ECLI:NL:PHR:2023:307

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
15 maart 2023
Zaaknummer
22/04354
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WwftArt. 94 SvArt. 98 SvArt. 125i SvArt. 218 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt doorbreking verschoningsrecht notaris wegens verdenking niet-melden ongebruikelijke transacties en witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep van een notaris en zijn notariskantoor tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die hun klaagschriften ongegrond verklaarde. De klagers waren verdachte in een strafrechtelijk onderzoek naar het niet melden van ongebruikelijke transacties en witwassen, waarbij beslag was gelegd op diverse documenten en digitale gegevensdragers die onder het verschoningsrecht vielen.

De rechter-commissaris had vastgesteld dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden waren die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, gezien de ernst en omvang van de verdenkingen, waaronder 409 verdachte transacties over meerdere jaren met betrokkenheid van personen met criminele antecedenten. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het beslag noodzakelijk was voor waarheidsvinding en niet op een minder ingrijpende wijze kon worden verkregen.

De klagers voerden aan dat de rechtbank het beklag ten onrechte ongegrond verklaarde zonder voldoende toetsing, met name ten aanzien van het beslag op de inhoud van een shredder en digitale gegevensdragers, en dat de motivering onduidelijk was. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht het beklag ongegrond verklaarde voor het deel waarover de rechter-commissaris reeds had beslist, en dat het oordeel over het deel waarover nog geen beslissing was genomen niet onredelijk was. De Hoge Raad bevestigt dat het summiere karakter van de beklagprocedure meebrengt dat de rechtbank niet ten gronde hoeft te treden op de uitkomst van het strafonderzoek.

De Hoge Raad wijst verder op het strenge toetsingskader bij beslaglegging bij verschoningsgerechtigden en bevestigt dat de rechtbank voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdenking ernstig is en dat het belang van waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht. Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beklag tegen het beslag wordt ongegrond verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04354 Bv
Zitting21 maart 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaken:
[klager 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
[klager 2] B.V., h.o.d.n. [klager 1] Notariaat,
gevestigd te [plaats] ,
hierna: de klagers.

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 8 november 2022 de klaagschriften ex art. 98 lid 4 Sv Pro in verbinding met art. 552a Sv van de klagers [1] ( [klager 1] en [klager 2] B.V., h.o.d.n. [klager 1] Notariaat, hierna ook: [klager 1] respectievelijk [klager 1] Notariaat) tegen een drietal beschikkingen van de rechter-commissaris van 11 mei 2022, 9 juni 2022 en 21 juli 2022 met betrekking tot diverse stukken en digitale gegevens(dragers) die onder de klagers in beslag zijn genomen, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klagers. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. [2]
1.3
In het eerste middel wordt geklaagd dat de rechtbank het beklag met betrekking tot een deel van het beslag ten onrechte ongegrond heeft verklaard en heeft verzuimd de behandeling van de zaak in zoverre aan te houden teneinde de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen om een beslissing te nemen op het door de klagers gedane beroep op het verschoningsrecht zoals bedoeld in art. 98 lid 2 Sv Pro en/of dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen op dit deel van het beklag. Het tweede middel heeft betrekking op de toetsingsmaatstaf en het oordeel van de rechtbank over de verdenking die jegens de klagers is gerezen. Het derde middel is gericht op de ongegrondverklaring van het beklag, meer in het bijzonder de begrijpelijkheid van het oordeel dat sprake zou zijn van een uitzondering op het beslagverbod als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv Pro.

