf. [56]
onafhankelijkheidsbeginsel, dat logisch voortvloeit uit de toepasselijkheid van de ‘
lex loci protectionis’ op grond van het eerste lid. Het tweede lid schrijft tevens voor dat het genot en de uitoefening van auteursrechten in de zin van het verdrag ‘aan geen enkele formaliteit onderworpen’ is. Dit is het zogenoemde
formaliteitenverbod, dat de harde kern vormt van het ‘
ius conventionis’. [57]
works of applied art’; ‘
œuvres des arts appliqués’) toegevoegd aan de indicatieve lijst van auteursrechtelijk te beschermen werken in art. 2 lid 1 BC Pro. Hieraan is veel discussie voorafgegaan. Van oudsher en tot op de dag van vandaag is namelijk wereldwijd omstreden hoe werken van toegepaste kunst (naar gelang van hun juridische status ook wel ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ of neutraal ‘voortbrengselen van vormgeving’ genoemd) moeten worden beschermd in het IE-recht. De controverse betreft enerzijds kunstwerken die zijn aangebracht
op of ingebruiksvoorwerpen (toegepaste kunst in de klassieke betekenis) en anderzijds gebruiksvoorwerpen die
zelfartistieke vormgevingskenmerken hebben (‘
industrial design’ in de moderne betekenis, zoals designmeubels)
. [58]
l’unité de l’art’, waarvan van oudsher Frankrijk de belangrijkste representant is. Dit systeem kent auteursrechtelijke bescherming toe aan alle werken van kunst, ongeacht hun eventuele toepassing op of in gebruiksvoorwerpen, en laat die bescherming onverkort cumuleren met een eventuele modellenrechtelijke bescherming (die doorgaans laagdrempeliger, maar ook beperkter van duur en omvang is). [60] Hiertegenover staat het systeem van ‘
duality of art’, waartoe vroeger Italië en de Verenigde Staten werden gerekend, en dat als uitgangspunt nog altijd herkenbaar is in de huidige Amerikaanse Copyright Act 1976. In dit systeem is de vormgeving van gebruiksvoorwerpen uitgesloten van auteursrechtelijke bescherming en wordt deze slechts door het modellenrecht beschermd onder de daarvoor geldende voorwaarden. Deze modellenbescherming wordt in de Verenigde Staten aangeduid als ‘
design patent’. Het derde systeem is een mengvorm van de beide systemen, ook wel aangeduid als ‘
partial cumulative approach’. Dit systeem, dat bijvoorbeeld in Duitsland waarneembaar is, houdt in dat voortbrengselen van vormgeving weliswaar auteursrechtelijke bescherming kunnen genieten, maar alleen onder bijkomende voorwaarden van originaliteit en kunstzinnigheid, zodat een eventuele samenloop met het modellenrecht beperkt is. Een atypische variant hiervan is het Nederlandse stelsel zoals dat tot 1975 bestond. Daarin werden ‘werken van op nijverheid toegepaste kunst’ auteursrechtelijk beschermd, maar bestond géén modellenrechtelijk beschermingsregime, zodat een samenloop van auteurs- en modellenrecht was uitgesloten. [61]
eerste elementvan de getroffen bijzondere regeling betreft de voorgeschreven bescherming van werken van toegepaste kunst. Enerzijds zijn deze werken in de ‘werkenlijst’ van
art. 2 lid 1 BC Proopgenomen als auteursrechtelijk te beschermen werken: [64]
art. 2 lid Pro 7, eerste volzin, BCbepaald dat het
toepassingsgebied en de voorwaardenvan de bescherming van ‘werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid’ (dus alle voortbrengselen van vormgeving) aan de Unielanden is overgelaten:
tweede elementvan de regeling, in
art. 2 lid Pro 7, tweede volzin (eerste deel), BCde materiële reciprociteitstoets opgenomen. Deze toets is vormgegeven als een samenloopregel, die exclusiviteit van het modellenrecht voorschrijft. Werken die in het land van oorsprong uitsluitend als model zijn beschermd, genieten ook in het aangezochte land uitsluitend modellenrechtelijke bescherming:
bestaat. [65] Om dit laatste verduidelijken is, als
derde elementvan de regeling, in
art. 2 lid Pro 7, tweede volzin (slotzinsnede), BCeen minimumvoorschrift opgenomen, dat in deze zaak wordt aangeduid als de vangnetbepaling. Deze bepaling schrijft voor dat bij gebreke van modellenrechtelijke bescherming in het aangezochte land het auteursrechtelijke regime (als enig beschikbare regime) moet worden toegepast:
uitzonderingop het normaliter in het internationale auteursrecht toegepaste assimilatiebeginsel. [66] De regeling heeft het karakter van een ‘
lex specialis’ [67] en komt erop neer dat werken van toegepaste kunst aan de uitgangspunten van art. 5 BC Pro zijn onttrokken. [68] Unielanden zijn niet alleen vrij om zelf de vorm en inhoud van de bescherming van deze werken te bepalen (art. 2 lid Pro 7, eerste volzin, BC, behoudens de in art. 7 lid 4 BC Pro voorgeschreven minimumduur [69] ), zij mogen [70] bovendien werken die in het land van oorsprong slechts als model beschermd zijn, discrimineren ten opzichte van werken van eigen bodem, door die buitenlandse werken slechts modellenrechtelijke bescherming toe te kennen (art. 2 lid Pro 7, tweede volzin, BC). De enige ondergrens die wordt gesteld, is dat er
eenbeschermings
regimevoor de werken moet openstaan (art. 2 lid Pro 7, slotzinsnede, BC).
eerste elementvan de regeling), was opgenomen in art. 2 lid 4 van Pro de Berlijnse versie uit 1908 (in welke versie werken van toegepaste kunst nog niet als auteursrechtelijk te beschermen werken waren aangemerkt). In art. 2 lid 4 van Pro de Berlijnse versie was kortweg bepaald dat werken van toegepaste kunst de bescherming genoten die de nationale wetgeving van het aangezochte land daaraan toekende. [71] Frankrijk had destijds, als voorvechter van ‘
l’unité de l’art’, een voorbehoud bij die bepaling gemaakt, zich beroepend op ‘
le manque de réciprocité inhérent à la solution conventionnelle actuelle’. [72] Frankrijk was, met andere woorden, niet bereid auteursrechtelijke bescherming te verlenen aan werken uit Unielanden die aan Franse werken slechts modellenrechtelijke bescherming toekenden.
‘sous-commission des arts appliqués’ een voorstel gedaan dat aan de Franse wensen tegemoet kwam (en de noodzaak voor het Franse voorbehoud wegnam). Volgens dit voorstel zouden werken van toegepaste kunst worden toegevoegd aan de indicatieve lijst van art. 2 lid Pro 1, maar zou de in art. 2 lid 4 van Pro de Berlijnse versie voorgeschreven nationale behandeling worden onderworpen aan een voorbehoud van materiële reciprociteit ten aanzien van de voorwaarden, de reikwijdte, de aard en de duur van de bescherming (‘
sous réserve de réciprocité quant aux conditions, à l’étendue, à la nature et à la durée de la protection’). [73] Dit is wat het hof in navolging van Schaafsma een ‘
relatieve reciprociteitstoets’ noemt: de bescherming in het aangezochte land zou volgens dit voorstel worden gelijkgetrokken met de bescherming in het land van oorsprong. [74] De Belgische delegatie onderschreef dit voorstel, met het argument dat art. 2 lid 4 van Pro de Berlijnse versie leidde tot een ongelijke behandeling van Unielanden en onrechtvaardig uitpakte voor landen zoals België en Frankrijk, die het principe van ‘
l’unité de l’art’ hanteerden. [75]
n’a pas eu pour effet de supprimer la disposition de l’ancien alinéa 4 de l’article 2’) en dat die regel als principe gehandhaafd is (‘
a été maintenue en son principe’). [76]
tweede elementvan de regeling) kreeg Frankrijk niet geheel haar zin. Italië had, als aanhanger van de ‘
duality of art’-benadering, bezwaar tegen een relatieve toetsing naar Frans model. In plaats daarvan stelde de Italiaanse delegatie een regeling voor die bij gebreke van auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong exclusiviteit van het modellenrecht voorschreef (het huidige art. 2 lid Pro 7, tweede volzin, BC). Het doel hiervan was, in de woorden van de voorzitter van de commissie, om beter te preciseren welk regime – hetzij auteursrechtelijk, hetzij modellenrechtelijk – van toepassing is op de bescherming van werken van toegepaste kunst (‘
de mieux préciser le régime applicable à un même objet protégé, dans les différents Pays de l'Union, tantôt comme œuvre d’art appliqué et tantôt comme dessin ou modèle industriel’). [77] Dit is wat het hof in navolging van Schaafsma een
absolute reciprociteitstoetsnoemt: het toepasselijke
beschermingsregime(auteursrecht of modellenrecht) wordt gelijkgetrokken met dat in het land van oorsprong, maar het
beschermingsniveauwordt uitsluitend door de wetgeving van het aangezochte land bepaald. [78] Hoewel de Franse delegatie vasthield aan de voorgestelde relatieve toets, werd het Italiaanse amendement aanvaard: in art. 2 lid Pro 5, tweede volzin, van de Brusselse versie werd de hiervoor geciteerde samenloopregel opgenomen die thans in art. 2 lid Pro 7, tweede volzin (eerste deel), BC is neergelegd. [79]
derde elementvan de regeling) is tijdens de Stockholmse conferentie van 1967 tot stand gekomen. De Duitse delegatie had de vraag opgeworpen of landen die géén modellenrechtelijk beschermingsregime kenden (zoals toen Nederland en België) op grond van de materiële reciprociteitstoets auteursrechtelijke bescherming konden onthouden aan werken uit landen met een exclusief modellenrechtelijk regime. Zelf beantwoordde de Duitse delegatie die vraag ontkennend: exclusiviteit van de modellenrechtelijke bescherming kon volgens Duitsland alleen aan de orde zijn ‘
if the laws of the countries in question recognize such protection’. [80] De Italiaanse delegatie onderschreef deze verduidelijking van haar eigen Brusselse tekst en stelde voor om aan het slot van de tweede volzin toe te voegen dat de regel uit de tweede volzin ‘
shall apply only if the legislation of countries other than the country of origin where protection is claimed accord special protection to designs and models’. Dit voorstel werd aangenomen en aldus geparafraseerd ‘
that a country which did not have special protection for designs and models should always protect works of applied art in accordance with the law of copyright’. [81]
wederkerigheidsgedachtedie in de naam ‘reciprociteitstoets’ tot uitdrukking komt en bijvoorbeeld ook ten grondslag ligt aan de reciprociteitstoets van art. 7 lid 8 BC Pro betreffende de beschermingsduur van het auteursrecht. Men spreekt in dit verband ook wel van ‘
quid pro quo’ of ‘
do ut des’: de internationale auteursrechtelijke bescherming mag geen ‘eenrichtingsverkeer’ zijn. [83] Voorkomen moet worden dat BC-landen die werken van toegepaste kunst wél auteursrechtelijk beschermen, gedwongen worden om deze bescherming ook toe te kennen aan ontwerpers van landen waar auteursrechtelijke bescherming niet is voorzien. Deze doelstelling komt duidelijk tot uitdrukking in de zojuist besproken totstandkomingsgeschiedenis.