2.Aanleiding en het verloop van de procedure

2.1
De klagers worden ervan verdacht in hun hoedanigheid als notaris en notariskantoor strafbare feiten te hebben gepleegd. Namens hen is verzocht om teruggave van hetgeen in beslag is genomen, omdat het om geheimhouderstukken die vallen onder het verschoningsrecht zou gaan.
2.2
Het openbaar ministerie is op 16 februari 2021 een strafrechtelijk onderzoek tegen de klagers gestart onder de naam “Ambon”. Gedurende het onderzoek is tevens [betrokkene 1] , werkzaam als juridisch medewerker bij [klager 1] Notariaat, als verdachte aangemerkt.
2.3
De klagers worden ervan verdacht dat zij een gewoonte hebben gemaakt van het opzettelijk niet onverwijld melden van ongebruikelijke transacties die te maken kunnen hebben met witwaspraktijken of financiering van terrorisme aan de Financiële inlichtingen eenheid (FIU) als bedoeld in art. 16 lid 1 Wwft Pro. Deze verdenking is gebaseerd op 59 transacties, uitgevoerd in de periode van 1 januari 2015 tot 12 oktober 2022, die niet aan de FIU zijn gemeld, maar waarvan wordt vermoed dat de klagers deze wel hadden moeten melden. Verder is de verdenking gebaseerd op het gegeven dat er in een periode van zes jaar in totaal 350 transacties ter waarde van tientallen miljoenen euro’s via de derdengeldenrekening van de klagers zijn verricht, waarbij acht personen betrokken zijn met criminele antecedenten die zich hoofdzakelijk bezig houden met opvallende leningen.
2.4
In de loop van het onderzoek is de verdenking erbij gekomen dat de klagers zich schuldig hebben gemaakt aan (het maken van een gewoonte van) (schuld)witwassen ex art. 420bis Sr, 420ter Sr en/of 420quater Sr door te faciliteren in het opmaken van hypotheek- en leveringsakten waarbij de oorsprong van de gelden en/of de geldstromen van personen met criminele antecedenten wordt verhuld.
2.5
De rechter-commissaris heeft naar aanleiding van een aantal vorderingen van de officier van justitie tot doorzoeking en inbeslagneming bij beschikking van 11 mei 2022 [3] beslist dat – met betrekking tot de (in totaal 409) transacties waarop de verdenking ziet – sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ die doorbreking van het verschoningsrecht van de klagers rechtvaardigen en dat beslag als bedoeld in art. 94 Sv Pro gelegd kan worden op alle voorwerpen die – naar het voorlopige oordeel van de rechter-commissaris – kunnen dienen om de waarheid over de genoemde transacties aan het licht te brengen. Eventueel beslag is door de rechter-commissaris ‘bevroren’, totdat (definitief) over de toelaatbaarheid van de voortduring daarvan is beslist. Hieraan voorafgaand heeft de rechter-commissaris hierover een vertegenwoordiger van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie om advies gevraagd. De Ringvoorzitter heeft, kort gezegd, medegedeeld dat hij het goed kan begrijpen indien de rechter-commissaris met betrekking tot de feiten waarop de verdenking ziet bedoelde 'zeer uitzonderlijke omstandigheden’ aanwezig zou achten. Als de gerezen verdenking juist is, dan levert het handelen van de notaris volgens de Ringvoorzitter een ernstig strafbaar feit op waarbij het notariaat als een soort onderwereldbank heeft gefungeerd.
2.6
Vervolgens hebben op 17 mei 2022 in de strafzaken tegen de klagers onder de leiding van de rechter-commissaris doorzoekingen plaatsgevonden in de woning van [klager 1] en het kantoorpand van [klager 1] Notariaat. In de woning van [klager 1] zijn (1) een enveloppe, (2) de inhoud van een shredder, (3) 15 USB-sticks en (4) een HP laptop aangetroffen en in beslag genomen. In het kantoorpand ging het om (5) een iPhone en (6) 75 documenten.
2.7
Verder is op 17 mei 2022 door de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, een bevel uitlevering ex art. 105 Sv Pro bij Managed IT gedaan met betrekking tot ‘de volledige cloudomgeving van kantoor [klager 1] Notariaat (inclusief e-mail)’. Managed IT heeft aan deze vordering voldaan en heeft de gevorderde gegevens aangeleverd op een gegevensdrager. Deze gegevensdrager (7) is op 18 mei 2022 onder de klagers in beslag genomen.
2.8
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 9 juni 2022 [4] beslist dat voortduring van het beslag is toegestaan met betrekking tot de hiervoor onder (1) en (6) genoemde stukken. Met betrekking tot de inhoud van de shredder (2) en de gegevensdragers (3 tot en met 5 en 7) heeft de rechter-commissaris de beslissing aangehouden.
2.9
Op 10 juni 2022 heeft de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [betrokkene 1] een spoeddoorzoeking verricht in het kantoorpand van Stichting [A] , gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . [5] Tijdens deze doorzoeking zijn drie stukken [6] in beslag genomen. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 21 juli 2022 [7] beslist dat voortduring van het beslag op een tweetal van deze stukken is toegestaan. [8]
2.1
Namens de klagers zijn op 22 juni 2022 twee klaagschriften [9] ingediend tegen voornoemde beschikkingen van de rechter-commissaris van 11 mei 2022 en 9 juni 2022. Op 4 augustus 2022 zijn in aanvulling hierop nog twee klaagschriften ingediend [10] gericht tegen voornoemde beslissing van de rechter-commissaris van 21 juli 2022.
2.11
De klaagschriften zijn op 25 oktober 2022 in openbare raadkamer behandeld. De meervoudige raadkamer van de rechtbank heeft op 8 november 2022 op het beklag beslist.
2.12
De middelen richten zich alleen op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de beslissingen van de rechter-commissaris van 11 mei 2022 en 9 juni 2022. Hierna zal ik – voor zover in cassatie van belang – de inhoud van deze beslissingen van de rechter-commissaris, de standpunten van de partijen en de beschikking van de rechtbank weergeven. Vervolgens zal ik de middelen bespreken.