prikkeluitgaat voor landen met een inferieur geacht beschermingsniveau (de ‘achterblijvers’) om dat beschermingsniveau te verhogen tot het superieur geachte beschermingsniveau van de andere landen (de ‘voorlopers’). [84] Deze
aansporingsgedachtekomt niet expliciet tot uitdrukking in de besproken totstandkomingsgeschiedenis, maar kan bijvoorbeeld aan Belgische en Franse zijde wel een rol hebben gespeeld. Schaafsma betoogt tegen deze achtergrond, meer in algemene zin, dat reciprociteitstoetsen een ‘tijdelijke remedie ter wille van het hogere doel’, namelijk unificatie van het auteursrecht, zijn. Hij beschouwt ze als een ‘noodzakelijk kwaad’ en pleit voor restrictieve interpretatie en (uiteindelijk) afschaffing ervan. [85] Ik merk hierbij op dat de doelstelling van unificatie van het auteursrecht juist met betrekking tot werken van toegepaste kunst niet is gerealiseerd. De Brusselse versie van de Berner Conventie markeerde, in de woorden van Ricketson en Ginsburg, ‘
the end of international efforts to bring industrial designs and models under the umbrella of artistic copyright’. [86]
duality of art’ aanhingen (en dus exclusieve toepassing van het modellenrecht op werken van toegepaste kunst voorstonden), ligt het niet voor de hand om de ratio van de materiële reciprociteitstoets te zoeken in de gedachte dat de auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst moet worden uitgebreid. Hun beweegreden was veeleer om een regeling te creëren die duidelijk maakte welke van de in andere landen cumulerende beschermingsregimes in grensoverschrijdende situaties toepasselijk zou zijn op werken van hun onderdanen, namelijk het modellenrecht, waaraan deze landen het primaat wilden geven. Men zou dit de
exclusiviteitsgedachtekunnen noemen. [87] Deze gedachte komt duidelijk tot uitdrukking in de omschrijving van het doel van het Italiaanse amendement dat aan de basis van art. 2 lid Pro 7, tweede volzin, BC heeft gelegen (hiervoor geciteerd in 3.25). Men herkent die gedachte ook in (de totstandkomingsgeschiedenis van) de vangnetbepaling: bij gebreke van een modellenrechtelijk beschermingsregime in het aangezochte land werd er geen beletsel gezien voor toepassing van het auteursrecht (ondanks het ontbreken van wederkerige auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong), omdat er in die situatie geen sprake is van samenlopende beschermingsregimes.
wederkerigheidsgedachte– de meest basale en zuivere doelstelling van iedere reciprociteitstoets – de doorslag moeten geven. Men bedenke hierbij dat er zonder wederkerigheid ook geen prikkelwerking kan uitgaan van de geboden bescherming: volgens de logica van ‘
do ut des’ worden Unielanden alleen gestimuleerd om hun beschermingsniveau te verhogen als zij ook daadwerkelijk merken dat de werken van hun onderdanen verstoken blijven van een elders geboden bescherming. Een reciprociteitstoets moet, met andere woorden, gehandhaafd worden om als ‘
incentive’ te kunnen fungeren. [88]
lex originis-voorwaarde’ – de voorwaarde dat sprake moet zijn van ‘werken, die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd’ (‘
Works protected in the country of origin solely as designs and models’; ‘
les œuvres protégées uniquement comme dessins et modèles dans le pays d’origine’) – roept vragen op.
auteursrechtelijkeaard stelt: zonder auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong genieten werken van toegepaste kunst ook geen auteursrechtelijke bescherming in het aangezochte land. [91] Deze benadering ligt voor de hand, aangezien het hier (mede) een samenloopregel betreft: de materiële reciprociteitstoets bepaalt wanneer het modellenrecht prevaleert boven het auteursrecht.
lex originis-voorwaarde’ concreet of abstract moet worden getoetst. Deze vraag stond centraal in het reeds genoemde en hierna te bespreken
MAG/Edco-arrest uit 2011. Bij een
abstracte toetsingvolstaat voor het aannemen van reciprociteit dat de
categorievan werken waartoe het litigieuze voorwerp behoort, in het land van oorsprong voor auteursrechtelijke bescherming
in aanmerking komt. De toetsing vindt plaats op ‘systeemniveau’ en is enkel gericht op de vaststelling van een eventuele auteursrechtelijke ‘beschermbaarheid’ van een bepaalde categorie van werken in zijn algemeenheid. Bij een
concrete toetsingmoet voor het aannemen van reciprociteit worden vastgesteld dat het
specifiekevoorwerp waarvoor bescherming in het aangezochte land wordt gevraagd (dus het werk in kwestie), in het land van oorsprong auteursrechtelijk
is beschermd. De toetsing is gericht op de vaststelling van de aanwezigheid van een daadwerkelijke auteursrechtelijke bescherming.
relatieve toetsingzoals hiervoor in 3.23 bedoeld. Bij een relatieve reciprociteitstoetsing wordt het auteursrechtelijke beschermingsniveau in het aangezochte land (neerwaarts) bijgesteld tot het beschermingsniveau in het land van oorsprong. In 3.25 bleek al dat dit systeem in art. 2 lid 7 BC Pro niet is gekozen. De materiële reciprociteitstoets heeft een alles-of-niets-karakter: als aan de ‘
lex originis-voorwaarde’ is voldaan, moet vervolgens op grond van de ‘
lex loci protectionis’ het auteursrechtelijke beschermingsniveau in het aangezochte land worden bepaald. Het onderscheid tussen concrete en abstracte toetsing betreft, met andere woorden, de
voorwaardenvoor het aannemen van reciprociteit (beschermbaarheid of daadwerkelijke bescherming in het land van oorsprong). Het onderscheid tussen absolute en relatieve toetsing betreft daarentegen de
rechtsgevolgenvan ontbrekende reciprociteit (geen bescherming of een verminderde bescherming in het aangezochte land).
isbeschermd, met als gevolg dat het ook geen auteursrechtelijke bescherming geniet in het aangezochte land. Zulke bijzonderheden kunnen ook meebrengen dat een concrete toets bewerkelijker is voor rechters in het aangezochte land. De abstracte toetsing kan echter ook de nodige hoofdbrekens opleveren. [92]
concretetoetsing, met dien verstande dat deze toetsing zou moeten worden beperkt tot de auteursrechtelijke ‘
kwalificatievan het concrete werk in zijn land van oorsprong’. [94] Dat is wat ik hiervoor heb aangeduid als de ‘semi-concrete toets’.
MAG/Edco-arrest, waarin het ging om auteursrechtelijke bescherming van Amerikaanse zaklampen, heeft de Hoge Raad echter in principiële termen en zonder voorbehoud gekozen voor
concrete toetsingvan de materiële reciprociteit. Daarmee volgde de Hoge Raad de conclusie van A-G Verkade, die in zijn conclusie alle voor- en tegenargumenten had opgesomd en afgewogen en uiteindelijk koos voor concrete toetsing. [95] Het
MAG/Edco-arrest maakt niet alleen duidelijk
datde materiële reciprociteit concreet moet worden getoetst, maar ook
hoeconcreet, namelijk
zo concreet mogelijk, aan de hand van ‘alle factoren’ die bepalend zijn voor de auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong. Ik citeer de desbetreffende overwegingen van de Hoge Raad integraal (mijn onderstrepingen):
dat aan een voorwerp als werk van toegepaste kunst auteursrechtelijk geen bescherming wordt geboden als die in het land van oorsprong niet aan dit voorwerp toekomt.
rechtsbescherming biedt die zo veel mogelijk gelijk isaan de rechtsbescherming die zou zijn geboden indien de zaak zou zijn berecht door de rechter van het land van oorsprong. De rechter zal dan ook bij het uitvoeren van die toets dienen te letten op
alle factoren die in het land van oorsprong bepalend zijnvoor de
vraag of, en zo ja, in hoeverrede partij die in Nederland aanspraak maakt op auteursrechtelijke bescherming van het betrokken voorwerp als werk van toegepaste kunst,
in het land van oorsprong een zodanige bescherming geniet. Tot de genoemde factoren behoren onder meer niet alleen de in het land van oorsprong bestaande
algemene of categoriale uitsluiting van of drempels voor auteursrechtelijke beschermingvan werken van toegepaste kunst als die van het voorwerp waarover de rechter heeft te beslissen, maar
ook de in het bijzonder met het concrete werk samenhangende factorendie in de weg (zouden) staan aan auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong.
auteursrechtelijke bescherming aan het betrokken voorwerpals werk van toegepaste kunst
toekomt, dan zal de rechter vervolgens naar de hier te lande geldende regels hebben te beoordelen of die bescherming ook in Nederland moet worden verleend.
auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong niet alleen niet is uitgesloten maar ook met betrekking tot het voorwerp waarvoor die bescherming wordt ingeroepen, wordt geboden. Immers, alleen als dit naar het oordeel van de rechter voldoende komt vast te staan, kan aan die partij die auteursrechtelijke bescherming in Nederland worden toegekend.” [96]
MAG/Edco-arrest de concrete toetsing in de auteursrechtelijke literatuur als een gegeven wordt aanvaard. Zo zijn Spoor/Verkade/Visser ‘omgegaan’:
kwalificatievan het concrete werk (en geen rekening wordt gehouden met zaken als beschermingsduur en formaliteiten die aan auteursrechtelijke bescherming van het werk in het land van oorsprong in de weg kunnen staan) heeft voor zover ik heb kunnen nagaan geen navolging gevonden in literatuur en evenmin in de rechtspraak. [99] Het enige mij bekende precedent is het bestreden arrest van het gerechtshof Den Haag. Dat het
MAG/Edco-arrest ‘aldus moet worden verstaan’, zoals het hof overweegt (rov. 115), vind ik daarom moeilijk te volgen. Het komt mij voor dat het hof juist van de door de Hoge Raad gekozen benadering is afgeweken door de concrete toets in te beperken en te nuanceren. Goed beschouwd tendeert de door het hof aangelegde maatstaf naar een abstracte toetsing: een onderzoek naar de auteursrechtelijke
beschermbaarheidvan voorwerpen als de DSW in de Verenigde Staten. [100]
vangnetbepalingin de slotzinsnede van art. 2 lid 7 BC Pro heeft een vergelijkbare vraag opgeleverd als de daaraan voorafgaande zin: moet de ‘
lex loci protectionis-voorwaarde’ – de voorwaarde dat in het aangezochte land ‘geen zodanige bijzondere bescherming’ (van tekeningen en modellen) wordt toegekend – concreet of abstract worden getoetst?
Impag/ […]-arrest uit 2001 (dat ook wel als het ‘vijfspellen-arrest’ wordt aangeduid) heeft de Hoge Raad een
abstractetoepassing gegeven aan de vangnetbepaling. Het ging in die zaak om Amerikaanse spellen waarvan in cassatie vaststond dat zij in de Verenigde Staten alleen als modellen beschermd werden. Op grond van de materiële reciprociteitstoets kwamen deze spellen dus niet voor auteursrechtelijke bescherming in Nederland in aanmerking. De vraag rees vervolgens of de maker zich op de vangnetbepaling kon beroepen. De president in kort geding beantwoordde die vraag bevestigend, omdat de spellen dateerden van vóór 1975 en aldus buiten het temporele toepassingsgebied van de BTMW vielen. Het hof verenigde zich hiermee, maar de Hoge Raad casseerde.
Impag/ […]. Onderdeel 9 van het cassatiemiddel, waaraan de geciteerde overweging refereert, bestreed als onjuist het standpunt dat door invoering van de vangnetbepaling (voor Nederland in 1985) met terugwerkende kracht, auteursrechtelijke bescherming zou zijn verleend aan reeds voordien in de openbaarheid gebrachte en
om deze redenin het publieke domein gevallen werken van toegepaste kunst. Hieruit blijkt dat de vraag naar de toepasselijkheid van de vangnetbepaling op werken die door hun ouderdom buiten het temporele toepassingsgebied van de BTMW vallen, in cassatie uitdrukkelijk was voorgelegd. [102]
Impag/ […]-arrest (impliciet) is uitgegaan van een
abstracte toetsingvan de vangnetbepaling. [103] Volgens deze toetsing volstaat voor het aannemen van exclusiviteit van het modellenrecht de aanwezigheid van een modellenrechtelijk
beschermingsregimein het aangezochte land, ongeacht de concrete bescherming die dit regime de rechthebbende op het betrokken werk of voorwerp al dan niet biedt. [104]
regelingvoor de bescherming van tekeningen en modellen ontbreekt’. [105] In de auteursrechtelijke literatuur wordt ook uitgegaan van een abstracte toetsing van de vangnetbepaling, onder meer door Schaafsma, [106] die echter – ook op dit punt – verder nuancerend heeft bepleit om werken die niet modellenrechtelijk zijn beschermd omdat zij buiten het
temporele toepassingsgebiedvan de modellenwetgeving vallen (zoals de spellen uit het
Impag/ […]-arrest) bij wijze van uitzondering toch te laten profiteren van de vangnetbepaling, om te voorkomen dat zulke werken ‘tussen wal en schip’ vallen. [107]
heeft, maar dit regime het litigieuze voorwerp geen
beschermingbiedt, doet zich een situatie van samenloop voor die nu juist door de materiële reciprociteitstoets wordt bestreken. Die toets schrijft dan voor dat, bij gebreke van auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong, het modellenrecht prevaleert, ook als dat regime de rechthebbende onder de gegeven omstandigheden geen bescherming biedt. De vangnetbepaling bevat, met andere woorden, een vangnet op systeemniveau: zij garandeert geen daadwerkelijke auteursrechtelijke bescherming, ook niet om te voorkomen dat een werk tussen wal en schip valt. Daarbij past een abstracte toetsing.