3.De beslissingen van de rechter-commissaris

3.1
De beslissing van de rechter-commissaris van 11 mei 2022 ‘met betrekking tot zeer uitzonderlijke omstandigheden’ [11] vermeldt het volgende:

2.2 Beoordeling rechter-commissaris
De verdenking jegens verdachten houdt in dat [klager 1] Notariaat en [klager 1] zich bewust schuldig hebben gemaakt aan het gewoonte maken van het niet-melden van ongebruikelijke transacties aan de FIU, dan wel dat [klager 1] feitelijk leiding gegeven heeft aan deze gedragingen door [klager 1] Notariaat, strafbaar gesteld in artikelen 2 lid 1 WED, juncto artikel 6 lid 1 sub Pro 3 WED, juncto artikel 16 lid 1 Wwft Pro (juncto artikel 51 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht). Daarnaast is de verdenking dat [klager 1] Notariaat en/of [klager 1] zich bewust mede schuldig hebben gemaakt aan (gewoonte)witwassen door middel van het opmaken van hypotheek- en leveringsakten, waarbij de oorsprong van de gelden en/of de geldstroom verhuld werd, zoals strafbaar gesteld in artikel 420bis en/of 420quater van het Wetboek van Strafrecht.
De verdenking is onderbouwd met stukken waarvan in totaal 59 transacties, uitgevoerd over de periode van 1 januari 2015 tot heden, worden beschreven die niet als ongebruikelijke transacties gemeld zijn aan de Financial Intelligence Unit (hierna: FIU), maar waarvan het vermoeden is dat [klager 1] Notariaat en/of [klager 1] deze wel had moeten melden. Bij deze transacties vallen met name op de verschillende ABC transacties met groot onverklaarbaar prijsverschil, hypothecaire leningen met korte looptijden en tegen hoge rente en/of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden, alsmede de betrokkenheid bij deze transacties/leningen van personen met (naar algemeen bekend) criminele antecedenten en/of contacten. Acht van deze laatstgenoemde personen lijken eveneens (hoofdzakelijk) betrokken te zijn bij 350 transacties die, in een periode van 6 jaren, ter waarde van tientallen miljoenen euro’s, via de derdengeldenrekening van [klager 1] Notariaat zijn verricht. Waar deze geldstromen over de derdengeldenrekening van Kapser Notariaat op zien, is vooralsnog niet gebleken. Er zijn de afgelopen zeven jaren slechts twee meldingen gedaan door verdachten (één in 2014 en één in 2017) ter zake van een ongebruikelijke transactie.
Er bestaat aldus jegens verdachten een redelijk vermoeden van schuld aan zeer ernstige, concrete strafbare feiten, waarbij de notaris en het kantoor worden vermoed misbruik te hebben gemaakt van de positie als uitoefenaar van het beroep van notaris. Indien de feiten waar de onderhavige verdenking op ziet ooit zouden worden bewezenverklaard, lijkt [klager 1] Notariaat/notaris [klager 1] , gezien de hoeveelheid transacties, de grote waarde daarvan, de betrokken partijen, alsmede de jarenlange ervaring van verdachte, gedurende lange tijd de huisnotaris te zijn geweest van meerdere bedenkelijke clientèle met criminele antecedenten. Juist als geheimhouder heeft een notaris een poortwachtersfunctie ter bescherming van het financiële stelsel. Door het faciliteren en niet melden van ongebruikelijke transacties onthoudt de notaris de overheid het zicht op die transacties en de achterliggende geldstromen/eigenaren. Het verwijt is dat verdachten dit bewust, structureel en over een langere periode hebben gedaan, en de bijzondere positie van de notaris hebben misbruikt. Dit raakt zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris, dat indien deze feiten bewezenverklaard zouden worden, het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, ernstig hierdoor zou worden geschaad.
De rechter-commissaris heeft aard en omvang van de te behalen gegevens meegewogen. Het onderzoeksbelang vergt dat inzicht wordt verkregen in de verdachte transacties, waarbij de verdenking gerechtvaardigd is dat de bewijzen van die transacties zich onder verdachten kunnen bevinden. Het is tevens niet aannemelijk dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen.
De rechter-commissaris komt dan tot het oordeel dat hier, op grond van al het voorgaande, zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die doorbreking van het verschoningsrecht van verdachten – in verband met de (409) transacties waar de verdenking op ziet - rechtvaardigen. Dit betekent dat in de onderhavige strafzaken beslag gelegd kan worden op alle voorwerpen die - naar voorlopig oordeel van de rechter-commissaris - kunnen dienen om de waarheid omtrent die transacties aan het licht te brengen (artikel 94 Sv Pro). De inbreuk op het verschoningsrecht mag echter niet verder gaan dan strikt nodig voor het aan het licht brengen van de waarheid omtrent de verweten strafbare feiten. De rechter-commissaris dient, in overleg met de Ringvoorzitter, erop toe te zien dat de belangen van
anderecliënten, die niets met de te onderzoeken strafbare feiten te maken hebben, niet onevenredig worden getroffen. Eventueel beslag wordt ‘bevroren’, totdat (definitief) over de toelaatbaarheid van voortduring daarvan is beslist.
3. Beslissing
De rechter-commissaris bepaalt dat zich hier - met betrekking tot de (409) transacties waar de verdenking op ziet -
zeer uitzonderlijke omstandighedenvoordoen, waarin het verschoningsrecht van verdachten, en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden, moeten wijken voor het strafvorderlijke belang van het aan het licht brengen van de waarheid omtrent genoemde feiten waarvan verdachten worden verdacht.”