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdelen 1-3 en 7bestrijden het auteursrechtelijke gedeelte van het bestreden arrest, dus alle beslissingen die berusten op het oordeel dat Kwantum sinds 22 maart 2017 (de datum van de
Star Athletica-uitspraak) inbreuk maakt op het auteursrecht van Vitra op de DSW.
Onderdeel 1stelt de principiële kern van de zaak ter discussie en is het meest verstrekkend van aard. Dit onderdeel strekt ten betoge dat het hof, bij gebreke van daadwerkelijke auteursrechtelijke bescherming in de Verenigde Staten, niet heeft kunnen oordelen dat aan de materiële reciprociteitstoets is voldaan. Als dit onderdeel slaagt, behoeven de andere auteursrechtelijke onderdelen (over de beschermingsduur, de uitleg van de
Star Athletica-uitspraak en de proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv) geen behandeling.
onderdelen 4 en 5zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat Kwantum zich in de periode vóór 22 maart 2017 schuldig heeft gemaakt aan slaafse nabootsing van de DSW (de subsidiaire grondslag van Vitra’s vorderingen). Als deze onderdelen falen, staat vast dat Kwantum sinds 8 augustus 2014 onrechtmatig jegens Vitra heeft gehandeld (door slaafse nabootsing van de DSW) en dat zij op die grondslag aansprakelijk is jegens Vitra, ook voor zover het de periode ná 22 maart 2017 betreft (de datum van de
Star Athletica-uitspraak is alleen vanuit auteursrechtelijk perspectief mogelijk relevant).
exclusievebevoegdheid zou toekomen om de bepalingen van de Berner Conventie, het Verdrag van Parijs en de TRIPs-overeenkomst uit te leggen, voor zover het de toepassing van deze verdragen in de Nederlandse en de Belgische rechtsorde betreft. Daarom zou de Hoge Raad bij twijfel over de uitleg van (een van) deze verdragen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie moeten stellen. Dat zou volgen uit het arrest
Daiichi Sankyouit 2013. [109] Daarin oordeelde het Hof van Justitie dat de bepalingen van TRIPs vallen onder het bereik van de ‘gemeenschappelijke handelspolitiek’ en daarom tot de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie behoren. [110] In de literatuur is hieruit afgeleid dat het Hof van Justitie zichzelf tot ‘hoogste Europese IE-rechter’ heeft gepromoveerd, aangezien TRIPs vrijwel het gehele IE-recht bestrijkt. [111]
eerste vraagis wie het Unierecht kan uitleggen. Het antwoord luidt dat iedere rechterlijke instantie in de EU-lidstaten gehouden is het Unierecht toe te passen, wat tevens de bevoegdheid tot uitleg impliceert. Het Hof van Justitie heeft in zoverre geen ‘uitlegmonopolie’ ten aanzien van de onderwerpen die tot de bevoegdheid van de Europese Unie behoren, zoals Vitra lijkt te betogen. Bij twijfel over de juiste uitleg van de toepasselijke Unierechtelijke bepalingen kán iedere nationale rechter (en móét de hoogste nationale rechter) op de voet van art. 267 VWEU Pro een prejudiciële vraag van uitleg stellen, indien hij van oordeel is dat een antwoord op die vraag noodzakelijk is voor de door hem te nemen beslissing. De bevoegdheid van het Hof van Justitie om een
bindendeuitleg van het Unierecht te geven is zoals bekend wel exclusief. Maar dat betekent niet dat de nationale rechter niet ‘zelfstandig’ het Unierecht zou mogen uitleggen.
tweede vraagis hoe de zogeheten externe bevoegdheid is verdeeld tussen de Europese Unie (EU) en de EU-lidstaten. Het gaat daarbij in het bijzonder om de bevoegdheid internationale (volkenrechtelijke) overeenkomsten aan te gaan met derde landen of met instellingen buiten de Europese Unie. De TRIPs-overeenkomst is daarvan een voorbeeld. Toen deze overeenkomst in 1994 tot stand kwam, behoorden de daarin geregelde onderwerpen deels tot de exclusieve bevoegdheid van de (toenmalige) EG en deels tot de bevoegdheid van de lidstaten. [112] TRIPs was dus een zogeheten gemengd verdrag (
mixed agreement). Met het van kracht worden van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is de reikwijdte van de Europese gemeenschappelijke handelspolitiek uitgebreid tot onder meer de ‘handelsaspecten van intellectuele eigendom’ (art. 207 lid 1 VWEU Pro). De EU is voor de gemeenschappelijke handelspolitiek exclusief bevoegd. [113] Uit het arrest
Daiichi Sankyo, waar Vitra zich op beroept, volgt dat alle door de TRIPS-overeenkomst bestreken onderwerpen thans tot de exclusieve (externe) bevoegdheid van de EU behoren, met inbegrip van onderwerpen waarover (nog) geen EU-regelgeving bestaat. [114]
derde vraagis in hoeverre het Hof van Justitie bevoegd is om in een prejudiciële procedure uitleg te geven aan internationale overeenkomsten. Die bevoegdheid is erkend voor verdragen waarbij de EU partij is. Volgens vaste rechtspraak vormt een internationale overeenkomst die door de EU is gesloten, een handeling van een van haar instellingen in de zin van art. 267, eerste alinea, onder b), VWEU en maken de bepalingen van een dergelijke overeenkomst een integrerend deel uit van de rechtsorde van de Unie. Het Hof leidt daaruit af dat het bevoegd is om uitspraak te doen over de uitleg van een dergelijke overeenkomst. [115] Dat laatste geldt ook voor de TRIPS-overeenkomst. Uit het
Daiichi Sankyo-arrest volgt dat, nu de gehele TRIPs-overeenkomst tot de exclusieve bevoegdheid van de EU behoort, het Hof van Justitie bevoegd is ook de gehele TRIPs-overeenkomst uit te leggen. [116] Dat betekent echter niet dat het Hof de enige rechterlijke instantie zou zijn die de bevoegdheid heeft om TRIPs (en andere internationale IE-verdragen) uit te leggen. [117]
in beginselniet bevoegd is die conventie uit te leggen. Vitra betoogt dat het Hof van Justitie op grond van art. 9 TRIPs Pro wél bevoegd is de Berner Conventie uit te leggen. [118] Dat ligt mijns inziens iets genuanceerder. Art. 9 TRIPs Pro is welbeschouwd een schakelbepaling die de naleving van de Berner Conventie moet verzekeren door de partijen bij TRIPs. [119] Deze bepaling, die zich vooral richt tot de wetgever van de verdragspartijen, neemt de materiële bepalingen van de Berner Conventie niet over. [120] Ik meen daarom dat de Berner Conventie niet via de tussenschakel van art. 9 TRIPs Pro tot het uitlegdomein van het Hof van Justitie is gaan behoren. Het Hof van Justitie kan in een prejudiciële procedure echter wel een Unierechtelijke bepaling uiteggen
tegen de achtergrond vande Berner Conventie. Daar zijn diverse voorbeelden van. [121] Dat laatste impliceert dat het Hof in voorkomend geval ook de bepalingen van de Berner Conventie zelf moet uitleggen [122] om in staat te zijn een BC-conforme uitleg te geven van een Unierechtelijke bepaling waarop de prejudiciële vraag van uitleg betrekking heeft. In zoverre kan het Hof de bepalingen van de Berner Conventie uitleggen. Een prejudiciële vraag die enkel alleen over de uitleg van een bepaling van de Berner Conventie gaat, lijkt mij daarentegen niet mogelijk.
geen modellenrechtelijke bescherminggeniet (rov. 18).
in het land van oorsprong, de Verenigde Staten, feitelijk geen auteursrechtelijke bescherminggeniet of heeft genoten (rov. 25, 32, 128-129), omdat niet is voldaan aan het destijds geldende (en niet met terugwerkende kracht afgeschafte) vormvereiste van een ‘
copyright notice’ (rov. 126).
Nederlands en Belgisch rechtmoet worden aangemerkt als een werk van toegepaste kunst dat (op voorwaarde van materiële reciprociteit) voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt (rov. 29-31).
concrete toetsinginhoudt, die is gericht op de behandeling van het litigieuze voorwerp in het land van oorsprong (rov. 105 e.v.).
Vitra de auteursrechthebbendeis (rov. 162 e.v.) en Kwantum
inbreuk op Vitra’s auteursrechtmaakt (rov. 167 e.v.).
vrijwel identieke nabootsingvan de DSW is (rov. 171, 218) en dat naar Nederlands recht aan de vereisten voor
slaafse nabootsingis voldaan (rov. 185 e.v.).
rov. 108-116, waar het hof het ‘karakter’ van de materiële reciprociteitstoets preciseert, en tegen
rov. 121-151, waar het hof dit karakter vertaalt in een toepassing op de voorliggende zaken. Het hof typeert het bedoelde karakter in de kop boven rov. 108 als ‘Absolute materiële reciprociteitstoets m.b.t. kwalificatie voorwerp’. Ik vat hierna (uitvoeriger dan hiervoor in de leeswijzer bij het bestreden arrest) de door het onderdeel bestreden gedachtegang van het hof op hoofdlijnen samen. Ik doe dat omdat de bestreden overwegingen ruim tien pagina’s beslaan en de door het hof gevolgde redenering zeer subtiel is.
kwalificatievan het voorwerp: vereist, en tevens voldoende is dat het concrete voorwerp in het land van oorsprong wordt aangemerkt als ‘werk van toegepaste kunst’, dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming. Dan staat het auteursrechtelijke spoor (beschermingsregime) voor dat voorwerp open.”
tekstvan art. 2 lid 7 BC Pro, die volgens het hof niet de eis stelt dat het voorwerp feitelijk auteursrechtelijke bescherming geniet in het land van oorsprong, (ii) de
systematiekvan art. 2 lid 7 BC Pro, dat volgens het hof draait om de vraag ‘welk beschermingsregime geldt’ en (iii) de
gedachtedie volgens het hof aan de Berner Conventie ten grondslag ligt, te weten dat materiële reciprociteitstoetsen ‘onwenselijk’ zouden zijn. Het hof werkt deze gedachte nader uit met de overweging dat materiële reciprociteitstoetsen een ‘inbreuk’ vormen op de beginselen van art. 5 BC Pro en dat zij daarom ‘restrictief’ moeten worden uitgelegd. [124]
relatieve toetszoals voorgesteld door Frankrijk, die de verdragsopstellers niet hebben overgenomen, en (v) dat de materiële reciprociteitstoets zou gaan overlappen met de reciprociteitstoets van art. 7 lid 8 BC Pro inzake de
beschermingsduur, wat volgens het hof niet in de systematiek van de Berner conventie past.
kwalificatievan het concrete voorwerp in het land van oorsprong’. Voor deze kwalificatie is vereist, zo preciseert het hof, dat het voorwerp in het land van oorsprong naar het aldaar geldende recht (dus inclusief rechtspraak) wordt aangemerkt als ‘werk van letterkunde of kunst’ en dat het voldoet aan de daaraan gestelde eisen betreffende oorspronkelijkheid, zodat het voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Het gaat er dus niet om, zo concludeert het hof, ‘of het voorwerp in het land van oorsprong ook
daadwerkelijkauteursrechtelijke bescherming geniet’. Dit is wat ik hiervoor de semi-concrete toets heb genoemd.
daadwerkelijke beschermingin het land van oorsprong als eis te stellen en te abstraheren van andere, voor die bescherming relevante omstandigheden (zoals de beschermingsduur en toegelaten formaliteiten), wordt volgens het onderdeel in drie opzichten de concrete toetsing miskend die de Hoge Raad in het
MAG/Edco-arrest heeft voorgeschreven. Ten eerste wordt geen rekening gehouden met ‘alle factoren’ die bepalend zijn voor de auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong. Ten tweede wordt een niveau van rechtsbescherming (in het aangezochte land) bereikt dat groter is dan – in plaats van ‘zo veel mogelijk gelijk’ aan – de rechtsbescherming in het land van oorsprong. Ten derde wordt de in het
MAG/Edco-arrestgenoemde strekking van art. 2 lid 7 BC Pro miskend, te weten ‘dat aan een voorwerp als werk van toegepaste kunst auteursrechtelijk geen bescherming wordt geboden als die in het land van oorsprong niet aan dit voorwerp toekomt.’
temporele reikwijdtevan het Amerikaanse auteursrecht betreffende werken van toegepaste kunst. Althans zou het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd zijn in het licht van het feit dat de DSW uit 1948/1950 dateert, toen nog de Copyright Act 1909 gold in plaats van de Copyright Act 1976, zoals uitgelegd in de
Star Athletica-uitspraak.
beschermingsomvangin het land van oorsprong bij de toepassing van de materiële reciprociteitstoets ‘niet van belang’ is. [125] Volgens het onderdeel is die beschermingsomvang wél van belang. Als in het land van oorsprong geen rechtsbescherming zou worden geboden vanwege de (zeer geringe) beschermingsomvang aldaar, is niet voldaan aan de materiële reciprociteitstoets (zoals uitgelegd in het
MAG/Edco-arrest).
MAG/Edco-arrest voorgeschreven toetsingswijze (geciteerd in 3.37). Waar de Hoge Raad voor het aannemen van reciprociteit beslissend acht of in het land van oorsprong auteursrechtelijke bescherming aan het concrete voorwerp ‘toekomt’, acht het hof voldoende dat die bescherming aan het voorwerp kán toekomen, in die zin dat het voorwerp aldaar als werk van toegepaste kunst kan worden ‘gekwalificeerd’. Het hof toetst, met andere woorden, niet de auteursrechtelijke
bescherming, maar de auteursrechtelijke
beschermbaarheidin het land van oorsprong, [126] en wel met name op één specifiek punt (de kwalificatie als auteursrechtelijk beschermbaar werk). In verband hiermee betrekt het hof in zijn reciprociteitsoordeel ook niet ‘alle factoren’ die in het land van oorsprong (hier de VS) bepalend zijn voor de auteursrechtelijke bescherming, waaronder het vaststaande feit dat de DSW bij gebreke van een ‘
copyright notice’ daar nooit auteursrechtelijk beschermd is geweest. De toetsing die het hof heeft uitgevoerd is weliswaar concreet in die zin dat zij op de vormgevingskenmerken van de DSW is toegespitst (vgl. rov. 131 e.v.), maar abstract in die zin dat het hof abstraheert van de feitelijke en juridische bijzonderheden die meebrengen dat de DSW, ofschoon (beweerdelijk [127] ) beschermbaar als ‘werk van toegepaste kunst’ in de zin van het Amerikaanse auteursrecht, feitelijk geen auteursrechtelijke bescherming geniet of heeft genoten in de Verenigde Staten. Het bestreden arrest wijkt op dit centrale punt dus af van het arrest van de Hoge Raad in de zaak
MAG/Edco.
MAG/Edco-arrest geformuleerde, zuiver concrete toetsingsmaatstaf. Ik meen van niet.
strekkingvan de regeling pleit daarvoor. De materiële reciprociteitstoets is juist bedoeld om onevenwichtigheden zoals in deze zaak aan de orde – wel auteursrechtelijke bescherming in Nederland en België, geen auteursrechtelijke bescherming in de Verenigde Staten – te voorkómen. Het beginsel van ‘
quid pro quo’ komt bij het hof neer op een vergelijking van ongelijke grootheden: auteursrechtelijke bescherming in Nederland in ruil voor enkel een auteursrechtelijke
kwalificatiein de VS. Aldus toegepast kan de materiële reciprociteitstoets ook niet als een ‘
incentive’ fungeren voor landen als de VS (zie 3.30 hiervoor).
uitzonderingop art. 5 BC Pro, zoals het hof in rov. 27 en 72 ook onderkent. [129] Werken van toegepaste kunst zijn dus aan de beginselen van art. 5 BC Pro onttrokken. Een uitleg die uitgaat van de gedachte dat reciprociteitstoetsen ‘onwenselijk’ zouden zijn, lijkt mij oneigenlijk, gegeven het feit dat art. 2 lid 7 BC Pro nu eenmaal een reciprociteitstoets
bevat, die zich niet laat wegredeneren. [130]
MAG/Edco-arrest zou kunnen ontaarden in een
relatievetoetsing, is ongegrond. Ook bij een concrete toetsing wordt immers, als die toetsing positief uitvalt, het auteursrecht van het aangezochte land onverkort toegepast. Het auteursrechtelijke beschermingsniveau in het aangezochte land wordt, anders dan bij de relatieve toetsing, niet neerwaarts bijgesteld tot het niveau in het land van oorsprong (zie 3.34). [131]
MAG/Edco-arrest zou kunnen overlappen met art. 7 lid 8 BC Pro, kan mij niet overtuigen. Art. 7 lid 8 BC Pro is een generieke reciprociteitsregeling die een veel ruimere materiële reikwijdte heeft dan art. 2 lid 7 BC Pro. Het schrijft in algemene zin voor dat de duur van het auteursrecht, tenzij anders bepaald in de wetgeving van het aangezochte land, niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur overschrijdt. Deze regel – een materiële reciprociteitstoets met betrekking tot de duur van het auteursrecht – geldt voor alle werken in de zin van art. 2 lid 1 BC Pro. Voor werken van toegepaste kunst bevat art. 2 lid 7 BC Pro een specifieke reciprociteitstoets, die exclusieve toepassing van het modellenrecht voorschrijft als het land van oorsprong geen auteursrechtelijke bescherming biedt. In gevallen waarin de duur van het auteursrecht in het land van oorsprong verstreken is, kan toepassing van art. 2 lid 7 BC Pro tot dezelfde uitkomst leiden als toepassing van art. 7 lid 8 BC Pro (namelijk: geen auteursrechtelijke bescherming in het aangezochte land). Deze potentiële overlap is niet meer dan een logisch gevolg van de bredere reikwijdte van art. 7 lid 8 BC Pro. [132]
MAG/Edco-arrest is weliswaar ook niet altijd eenvoudig toe te passen, maar zij heeft in elk geval als voordeel dat over het richtpunt van de reciprociteitstoets geen enkele discussie kan bestaan. De vraag is simpelweg of
het voorwerpin het land van oorsprong auteursrechtelijk
isbeschermd. [133] Bij de door het hof voorgestane toetsingswijze wordt
gedeeltelijkgeabstraheerd van de auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong. Ook als een voorwerp in dat land niet is beschermd, zou toch moeten worden onderzocht of het aldaar beschermbaar is. Het
Star Athletica-arrest (waarover hierna meer bij onderdeel 3), toont bovendien aan dat juist die kwalificatievraag in de praktijk lastig is (veel meer dan de vraag of is voldaan aan een formaliteitsvereiste en of dat de beschermingsduur is verstreken). In de door het hof aangelegde maatstaf rijst steeds de vraag welke factoren wel en welke factoren niet in de beoordeling moeten worden betrokken. Het hof trekt de grens bij de auteursrechtelijke kwalificatie als ‘werk van toegepaste kunst’, om er direct aan toe te voegen dat ook de in het land van oorsprong gestelde ‘eisen betreffende oorspronkelijkheid’ moeten worden getoetst. Aan de hand daarvan moet volgens het hof worden onderzocht of het voorwerp in het land van oorsprong ‘voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt’ (rov. 114).
Star Athleticatijdperk’ anders uitviel dan thans. Moet dan de reciprociteitstoets per tijdvak verschillend uitvallen, terwijl feitelijk vaststaat dat het voorwerp nooit auteursrechtelijke bescherming heeft genoten? In rov. 148 e.v. kampt het hof met deze problematiek. Dit illustreert naar mijn mening dat de semi-concrete toetsingswijze meer problemen oproept dan zij oplost.
MAG/Edco-arrest, sinds de introductie ervan in 2011, niet fundamenteel ter discussie heeft gestaan in de rechtspraak en de literatuur (zie reeds 3.39). Herziening ervan in de door het hof voorgestane zin zou een belangrijke koerswijziging betekenen, die de auteursrechtelijke status van vele buitenlandse werken van toegepaste kunst – ook werken die in een ver verleden zijn gemaakt – ter discussie zou kunnen stellen. Dat scenario moet uiteraard voor lief worden genomen als art. 2 lid 7 BC Pro geen andere uitleg toelaat dan de door het hof voorgestane uitleg. Daarvan ben ik echter, gezien het voorgaande, geenszins overtuigd.
onderdeel 1 slaagt. Vitra’s vorderingen zijn naar mijn mening niet op auteursrechtelijke grondslag toewijsbaar, omdat materiële reciprociteit in de zin van art. 2 lid 7 BC Pro in dit geval ontbreekt.
veronderstellingdat de door het hof aangelegde reciprociteitstoets wél de juiste zou zijn.
nihilzou moeten plaatsvinden. Het hof heeft deze stellingname verworpen op grond van het vaststaande feit dat de DSW feitelijk nooit auteursrechtelijke bescherming heeft genoten in de Verenigde Staten. Bij gebreke van een beschermingsduur in het land van oorsprong is een duurvergelijking volgens het hof onmogelijk, zodat art. 7 lid 8 BC Pro buiten toepassing blijft (rov. 157). Het onderdeel komt hiertegen op met de klacht dat in een dergelijk geval voor de toepassing van art. 7 lid 8 BC Pro moet worden uitgegaan van een auteursrechtelijke beschermingsduur van ‘nul jaar’.
auteursrechtregelt en dus de aanwezigheid van
auteursrechtelijke beschermingveronderstelt. [137] Het hof heeft dit betoog dus terecht verworpen.
minimumduurzou moeten plaatsvinden. Die stellingname heeft het hof verworpen op de grond dat deze ‘geen geldend recht’ vertegenwoordigt (rov. 158). Het onderdeel bestrijdt dat.
MAG/Edco-arrest voorgeschreven wijze. Dan is er bij gebreke van auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong ook geen sprake van auteursrechtelijke bescherming in het aangezochte land. Dit pleidooi voor inkorting van de auteursrechtelijke beschermingsduur illustreert dus de moeilijkheden die kunnen ontstaan door een semi-concrete toetsing van de materiële reciprociteit, zoals voorgestaan door het hof. Wat hiervan zij, met het hof zie ik geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat dit pleidooi geldend recht zou vertegenwoordigen. Het hof heeft dit pleidooi dus terecht verworpen.
work of authorship’c.q. ‘
sculptural work’ als bedoeld in § 102(a) van de Copyright Act 1976. De daar gegeven overwegingen zijn dragend voor het oordeel dat het stoelontwerp in de Verenigde Staten vanaf de Star Athletica-uitspraak als ‘
work of authorship’ c.q. ‘
sculptural work’ voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt en zijn om die reden beslissend voor de uitkomst van de auteursrechtelijke discussie. Daarom zal ik deze twee rechtsoverwegingen citeren (zonder de bijbehorende voetnoot 124, die naar de
Star Athletica-uitspraak verwijst):
separate identification’) kan worden vastgesteld dat de DSW, zoals Vitra stelt, de volgende (combinatie van) vormgevingskenmerken bevat: (i) de vorm van de buitenrand van de zitkuip, (ii) de contouren die zijn aangebracht rondom de vier poten (vier ranke, ronde, schuin naar binnen geplaatste houten poten) en (iii) het arrangement van in een kubusvorm geplaatste kruisende lijnen dat tussen de poten is aangebracht. Dit zijn ‘
three-dimensional elements that appear to have sculptural qualities’.
independent-existence’), rijst de vraag of de combinatie van deze vormgevingskenmerken, los gedacht van het gebruiksvoorwerp, kan bestaan ‘
as its own sculptural work as defined in §101’. Naar het oordeel van het hof is dat het geval. Dat de combinatie van deze vormgevingskenmerken grotendeels samenvalt met de vorm van het gebruiksvoorwerp (een stoel) is geen beletsel. Dat betekent dat de vormgeving van de DSW thans in de Verenigde Staten wordt aangemerkt als ‘work of authorship’ c.q. ‘sculptural work’ als bedoeld in § 102(a) Copyright Act. Tot deze conclusie komt ook Goldstein in zijn hiervoor genoemde rapport. Aan het voorgaande wordt niet afgedaan door hetgeen Kwantum c.s. in dit verband heeft aangevoerd, met inbegrip van de
legal opinionsvan Reiner en Van der Zandt.”