3.2
In de beslissing van de rechter-commissaris van 9 juni 2022 ‘met betrekking tot voortduring van het beslag’ [12] is te lezen:
“'
2. Het beslag
De volgende voorwerpen zijn op 17 en 18 mei 2022 met toestemming van de rechter-commissaris onder verdachten in beslag genomen:
Op 17 mei 2022 bij de doorzoeking in de woning van [klager 1] :
1) 1 x enveloppe ABN/AMRO met brief KYC;
2) Inhoud shredder;
3) 15 x USB-stick;
4) 1 laptop HP.
Op 17 mei 2022 bij de doorzoeking in kantoorpand [klager 1] Notariaat : de voorwerpen zoals vermeld op de hier als bijlage aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd door de rechter-commissaris van 1 t/m 76, te weten:
5) de Iphone onder 1 vermeld;
6) diverse documenten onder 2 t/m 76 vermeld.
Op 18 mei 2022 heeft de rechter-commissaris voorts onder beide verdachten in beslag genomen een door Maneged IT uitgeleverde, verzegelde, gegevensdrager; met daarop opgeslagen:
7) ‘de volledige cloudomgeving van kantoor [klager 1] Notariaat (inclusief e-mail)’.
3. Beoordeling toelaatbaarheid (voortduring) beslag en kennisname door officier van justitie
De rechter-commissaris overweegt dat, gelet op de beslissing van 11 mei 2022 dat zeer uitzonderlijke omstandigheden maken dat het verschoningsrecht van verdachten moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding, hier geldt dat (voortduring van het) beslag is toegestaan ten aanzien van alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid omtrent de litigieuze 409 transacties aan het licht te brengen (artikel 94 Sv Pro).
De rechter-commissaris overweegt dan omtrent de hiervoor onder 2 genoemde voorwerpen als volgt.
Ad 1 en 6:
Alle inbeslaggenomen documenten zijn op 17 mei 2022 door de rechter-commissaris en Ringvoorzitter – stuk voor stuk - beoordeeld als zijnde relevant voor de waarheidsvinding met betrekking tot de 409 transacties. Er is namelijk ten aanzien van elk document geconstateerd dat het - binnen de onderzoeksperiode- betrekking heeft op een adres/dossiernummer en/of betrokken persoon/onderneming als vermeld op de bij de doorzoeking gebruikte lijsten met trefwoorden (deze lijsten zijn als bijlage gevoegd bij proces-verbaal doorzoeking). De rechter-commissaris acht geen goede grond aanwezig om thans opnieuw op het kabinet alle meegenomen documenten te onderzoeken. De Ringvoorzitter heeft ook desgevraagd medegedeeld dat hij alle inbeslaggenomen stukken heeft gezien en geen enkele reden ziet om deze opnieuw te beoordelen.
De rechter-commissaris is van oordeel dat de hiervoor onder 1 en 6 genoemde documenten redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met de feiten, de 409 transacties, dat zij kunnen dienen om de waarheid daaromtrent aan het licht te brengen. Beslag kan derhalve worden toegestaan.
Ad 2De ‘inhoud shredder’ is op dit moment niet te beoordelen. Er zal daartoe een (NFI)-deskundige worden benoemd met de opdracht te onderzoeken of de snippers tot een leesbaar document zijn terug te brengen. De rechter-commissaris houdt een beslissing op dit punt aan.
Met betrekking tot de op de aangehechte lijst onder 3, 4, 5 en 7 vermelde gegevensdragers/bestanden geldt het volgende.
De inbeslaggenomen gegevensdragers worden onderzocht. Over voortduring van het beslag op de gegevensdragers zelf wordt beslist zodra het onderzoek dat toelaat.
Met betrekking tot de in de gegevensdragers opgeslagen gegevens
bestandengaat de rechter-commissaris nader onderzoek doen. De rechter-commissaris laat zich bijstaan door een digitale geheimhouderrechercheur, omdat op het kabinet van de rechter-commissaris de voor het digitale onderzoek benodigde kennis en specifiek expertise ontbreekt, alsmede evenmin de vereiste software en (afgeschermde)opslagmogelijkheden voorhanden zijn. Genoemde rechercheur heeft voor geheimhouding getekend. Deze rechercheur communiceert rechtstreeks met de rechter-commissaris, maakt geen deel uit van het onderzoeksteam, en werkt op een ander politiebureau dan het onderzoeksteam. Deze rechercheur gaat, in opdracht en onder toezicht van de rechter-commissaris, de gegevensbestanden filteren die kunnen dienen om de waarheid omtrent de litigieuze 409 transacties aan het licht te brengen. De Ringvoorzitter zal worden betrokken bij de resultaten. De rechter-commissaris beslist daarna op de vraag of deze gegevensbestanden kunnen worden vrijgegeven ter kennisname voor onderzoek aan de officier van justitie of dat alsnog een nadere procedure ex artikel 98 Sv Pro is voorgeschreven. Dit zal mede afhangen van de definitieve beslissing over de ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’.
4. Beslissing
De rechter-commissaris:
Beslist dat voortduring van het beslag
is toegestaanmet betrekking tot de volgende
documenten: - 1 x enveloppe ABN/AMRO met brief KYC;
- De documenten zoals vermeld (door rechter-commissaris genummerd 2 t/m 76) op de hier als bijlage aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Bepaalt dat deze documenten ter hand kunnen worden gesteld ter kennisname aan de officier van justitie en gebruikt mogen worden in het strafrechtelijk onderzoek naar verdachten. [13]
Houdt de beslissing met betrekking tot
‘inhoud shredder’aan in afwachting van een deskundigenbericht.
Houdt de beslissing met betrekking tot de op de inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevens
bestandenaan in afwachting van de resultaten van het filteronderzoek.”