MAG/Edco-arrest het Amerikaanse stelsel van vóór de
Star Athletica-uitspraak als volgt heeft weergegeven:
separabiliteitscriterium, dat Hugenholtz in bovenstaand citaat omschrijft als het vereiste dat de te beschermen vormgevingskenmerken ‘onafhankelijk bestaan van het ontwerp van het gebruiksvoorwerp’. Dit vereiste is in § 101 van de Copyright Act 1976 als volgt verwoord:
features that can be identified separately from, and are capable of existing independently of, the utilitarian aspects of the article.” [142]
Star Athletica-uitspraak [143] heeft het Amerikaanse Supreme Court voor het eerst uitleg gegeven aan het separabiliteitscriterium. Het ging in die zaak om de vraag of een strepenpatroon op ‘
cheerleading uniforms’ voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kwam. Het Supreme Court beantwoordde die vraag bevestigend. Het onderscheidde daartoe twee deelvereisten van separabiliteit, te weten: (i) het vereiste van ‘
separate identification’ en (ii) het vereiste van ‘
independent-existence’. Het eerste vereiste houdt in dat vormgevingskenmerken moeten worden geïdentificeerd die te kwalificeren zijn als ‘
pictorial, graphic, or sculptural features’ in de zin van § 101. Het tweede vereiste houdt in dat de aldus geïdentificeerde vormgevingskenmerken beschikken over ‘
the capacity to exist apart from the utilitarian aspects of the article’. [144] Op dit punt verduidelijkt de
Star Athletica-uitspraak dat separabiliteit, anders dan voorheen wel werd aangenomen, een ‘
conceptual undertaking’ is. [145] Het gaat er niet om of na verwijdering van het vormgevingskenmerk een functionerend gebruiksvoorwerp overblijft. De vraag is of het vormgevingskenmerk op zichzelf beschouwd, na ‘
imaginary extraction’, kan worden gekwalificeerd als ‘
a non useful pictorial, graphic, or sculptural work on its own’. [146] Het Supreme Court illustreert een en ander met het voorbeeld van een schop (‘
shovel’):
But a shovel as a shovel cannot.” [147]
Star Athletica-uitspraak is in de Verenigde Staten kritisch ontvangen. De kern van de kritiek luidt dat de uitspraak de praktijk niet vooruit helpt, omdat het Supreme Court vooral in algemeenheden spreekt. [148] Het geciteerde voorbeeld van de schop maakt echter naar mijn indruk één ding duidelijk: dat de DSW
als stoelniet auteursrechtelijk beschermbaar is in de Verenigde Staten. Alleen voor zover de DSW beschikt over vormgevingskenmerken die te zien zijn als ‘
art apart from the chair’, is zij vatbaar voor auteursrechtelijke bescherming. [149] Deze lezing wordt bevestigd door het gezaghebbende
Compendium of U.S. Copyright Office Practicesvan het United States Copyright Office (waarin de
Star Athletica-uitspraak is verwerkt). Dit handboek voor de registratie van auteursrechten in de Verenigde Staten vermeldt, ter illustratie van het separabiliteitscriterium, dat ‘
a decorative carving on the back of a chair can be imagined apart from the utilitarian aspects of the chair itself’, maar dat ‘
the overall shape of the chair cannot be imagined apart from the item itself’. [150]
on its own’. Het toont hoe lastig de tot de kwalificatie van het voorwerp beperkte semi-concrete toetsing kan zijn.
engravings, carvings or other illustrations applied to the furniture’ daarvoor in aanmerking komen.
sculptural work on its own’ bestaan (als bedoeld in de
Star Athletica-uitspraak). Hierop voortbouwend wordt geklaagd over de verwijzing in voetnoot 124 van het bestreden arrest naar een bepaalde passage in de
Star Athletica-uitspraak. Aldaar ging het, aldus het onderdeel, om een ander probleem: kan sprake zijn van separabiliteit als de vormgevingskenmerken
dezelfde vormhebben als het gebruiksvoorwerp (zoals bij een strepenpatroon voor een cheerleaderuniform)? De stellingname van Kwantum zag niet op het samenvallen van vormgevingskenmerken en
vorm, maar op het samenvallen van vormgevingskenmerken en
functievan het voorwerp. Ook in dit opzicht zou het bestreden oordeel onvoldoende gemotiveerd zijn.
Star Athletica-uitspraak en de desbetreffende deskundigenberichten ben ik geneigd Kwantum gelijk te geven in haar inhoudelijke kritiek op het bestreden oordeel van het hof. Het lijkt mij, gegeven het strikte beoordelingskader van separabiliteit, weinig aannemelijk dat de DSW als stoelontwerp in de Verenigde Staten voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Het lijkt mij ook weinig aannemelijk dat de
Star Athletica-uitspraak op dit punt alles anders zou hebben gemaakt, zoals het hof suggereert in rov. 150. [152] Dat zou ook tot aanzienlijke rechtsonzekerheid kunnen leiden (vgl. 4.51). Mijn indruk is dan ook veeleer dat de
Star Athletica-uitspraak een voorzichtige poging is om het wettelijk kader van § 101 van de Copyright Act 1976 (het separabiliteitscriterium, waarover in de lagere rechtspraak en de literatuur veel uiteenlopende opvattingen waren ontstaan) te herbevestigen en te verduidelijken, met name op het punt van de ‘conceptuele separabiliteit’ als bedoeld in 4.50 hiervoor.
Star Athletica-uitspraak zou hebben ‘gedenatureerd’, werd verworpen, overigens zonder dat het Cour de Cassation zelf uitleg aan het Amerikaanse recht gaf. [153] De Franse cassatierechter overwoog daartoe:
motiveringvan de door het hof gegeven toepassing van het Amerikaanse auteursrecht tekortschiet. Op die basis zie ik onvoldoende aanknopingspunten voor vernietiging. Het hof heeft in rov. 121-152 zeer uitvoerig uiteengezet hoe het tot zijn toepassing van het Amerikaanse auteursrecht is gekomen. De over en weer door partijen aangevoerde argumenten (en andere argumenten) zijn daarbij ruimschoots aan bod gekomen. In rov. 142-143 heeft het hof duidelijk gemaakt waarom het, in afwijking tot het door Kwantum en haar deskundigen ingenomen standpunt, de genoemde vormgevingskenmerken van de DSW wél als een op zichzelf staand kunstwerk beschouwt. Bovendien hebben de essentiële stellingen waarop het middelonderdeel een beroep doet, zonder uitzondering een juridisch karakter: zij betreffen de toepassing van het Amerikaanse auteursrecht op de vormgevingskenmerken van de DSW. Daarmee gaat het om verkapte rechtsklachten over buitenlands recht, waarvoor in cassatie geen plaats is.
Star Athletica-uitspraak. Dit had een reden kunnen zijn voor het hof om zijn oordeel waarom vorm en functie van het stoelontwerp in dit geval te scheiden zijn, uitvoeriger te motiveren dan het heeft gedaan in rov. 142-143. Maar onvoldoende is de daar gegeven motivering niet, zodat de motiveringsklachten niet slagen.
Star Athletica-uitspraak) schuldig heeft gemaakt aan slaafse nabootsing van de DSW (de subsidiaire grondslag van Vitra’s vorderingen). Kwantum heeft geen klacht gericht tegen het oordeel dat aan de materiële voorwaarden voor het aannemen van slaafse nabootsing is voldaan. [155]
modellenrecht(de GModVo). Het hof heeft dat beroep in rov. 182 verworpen op de grond dat de DSW nooit modellenrechtelijke bescherming op grond van de GModVo, het BVIE of de BTMW heeft genoten, omdat de DSW (zoals uiteengezet in rov. 85) buiten het temporele toepassingsgebied van deze regelingen valt.
slaafse nabootsing. Dat is een vorm van oneerlijke mededinging, waartegen met een vordering uit onrechtmatige daad kan worden opgekomen, aldus het standaardarrest
All Round/Simstarsuit 2017. [159]
geen negatieve reflexwerkinguitgaat van IE-rechten zoals het auteursrecht en het modellenrecht. [160] Dat ligt slechts anders in kwesties die uitputtend geregeld zijn in de desbetreffende IE-wetgeving. De
strekkingvan die wetgeving is in dit verband beslissend. [161] Zo heeft de Hoge Raad negatieve reflexwerking toegekend aan de auteursrechtelijke regel die ‘stijlnabootsing’ toelaat (een stijl wordt niet als ‘werk’ in de zin van art. 1 Aw Pro beschouwd). Volgens de Hoge Raad laat het recht geen ruimte voor aanvullende bescherming op grond van art. 6:162 BW Pro tegen slaafse nabootsing van een stijl of stijlkenmerken, omdat anders de ratio van die regel – de gedachte dat auteursrechtelijke bescherming van stijlkenmerken een ‘rem op culturele ontwikkelingen’ zou vormen – zou worden doorkruist. Dit laat onverlet dat ‘slaafse stijlnabootsing’ volgens de Hoge Raad onder
bijkomendeomstandigheden wél onrechtmatig zou kunnen zijn. [162]
Berner Conventie, meer in het bijzonder art. 2 lid 7 BC Pro. In rov. 180 verwerpt het hof dit beroep. Art. 2 lid 7 BC Pro is volgens het hof ‘niet uitputtend’. Unielanden mogen, naast auteurs- en/of modellenrechtelijke bescherming, ook bescherming via het onrechtmatigedaadsrecht verlenen. Het hof merkt hierbij op dat de materiële reciprociteitstoets facultatief van aard is en dus niet dwingend voorschrijft dat een in het land van oorsprong niet-beschermd voorwerp in andere Unielanden wordt ‘gestraft met onbeschermbaarheid’.
identiekenabootsing’. Meer subsidiair wordt betoogd dat deze negatieve reflexwerking (ook) uit het
Nederlandserecht zou voortvloeien. In verband hiermee wordt ook een motiveringsklacht gericht tegen rov. 179-180, waar het hof volgens Kwantum onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan Kwantums beroep op negatieve reflexwerking ingevolge het nationale recht.
nationalerecht negatieve reflexwerking zou moeten worden toegekend aan art. 2 lid 7 BC Pro.
Zoals beide partijen onderschrijven, vormt het stichten van verwarringsgevaar een dergelijke reden.Alsdan is sprake van een begeleidende omstandigheid die indruist tegen de eisen van de eerlijke handelsgebruiken.”
een andere vorm van onrechtmatig gedrag (zoals verwarringsgevaar of een andere ‘begeleidende’ fout)kan er sprake zijn van onrechtmatige mededinging. Hiermee wijst het Hof van Cassatie uitdrukkelijk sommige rechtspraak af die in het profiteren van andermans inspanningen zelf een van de toegelaten kopie te onderscheiden begeleidende handeling ziet: de mogelijkheid om van andermans inspanningen te kunnen profiteren maakt precies de kern uit van de vrijheid van kopie. Nabootsing of navolging zonder
verwarringsgevaar of andere “begeleidende” foutkan dus naar Belgisch recht nooit verboden worden.”
onrechtmatigverwarringsgevaar’. Dat zou blijken uit de tweede zin van het citaat, waar Kwantum spreekt over ‘een duidelijke afwijzing van de suggestie dat nabootsen (…) als dusdanig, los van begeleidende handelingen, foutief zou kunnen zijn’.
veronderstellingdat de toepassing van de materiële reciprociteitstoets door het hof juist zou zijn.
Star Athletica-uitspraak. In rov. 228 heeft het hof overwogen dat Kwantum, als de in het ongelijk te stellen partij, zal worden veroordeeld in de kosten van de
beide instantiesin beide zaken.
Star Athletica-uitspraak gehonoreerde kwalificatie van de DSW als werk van toegepaste kunst onder Amerikaans recht was volgens het onderdeel ‘een noodzakelijke voorwaarde voor de toewijzing van de vorderingen van Vitra’. De
Star Athletica-uitspraak is evenwel pas gewezen ná de pleidooien in eerste aanleg. In eerste aanleg gingen beide partijen er nog van uit dat in de Verenigde Staten géén auteursrechtelijke bescherming toekwam aan de DSW (rov. 122). Vitra heeft (pas) in hoger beroep een beroep gedaan op de volgens haar ‘baanbrekende’
Star Athletica-uitspraak (rov. 123). Nu de DSW – ook volgens Vitra in eerste aanleg én in hoger beroep – tot aan de
Star Athletica-uitspraak als auteursrechtelijk onbeschermbaar gold (rov. 151), had het hof Kwantum niet zonder nadere motivering mogen veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg, aldus het onderdeel.
ex post’, op basis van de uitkomst van het appel, met dien verstande dat in eerste aanleg nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten op grond van art. 237 lid 1 Rv Pro voor rekening van de in appel winnende partij kunnen worden gelaten. [169] Indien een afwijzend vonnis in appel stand houdt op grond van een wijziging van omstandigheden gedurende de appelprocedure, kan de appelrechter gehouden zijn om, met het oog op de proceskostenveroordeling, te onderzoeken of de vordering in eerste aanleg al dan niet terecht is afgewezen. [170]
Star Athletica-uitspraak een uitleg van geldend recht behelst (omdat Vitra zelf in appel het standpunt innam dat ‘
sindsde
Star Athletica-uitspraak’ aan de materiële reciprociteitstoets is voldaan). In eerste aanleg had Vitra haar auteursrechtelijke vorderingen niet op de materiële reciprociteitstoets gebaseerd, maar op de vangnetbepaling, de TRIPs-overeenkomst, het Verdrag van Parijs en de Beschermingsduurrichtlijn. [171] Destijds gingen beide partijen er van uit dat in de Verenigde Staten géén auteursrechtelijke bescherming toekwam aan de DSW (rov. 122).
Star Athletica-uitleg. Als die uitleg inderdaad, zoals het hof voor mogelijk houdt, nog geen geldend recht vertegenwoordigde toen de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen was, [172] kan niet worden gezegd dat Vitra ook in eerste aanleg op auteursrechtelijke gronden gelijk had moeten krijgen. Zonder nadere motivering valt dan niet in te zien waarom Kwantum ook (op de voet van art. 1019h Rv) in de kosten van de eerste aanleg is veroordeeld.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
onderdeel 1), het Verdrag van Parijs (
onderdeel 2), de Beschermingsduurrichtlijn (
onderdeel 3), de vangnetbepaling (
onderdeel 4) en drie kwesties die verband houden met de materiële reciprociteitstoets (
onderdelen 5-7).
gelijkstellingsbeginsel, vergelijkbaar met dat van art. 5 lid 1 BC Pro (zie daarover 3.12). Op grond van deze bepaling mag de behandeling van onderdanen van andere WHO-landen, waar het gaat om de bescherming van de intellectuele eigendom, ‘niet minder gunstig’ zijn dan de behandeling van eigen onderdanen. De bepaling maakt hierbij een voorbehoud voor ‘de uitzonderingen die reeds bepaald zijn in (…) de Berner Conventie (1971)’. Art. 3 lid 1 TRIPs Pro laat dus de toepassing van art. 2 lid 7 BC Pro onverlet, zoals het hof terecht en in cassatie onbestreden heeft vooropgesteld (rov. 37).
eerste staphoudt in dat de DSW op grond van het Nederlandse en Belgische recht valt onder een specifiek auteursrechtelijk beschermingsregime voor ‘tekeningen en modellen van nijverheid’. Vitra verwijst in dit verband naar art. 10 lid 1 sub Pro 11 Aw, waar ‘werken van toegepaste kunst’ én ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ worden genoemd als auteursrechtelijk beschermde werken. Een soortgelijke bepaling is te vinden in het Belgische Koninklijk Besluit nr. 91 van 29 januari 1935 (KB 1935). De auteursrechtelijke bescherming die op grond van deze bepalingen toekomt aan ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ zou volgens Vitra ‘onafhankelijk’ zijn van de auteursrechtelijke bescherming van ‘werken van toegepaste kunst’. In ‘beide hoedanigheden’ zou de DSW naar Nederlands en Belgisch recht een ‘zelfstandige aanspraak’ op auteursrechtelijke bescherming hebben.
tweede stapin de redenering van Vitra houdt in dat de materiële reciprociteitstoets van art. 2 lid Pro 7, tweede volzin, BC alléén betrekking zou hebben op ‘werken van toegepaste kunst’, en niet mede op ‘tekeningen en modellen van nijverheid’. Voor zover de DSW naar Nederlands en Belgisch recht valt onder het specifieke auteursrechtelijke beschermingsregime voor ‘tekeningen en modellen van nijverheid’, zou art. 2 lid 7 BC Pro dus niet aan toepassing van het nationale auteursrecht in de weg staan. Hiervan uitgaande mist het voorbehoud van art. 3 lid 1 TRIPs Pro toepassing en volgt uit die bepaling dat het nationale auteursrecht gelijkelijk moet worden toegepast op buitenlandse ‘tekeningen en modellen van nijverheid’.
eerste stapniet klopt. Van een apart beschermingsregime voor tekeningen en modellen is in de Auteurswet geen sprake (rov. 42). De Belgische wetgever heeft evenmin een apart beschermingsregime voor tekeningen en modellen van nijverheid gecreëerd (rov. 43). [174]
tweede stapvan haar betoog.
Onderdeel 1.1behelst de klacht dat het hof zou hebben miskend dat de materiële reciprociteitstoets alleen betrekking heeft op ‘werken van toegepaste kunst’ en niet mede op ‘tekeningen en modellen van nijverheid’. Dat zou blijken uit de samenhang tussen de eerste en de tweede volzin van art. 2 lid 7 BC Pro. Waar de eerste volzin spreekt over wetten betreffende ‘werken van toegepaste kunst’ enerzijds en ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ anderzijds, spreekt de tweede volzin over ‘werken, die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd’. Deze ‘werken’ uit de tweede volzin kunnen volgens Vitra daarom slechts ‘werken van toegepaste kunst’ als bedoeld in de eerste volzin zijn.
Onderdeel 1.2voegt toe dat het toepassingsgebied van de Berner Conventie op grond van art. 1 BC Pro is beperkt tot ‘werken’ in de zin van art. 2 lid 1 BC Pro. Bijgevolg zou ook de materiële reciprociteitstoets alleen van toepassing zijn op ‘werken van toegepaste kunst’ en niet mede op ‘tekeningen en modellen van nijverheid’.
Onderdeel 1.3bouwt hierop voort met de klacht dat het auteursrechtelijke karakter van de door het nationale recht geboden bescherming er niet aan afdoet dat sprake is van bescherming van de desbetreffende voorwerpen ‘als tekeningen en modellen van nijverheid’. De door art. 3 lid 1 TRIPs Pro bewerkstelligde toepasselijkheid van deze bescherming wordt volgens Vitra ‘niet ingekort’ door art. 2 lid 7 BC Pro.
Onderdeel 1.4bevat een voortbouwklacht zonder zelfstandige betekenis.
eerste stap– het beroep op een afzonderlijk, aan art. 2 lid 7 BC Pro onttrokken auteursrechtelijk beschermingsregime voor ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ – is uit de lucht gegrepen. Art. 10 lid 1 sub Pro 11 Aw noemt ‘werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid’ in één adem. Voor voortbrengselen van vormgeving bestaat in alle EU-lidstaten een
tweevoudigebeschermingsmogelijkheid: via het modellen- en het auteursrecht. Een ‘derde auteursrechtelijke weg’ is bij mijn weten nog nooit in de literatuur bepleit. [175]
apartbeschermingsregime voor tekeningen en modellen van nijverheid te creëren, maar juist om het
gewoneauteursrechtelijke beschermingsregime te handhaven voor tekeningen en modellen met een kunstzinnig karakter. [176] De achtergrond hiervan was de in het parlement geuite zorg dat een negatieve reflexwerking zou uitgaan van art. 21 BTMW Pro (oud), dat slechts auteursrechtelijke bescherming toeliet van tekeningen en modellen die een
duidelijkkunstzinnig karakter vertonen. [177] De indiener van het amendement dat tot de toevoeging van ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ in art. 10 lid 1 sub Pro 10 (thans sub 11) Aw heeft geleid, verklaarde met zoveel woorden dat de bedoeling daarvan was ‘handhaving van de bescherming, zoals zij vandaag bestaat’. [178] Ook in België is het ‘gewone’ auteursrechtelijke regime van toepassing verklaard op tekeningen en modellen van nijverheid. [179] Tekeningen en modellen van nijverheid worden dus, mits zij voldoen aan de daarvoor gestelde vereisten, onder het Nederlandse en Belgische auteursrecht beschermd ‘als werken van toegepaste kunst’.
tweede stapin de redenering is ongefundeerd. Art. 2 lid 7 BC Pro, dat door de TRIPs-overeenkomst is bevestigd, [180] stelt de kaders voor een eventuele auteursrechtelijke bescherming van buitenlandse voortbrengselen van vormgeving (zoals de DSW). Die kaders zijn in art. 2 lid 7 BC Pro strikt getrokken. Het voorbehoud van art. 3 lid 1 TRIPs Pro laat daar uitdrukkelijk ruimte voor.
ongeachthun kwalificatie- en beschermingswijze in het land van oorsprong en het aangezochte land. De materiële reciprociteitstoets is immers juist bedoeld om onevenwichtigheden zoals in deze zaak aan de orde – wel auteursrechtelijke bescherming in Nederland en België, geen auteursrechtelijke bescherming in de Verenigde Staten – te voorkómen. Het kan daarom niet de bedoeling van de opstellers zijn geweest om voorwerpen die in het land van oorsprong slechts modellenrechtelijk zijn beschermd, in het aangezochte land te laten profiteren van een bijzonder auteursrechtelijk beschermingsregime, in aanvulling op het modellenrecht.
gelijkstellingsbeginsel, vergelijkbaar met dat van art. 5 lid 1 BC Pro . Op grond van deze bepaling genieten de onderdanen van landen van de Unie van Parijs, wat betreft de ‘bescherming van de industriële eigendom’, dezelfde voordelen en bescherming als ‘nationalen’. Art. 5 quinquies Pro verplicht de aangesloten landen om te voorzien in bescherming van ‘tekeningen en modellen van nijverheid’.
eerste stapvan Vitra’s betoog in dat de DSW naar Nederlands en Belgisch recht zou vallen onder een specifiek auteursrechtelijk beschermingsregime voor ‘tekeningen en modellen van nijverheid’, dat los zou staan van de auteursrechtelijke bescherming van ‘werken van toegepaste kunst’. De
tweede staphoudt in dat Vitra op grond van art. 2 lid 1 van Pro het Verdrag van Parijs aanspraak zou hebben op auteursrechtelijke bescherming onder dit nationale regime, zonder dat art. 2 lid 7 BC Pro daaraan in de weg zou staan (omdat art. 2 lid 1 van Pro het Verdrag van Parijs dienaangaande geen voorbehoud bevat). In het kader van deze tweede stap speelt ook art. 5 quinquies Pro van het Verdrag van Parijs een rol. Vitra betoogt, onder verwijzing naar Bodenhausen, [185] dat de door die bepaling vereiste bescherming van ‘tekeningen en modellen van nijverheid’ ook langs
auteursrechtelijkeweg kan worden geboden.
tweede stapniet klopt. Het Verdrag van Parijs is van toepassing op de bescherming van de
industriële eigendom. Het auteursrecht wordt niet genoemd in art. 1 lid Pro 2, dat de rechten opsomt die onder de term ‘industriële eigendom’ worden begrepen (rov. 50). Pogingen om de auteursrechtelijke bescherming van tekeningen en modellen in het verdrag te regelen, zijn gestrand (rov. 51). Het Verdrag van Parijs – inclusief het beginsel van nationale behandeling (art. 2) – is dus niet van toepassing op auteursrechtelijke bescherming van tekeningen en modellen van nijverheid (rov. 52). Art. 5 quinquies Pro doet hier niet aan af. Die bepaling heeft het oog op specifieke (industriële-eigendomsrechtelijke) modellenrechtelijke bescherming (rov. 53). Het andersluidende betoog van Bodenhausen kan daarom niet als juist worden aanvaard (rov. 54). De Nederlandse wetgever was zich hiervan bewust. Aan de verplichting van art. 5 quinquies Pro is voldaan door de invoering van de BTMW. De door Belgische auteurs verdedigde opvatting (veelal gebaseerd op Bodenhausen) dat onderdanen uit Unielanden op grond van art. 2 van Pro het Verdrag van Parijs in België auteursrechtelijke bescherming genieten voor tekeningen en modellen van nijverheid, kan niet als juist worden aanvaard. Overigens kan die opvatting ook niet als de in België geldende opvatting worden aangemerkt, zo constateert het hof onder verwijzing naar een uitspraak van het Belgische Hof van Cassatie (rov. 56).
tweede stapvan haar betoog.