4.De standpunten van de partijen

4.1
De rechtbank heeft in haar beschikking hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:

5. Standpunt klagers
In de klaagschriften is door de verdediging betoogd dat klagers zich niet kunnen vinden in de beschikkingen van de rechter-commissaris nu klagers zich niet schuldig hebben gemaakt aan de gestelde verdenkingen. De verdediging heeft tegen die achtergrond betoogd dat het regime van de uitzonderlijke omstandigheden niet van toepassing is en dat de doorzoekingen en inbeslagneming (geheel of deels) onrechtmatig zijn geweest.
Ter zitting heeft de verdediging de klaagschriften nader toegelicht en onder meer gesteld dat indien het vermoeden bestond dat klagers al dan niet bewust zouden hebben nagelaten om ongebruikelijke transacties te melden, het op de weg van Bureau Financieel Toezicht (BFT) had gelegen om hier in eerste instantie onderzoek naar te doen. Verder heeft de verdediging erop gewezen dat [klager 1] een ministerieplicht heeft en hij behoudens uitzonderlijke omstandigheden verplicht is om mee te werken aan transacties. Het vermoeden dat klagers zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen is gebaseerd op de stelling dat [klager 1] zijn medewerking zou hebben verleend aan transacties waarbij personen betrokken zouden zijn waarvan algemeen bekend zou zijn dat zij zich in het (Amsterdamse) criminele milieu zouden begeven. Deze stelling is naar het oordeel van de verdediging niet houdbaar en is door de verdediging ten aanzien van een aantal van de genoemde personen nader toegelicht. Tot slot heeft de verdediging opmerkingen gemaakt bij de twaalf transacties als genoemd in het proces-verbaal van 25 juni 2021. De conclusie van de verdediging is dat geen sprake is van een redelijke verdenking van strafbare feiten die het regime van zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen.