Onderdeel 2.1behelst de klacht dat het hof zou hebben miskend dat de DSW op grond van art. 2 lid 1 van Pro het Verdrag van Parijs auteursrechtelijke bescherming in Nederland en België geniet als ‘tekening of model van nijverheid’.
Onderdeel 2.2voegt toe dat hieraan niet afdoet dat het auteursrecht niet is genoemd in de opsomming van art. 1 lid 2 van Pro het Verdrag van Parijs. Het nationale recht bepaalt de vorm waarin de bescherming van tekeningen en modellen wordt geboden.
Onderdeel 2.3klaagt over de verwijzing in rov. 56 naar ‘de in België geldende opvatting’. Geklaagd wordt dat het hof niet gebonden is aan de uitleg die de Belgische rechter aan het Verdrag van Parijs heeft gegeven.
eerste stapvan Vitra’s betoog niet juist is. Het Nederlandse en Belgische recht voorzien niet in
afzonderlijkeauteursrechtelijke bescherming van ‘tekeningen en modellen van nijverheid’. Voor zover de DSW op grond van het nationale auteursrecht als tekening en/of model wordt beschermd, geniet zij (diezelfde) bescherming ‘als werk van toegepaste kunst’. Op deze auteursrechtelijke bescherming is art. 2 lid 7 BC Pro van toepassing en niet het Verdrag van Parijs.
tweede stap. Ook die is ongefundeerd, zoals het hof in rov. 49 e.v. overtuigend uiteengezet heeft. Het Verdrag van Parijs is voor deze zaak niet van belang. Dat verdrag beheerst de internationale bescherming van de
industriële eigendom, waaronder het
modellenrecht. In deze zaak gaat het om
auteursrechtelijkebescherming, waarop de Berner Conventie van toepassing is. Voortbrengselen van vormgeving bevinden zich op het grensvlak van modellenrechtelijke bescherming (als ‘tekeningen en modellen van nijverheid’) en auteursrechtelijke bescherming (als ‘werken van toegepaste kunst’). Voor de samenloopproblemen die hieruit voortvloeien is in art. 2 lid 7 BC Pro een speciale regeling getroffen, die (dus) niet kan worden omzeild met een beroep op het Verdrag van Parijs. Dat de door art. 5 quinquies Pro van het Verdrag van Parijs vereiste bescherming van ‘tekeningen en modellen’ ook langs auteursrechtelijke weg kán worden geboden (zoals in Nederland en België tot 1975 het geval was), [186] maakt het voorgaande niet anders. Ook in dat geval prevaleert de bijzondere samenloopregel van art. 2 lid 7 BC Pro. [187]
Sony/Falcon-arrest, verwerpt. Ter inleiding merk ik het volgende op.
beschermingsduurvan het auteursrecht is wel geharmoniseerd. Dit is gebeurd in de Richtlijn 93/98/EEG, [190] welke richtlijn is gecodificeerd in en vervangen door Richtlijn 2006/116/EG, de thans geldende Beschermingsduurrichtlijn, [191] die beoogt ‘gelijkschakeling van de beschermingstermijnen’ van het auteursrecht en de naburige rechten van de lidstaten te verwezenlijken.
70 jaarna de dood van de auteur (art. 1 lid Pro 1). Deze geharmoniseerde termijn kwam overeen met de geldende termijn in met name het Duitse auteursrecht en was aanzienlijk langer dan de minimumduur van
vijftig jaardie art. 7 lid 1 BC Pro voorschrijft en die in de meeste lidstaten (waaronder Nederland) gold. Art. 10 lid 2 van Pro de richtlijn bevat, onder het kopje ‘Toepassing in de tijd’, de regel dat de regeling van de geharmoniseerde beschermingsduur onmiddellijke werking heeft. Uit art. 10 lid 2 volgt Pro namelijk dat de geharmoniseerde termijnen (in het geval van het auteursrecht: 70 jaar
post mortem auctoris(p.m.a.)) gelden voor
alle werken en voorwerpendie op 1 juli 1995 ‘in ten minste één lidstaat beschermd werden door de nationale wetgeving op het gebied van het auteursrecht of de naburige rechten’. Art. 10 lid 3 bepaalt Pro dat de richtlijn alle vóór 1 juli verrichte exploitatiehandelingen onverlet laat. Voorzien (en beoogd) was dat in lidstaten waar voorheen de beschermingstermijn 50 jaar p.m.a. bedroeg, de bescherming herleefde voor werken waarvan de maker op 1 juli 1995 meer dan 50 jaar maar minder dan 70 jaar was overleden. [192]
Butterfly Musicheeft het Hof van Justitie bevestigt dat art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingsduurrichtlijn tot gevolg kan hebben dat werken of voorwerpen die op 1 juli 1995 reeds ‘gemeengoed’ waren in lidstaten waarvan het nationale auteursrecht in een kortere beschermingsduur voorzag, ‘opnieuw worden beschermd’. Onmiddellijke werking van de geharmoniseerde beschermingstermijn kan, met andere woorden, meebrengen dat een reeds verstreken auteursrecht
herleeft. Dit gevolg vloeit volgens het Hof van Justitie voort uit ‘de uitdrukkelijke wil van de gemeenschapswetgever’. Het Hof leest in dit verband in de harmonisatiedoelstelling van de richtlijn mede de bedoeling om ‘te voorkomen dat bepaalde rechten in sommige lidstaten zijn vervallen, terwijl zij in andere nog worden beschermd’. [193] Inderdaad staat in de richtlijn het belang van de Europese interne markt voorop.
Sony/Falcon-arrest lijkt het Hof van Justitie nog een stap verder te zijn gegaan. Het ging in die zaak om fonogrammen van Amerikaanse Bob Dylan-albums, die dateerden van vóór 1966 en als zodanig niet voor bescherming op grond van de Duitse wetgeving inzake naburige rechten in aanmerking kwamen. Uitgangspunt was dat het Britse recht wél een zodanige bescherming bood. Daarmee rees de vraag of de geharmoniseerde beschermingstermijn [194] ook van toepassing is wanneer het betrokken voorwerp nooit eerder was beschermd in de lidstaat waarin bescherming wordt gezocht (Duitsland) omdat de nationale wetgeving daaraan in de weg stond. Het Hof van Justitie beantwoordde die vraag in navolging van A-G Ruiz-Jarabo Colomer bevestigend, met verwijzing naar (i) de formulering van art. 10 lid 2 en Pro (ii) de harmonisatiedoelstelling van de richtlijn. Het stellen van de eis dat het voorwerp reeds eerder was beschermd in de lidstaat waarin bescherming wordt gezocht, zou volgens het Hof van Justitie met die formulering en doelstelling in strijd zijn. Verder werd verduidelijkt dat art. 10 lid 2 van Pro de richtlijn geldt voor ‘alle werken en voorwerpen die op 1 juli 1995 werden beschermd door de wetgeving van ten minste één lidstaat op het gebied van het auteursrecht of de naburige rechten’, ongeacht de nationaliteit van de houder van de rechten op dit voorwerp. Dat het hier ging om
Amerikaansefonogrammen, maakte de beoordeling dus niet anders. [195]
Sony/Falcon-arrest dat de DSW op grond van de Beschermingsduurrichtlijn auteursrechtelijk moet worden beschermd. Dit betoog is drieledig. [196] De
eerste staphoudt in dat de DSW op 1 juli 1995 in Duitsland auteursrechtelijk beschermd zou zijn geweest. De
tweede staphoudt in dat op grond van art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingsduurrichtlijn, zoals uitgelegd in het
Sony/Falcon-arrest, ook in Nederland auteursrechtelijke bescherming zou moeten worden geboden aan de DSW. De
derde staphoudt in dat de materiële reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC Pro hier niet aan in de weg zou staan.
eerste stap– de beweerde auteursrechtelijke bescherming in Duitsland – gemotiveerd bestreden. [197] Het hof heeft in rov. 63 ‘daargelaten’ of hieraan is voldaan. De
tweede stap– de gedachte dat art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingsduurrichtlijn in dat geval zou dwingen tot gelijkschakeling van de Nederlandse en de Duitse auteursrechtelijke bescherming – heeft het hof ‘onwaarschijnlijk’ genoemd. Het hof verwijst in dit verband naar buitenlandse bronnen (in voetnoot 60) en merkt op dat de richtlijn ‘geen harmonisatie van de bescherming c.q. de verzameling beschermde objecten’ beoogt. Doorslaggevend voor het hof is de ondeugdelijkheid van de
derde stap– de gedachte dat de Beschermingsduurrichtlijn zou prevaleren boven art. 2 lid 7 BC Pro. De Beschermingsduurrichtlijn laat de toepassing van art. 2 lid 7 BC Pro en de daarin opgenomen materiële reciprociteitstoets ‘onverlet’, aldus het hof, dat in dit verband (in voetnoot 61) verwijst naar buitenlandse literatuur en naar art. 1 lid 1 van Pro de Beschermingsduurrichtlijn (waar voor de omlijning van het toepassingsgebied van de richtlijn wordt verwezen naar art. 2 BC Pro).
tweede en derde stap.
Onderdeel 3.1klaagt dat het hof zou hebben miskend dat de ‘enige voorwaarde’ voor bescherming op grond van art. 10 lid Pro 2 Beschermingsduurrichtlijn zou zijn ‘dat op 1 juli 1995 bescherming aan het voorwerp werd verleend in ten minste één lidstaat’ (wat het hof veronderstellenderwijze heeft aangenomen).
Onderdeel 3.2vervolgt met de klacht dat het hof zou hebben miskend dat art. 10 lid Pro 2 Beschermingsduurrichtlijn de materiële reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC Pro ‘wel degelijk opzijzet’.
eerste stapis hypothetisch. In feitelijke instanties is niet vastgesteld dat het ontwerp voor de DSW op 1 juli 1995 in Duitsland auteursrechtelijk was beschermd. Nu het hof dit in het midden heeft gelaten, geldt in cassatie bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag dat de DSW op 1 juli 1995 auteursrechtelijk was beschermd in Duitsland (daargelaten hoe aannemelijk dat is).
tweede stapis onwaarschijnlijk, zoals het hof in rov. 63 terecht heeft geoordeeld. Het
Sony/Falcon-arrest leert goed beschouwd niet meer dan dat de in art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingsduurrichtlijn voorgeschreven onmiddellijke werking van de geharmoniseerde beschermingsduur (ook) ‘van toepassing’ is wanneer het betrokken voorwerp nooit eerder werd beschermd in de lidstaat waarin bescherming wordt gezocht. Of onmiddellijke werking van de geharmoniseerde beschermingstermijn ook meebrengt dat een nooit eerder geldend auteursrecht
ontstaat(en zo ja, op grond waarvan en met welke inhoud precies), heeft het Hof van Justitie niet uitgemaakt. [198] Aannemelijk is die lezing beslist niet, aangezien de richtlijn (zoals het hof terecht opmerkt) niet de auteursrechtelijke
bescherming, maar alleen de auteursrechtelijke
beschermingsduurharmoniseert. Die lezing zou bovendien tot gevolg hebben dat het auteursrechtelijke beschermingsniveau wordt geharmoniseerd op een historisch niveau, namelijk naar de situatie zoals die op 1 juli 1995 bestond (de implementatiedatum van de richtlijn). Het is zeer de vraag of een overgangsrechtelijke bepaling als art. 10 lid 2 een Pro dergelijk historisch-harmoniserend effect kan hebben. [199]
Infopaq-arrest uit 2009. [203] Volgens inmiddels vaste rechtspraak van het Hof van Justitie veronderstelt het begrip ‘werk’, dat in de Auteursrechtrichtlijn voorkomt maar daarin niet is omschreven, de combinatie van twee cumulatieve criteria: (i) een eigen intellectuele schepping van de maker en (ii) de aanwezigheid van bestanddelen die de uitdrukking zijn van een dergelijke intellectuele schepping. [204] Bovendien heeft het Hof bepaald dat voor de auteursrechtelijke bescherming van modellen dezelfde (geharmoniseerde) werktoets geldt. [205] De drempeleis voor auteursrechtelijke bescherming is inmiddels dus wel geharmoniseerd. De stelling van Vitra (repliek 3.5) dat ‘de voorwaarden voor auteursrechtelijke bescherming in de EU volledig [zijn] geharmoniseerd, ook voor werken van toegepaste kunst’ gaat derhalve niet op voor de situatie op de peildatum van 1 juli 1995.
derde stapin het betoog van Vitra ondeugdelijk is, zoals het hof in rov. 63 op goede gronden heeft geoordeeld. [206] De Beschermingsduurrichtlijn en de daarop gebaseerde nationale implementatiewetgeving kunnen – in elk geval in een niet-Europese situatie zoals in deze zaak aan de orde – geen afbreuk doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen waaraan de lidstaten gebonden zijn. Art. 2 lid Pro 7, tweede volzin, BC gaat voor (en wordt in niet-Europese situaties niet opzij gezet door art. 18 VWEU Pro). De koppeling met de auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong komt ook tot uitdrukking in art. 7 lid Pro 1 Beschermingsduurrichtlijn (onder het kopje ‘Bescherming ten opzichte van derde landen’). Daarin is, met het oog op het realiseren van een daadwerkelijke harmonisatie van de beschermingsduur binnen de EU, bepaald dat voor werken waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een niet EU-land is en de auteur van het werk geen onderdaan van een EU-lidstaat, de door de lidstaten verleende bescherming vervalt op de dag waarop de bescherming in het land van oorsprong van het werk vervalt. Deze bepaling koppelt de maximale beschermingsduur in de EU dus aan die in het (derde) land van oorsprong, wat overigens strookt met art. 7 lid 8 BC Pro.
Sony/Falcon-arrest adviseerde A-G Ruiz-Jarabo Colomer uitdrukkelijk om de beantwoording van de prejudiciële vraag over de toepasselijkheid van art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingsduurrichtlijn op voorwerpen die op 1 juli 1995 weliswaar voldeden aan de beschermingscriteria van de Richtlijn naburige rechten, [207] maar waarvan de rechthebbenden geen onderdaan van een lidstaat zijn, aan de nationale rechter over te laten. [208] Uit het feit dat het Hof van Justitie die vraag onbeantwoord heeft gelaten, onder verwijzing naar de premisse waarvan de vraagstelling uitging (te weten dat de fonogrammen op grond van het Britse recht beschermd waren), [209] valt af te leiden dat het Hof deze volkenrechtelijke complicatie buiten beschouwing heeft willen laten.
Sony/Falcon-arrest opgemerkt:
Impag/ […]-arrest anders beslist (rov. 94 e.v.) en volgt die beslissing. De DSW valt niet onder de vangnetbepaling (rov. 100).
Onderdeel 4.1behelst de klacht dat het hof zou hebben miskend dat de vangnetbepaling wél van toepassing is op voorwerpen die in het land van oorsprong alleen als model beschermd zijn en die buiten het temporele toepassingsgebied van de BTMW vallen.
Onderdeel 4.2voegt hieraan toe dat, voor zover in het
Impag/ […]-arrest anders is geoordeeld, de Hoge Raad daarvan dient terug te komen. Indien het hof dat arrest juist heeft uitgelegd, heeft het hof volgens Vitra miskend dat de rechter niet, althans niet zonder meer, gebonden is aan ‘de uitleg die de Hoge Raad in een concreet geval aan het recht heeft gegeven’.
Impag/ […]-arrest.
Impag/[…] -arrest inderdaad moet worden uitgelegd zoals het hof heeft gedaan (zie 3.41 e.v.). De Hoge Raad heeft in dat arrest gekozen voor een
abstracte toepassingvan de vangnetbepaling. Beschikt het aangezochte land over een modellenrechtelijk beschermingsregime, maar biedt dat regime de rechthebbende geen bescherming, dan rechtvaardigt dit niet de toepassing van de vangnetbepaling.
vangnet op systeemniveau.
contrecœurheeft aangesloten bij het
Impag/ […]-arrest (zie rov. 90-94). Ik zal daarom kort stilstaan bij de voornaamste bedenkingen van het hof en bezien of daarin aanleiding kan zijn gelegen om dat arrest te nuanceren.
could be a valuable means of filling a gap in the convention’. [211] Deze opmerking bevestigt inderdaad dat de slotzinsnede van art. 2 lid 7 BC Pro een vangnetfunctie heeft. De vraag is echter
op welk niveauhet vangnet fungeert: volstaat de beschikbaarheid van een modellenrechtelijk regime of vereist de conventie dat het voorwerp in alle gevallen daadwerkelijk wordt beschermd door dat regime? Bezien vanuit het perspectief van de exclusiviteitsgedachte die aan de vangnetbepaling ten grondslag ligt, lijkt mij die laatste uitleg aannemelijker. Die uitleg vindt ook expliciete steun in de hiervoor in 3.26 geciteerde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de vangnetbepaling. Die uitleg leidt bovendien tot een resultaat dat beter verenigbaar is met de wederkerigheidsgedachte die aan de materiële reciprociteitstoets ten grondslag ligt: zonder auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong is er ook geen plaats voor auteursrechtelijke bescherming in het aangezochte land (ook als het aldaar geldende modellenrecht
in concretogeen bescherming biedt).
matevan abstrahering: in welke gevallen kan nog meer worden gezegd dat, ondanks de aanwezigheid van een modellenrechtelijk beschermingsregime in het aangezochte land, toch het auteursrecht prevaleert? Bijvoorbeeld als de vereiste formaliteiten niet zijn vervuld? Of als het modellenrecht de rechthebbende slechts een minimale bescherming biedt? Ook overgangsrechtelijke vragen zoals in deze zaak aan de orde kunnen een semi-abstracte toepassing van de vangnetbepaling bemoeilijken. Vanuit een praktisch perspectief pleit verder tégen herziening van de toetsingsmaatstaf dat de Hoge Raad nu eenmaal een keuze heeft gemaakt, dat die keuze verdedigbaar is en niet fundamenteel ter discussie is gesteld in de rechtspraak en de literatuur. Dat een andere keuze óók verdedigbaar was geweest, lijkt mij bij die stand van zaken onvoldoende voor een koerswijziging.
sui generis) modelrechtelijke bescherming’ toekomt, en niet de bescherming van ‘een (mogelijk apart) auteursrechtelijk beschermingsregime’ (rov. 117), dus ook niet de beweerde ‘bijzondere bescherming’ uit hoofde van KB 1935, waarop Vitra zich heeft beroepen (rov. 118).
onderdeel 5.1). Ook andere passages waarin het hof wijst op het auteursrechtelijke karakter van de door Vitra ingeroepen bescherming zouden in dit licht getuigen van een onjuiste rechtsopvatting (
onderdeel 5.2).
Star Athletica-uitleg in het midden kan blijven, nu Vitra’s auteursrechtelijke vorderingen, voor zover gebaseerd op de stellingname dat aan de materiële reciprociteitstoets is voldaan, uitsluitend zien op de periode vanaf 22 maart 2017 (de datum van de
Star Athletica-uitspraak). Hierop voortbouwend oordeelt het hof in rov. 223 dat de auteursrechtelijke vorderingen van Vitra slechts toewijsbaar zijn voor de periode vanaf 22 maart 2017. In rov. 225 oordeelt het hof spiegelbeeldig dat de vorderingen op grond van slaafse nabootsing slechts toewijsbaar zijn voor de periode vóór 22 maart 2017, omdat Vitra geen belang heeft bij toewijzing voor de periode daarná (wegens de toewijzing op auteursrechtelijke grondslag). Ook tegen deze slotsom is het onderdeel gericht.
toewijzingvan Vitra’s auteursrechtelijke vorderingen over de periode vanaf 22 maart 2017, betekent dit ook dat de grondslag komt te ontvallen aan de spiegelbeeldige
afwijzingvan haar vorderingen uit hoofde van slaafse nabootsing over diezelfde periode. In dat geval dient die afwijzing derhalve ook te worden vernietigd.
Star Athletica-uitspraak) is alleen vanuit auteursrechtelijk perspectief mogelijkerwijs relevant.
sindsde
Star Athletica-uitspraak; voor die tijd gold de DSW in de Verenigde Staten als auteursrechtelijk onbeschermbaar en werd zij om deze reden auteursrechtelijk ook niet beschermd’, aldus Vitra in de weergave van het hof.
onder a) dat de uitleg die het hof geeft aan Vitra’s vorderingsgrondslag onverenigbaar zou zijn met, althans onbegrijpelijk zou zijn in het licht van Vitra’s petitum, dat primair in een auteursrechtelijke sleutel stond. Het hof zou miskennen ‘dat een vorderingsgrondslag die in beginsel geschikt is het gehele petitum te dragen slechts anders dan in overeenstemming daarmee mag worden uitgelegd indien dit ondubbelzinnig uit de proceshouding van eiser voortvloeit’. De door het hof gegeven uitleg zou temeer onbegrijpelijk zijn omdat Kwantum de vorderingsgrondslag niet in de door het hof aangenomen beperkte zin zou hebben opgevat.
onder b) dat Vitra ‘zonder beperking of voorbehoud’ heeft gesteld dat de DSW naar Amerikaans recht als werk van toegepaste kunst kan worden gekwalificeerd en voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kan komen.
onder c) over de door het hof gegeven uitleg van de vorderingsgrondslag in samenhang met rov. 150, waar het hof oordeelt dat de DSW in het pre-
Star Athletica-tijdperk niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kwam. Voor zover het hof hiermee (toch) ‘daadwerkelijke bescherming in het land van oorsprong’ vereist zou hebben geacht om te voldoen aan de materiële reciprociteitstoets, is dat oordeel volgens Vitra onjuist en in strijd met de semi-concrete uitleg van de materiële reciprociteitstoets. Het gaat volgens Vitra om de
kwalificatieals werk van toegepaste kunst op grond van het
geldenderecht, waarvan de ‘objectieve inhoud (…), eventueel achteraf bezien, kenbaar is uit de rechtspraak’.
Star Athletica-uitspraak een ‘baanbrekende uitspraak’ is (rov. 123) en dat die uitspraak een ‘nieuwe rechtsontwikkeling’ oplevert die meebrengt dat de vraag naar de auteursrechtelijke beschermbaarheid van de DSW onder Amerikaans recht ‘thans anders moet worden beantwoord dan voorheen’ (rov. 127). [214] In het licht van deze vaststellingen van het hof omtrent het verloop van het partijdebat met betrekking tot de
Star Athletica-uitspraak is niet onbegrijpelijk dat het hof Vitra’s auteursrechtelijke vorderingsgrondslag aldus heeft uitgelegd dat deze (voor zover gebaseerd op de materiële reciprociteitstoets) uitsluitend de periode vanaf 22 maart 2017 (de datum van de
Star Athletica-uitspraak) betreft.
6.Slotsom en afdoening
onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel(zie hiervoor, 4.22-4.33). Uitgaande van het vaststaande feit dat de DSW in de Verenigde Staten geen auteursrechtelijke bescherming geniet of heeft genoten, is niet aan de voorwaarden voor auteursrechtelijke bescherming op de voet van art. 2 lid 7 BC Pro voldaan. Dit betekent dat het auteursrechtelijke gedeelte van het bestreden arrest, inclusief de proceskostenveroordeling, niet in stand kan blijven.