6.Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in eerste instantie verwezen naar de eerder genoemde Reactie van het Openbaar Ministerie (met 26 bijlagen) inzake de klaagschriften inbeslagname onderzoek Ambon ten behoeve van de raadkamer van 25 oktober 2022, gedateerd 12 oktober 2022. In aanvulling op deze Reactie heeft de officier van justitie – kort gezegd – nog aangevoerd dat de verdenking zich in ieder geval richt op 409 verdachte transacties, waarvan er slechts twaalf door de raadslieden in raadkamer zijn besproken.”
4.2
Het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 8 november 2022 houdt – voor zover relevant – het volgende in:

De officier van justitie verklaart:
Ik verwijs naar het uitgebreide schriftelijke standpunt. Ik wijs erop dat het OM zorgvuldig heeft gehandeld. Vanaf het begin is intensief overleg met de rechter-commissaris en de ringvoorzitter gevoerd. Over alle stappen is goed nagedacht en alle belangen zijn meegewogen. Het gaat om een ernstige verdenking, daarom is het regime van zeer uitzonderlijke omstandigheden terecht. De waarheidsvinding dient te prevaleren.
De verdediging heeft aangevoerd dat het onderzoek door het Bureau Financieel Toezicht (BFT) had moeten worden uitgevoerd. Wij hebben van tevoren overleg gehad met het BFT en zij hebben aangegeven dat de kwestie een zaak voor het OM is.
Het gaat om een enorm groot notariskantoor dat opvallend weinig FIU-meldingen heeft gedaan. Als er subjectieve indicatoren zijn dat iets niet klopt, moet goed worden gedocumenteerd wat daarmee is gedaan. Het gaat om 350 transacties waar personen met criminele antecedenten bij zijn betrokken. Telkens is daarbij sprake van punten die in de Leidraad worden genoemd. Dat alles maakt dat de notaris nader onderzoek had moeten doen. Veel transacties die het OM verdacht vindt, worden door klagers bestempeld als normale transacties. Om de gerechtvaardigde verdenking te kunnen staven of verwerpen zijn de dossiers nodig. De drie beslissingen van de rechter-commissaris zijn op juiste gronden genomen.
Het gaat vandaag om een marginale toets door de rechtbank.
Mr. Van Oosten verklaart:
Het is geen marginale toets. De Hoge Raad is heel streng als het gaat om beslag bij geheimhouders. Het is een gruwel zoals het hier is gegaan.”

5.De beschikking

5.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het volgende beoordelingskader vooropgesteld:

2. Het summiere karakter van de procedure
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. (HR 25 september 2007, ECLl:NL:HR:2007:BA2279 en HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9222)
Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de hierna volgende aan te leggen toetsingsmaatstaven.

3.De juridische basis van het beslag

Gelet op het proces-verbaal aanvraag doorzoeking woning verschoningsgerechtigde en het proces-verbaal aanvraag doorzoeking kantoor verschoningsgerechtigde, beide gedateerd 26 april 2022 (bijlage 9 Reactie OM inzake klaagschriften inbeslagname onderzoek Ambon: hierna Reactie OM), het begeleidend schrijven van de officier van justitie aan de rechter-commissaris bij deze aanvragen, gedateerd 3 mei 2022 (bijlage 10 Reactie OM), gelet op de beslissing van de rechter-commissaris met betrekking tot zeer uitzonderlijke omstandigheden, gedateerd 11 mei 2022 (bijlage 11 Reactie OM) en de beslissing van de rechter-commissaris met betrekking tot het beslag uit doorzoeking [a-straat 1] in [plaats] (bijlage 18 Reactie OM), neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het bij de drie doorzoekingen ter inbeslagname gaat om een beslag, gelegd op de voet van het bepaalde in artikel 94 Sv Pro in samenhang met artikel 98 Sv Pro en artikel 125l Sv.

4.Toetsingsmaatstaven

Artikel 94 Sv Pro
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:20I0:BL2823)
Artikel 98 en Pro 125l Sv
Het verschoningsrecht van de notaris, dat onder meer in artikel 98 Sv Pro en artikel 125l Sv tot uitdrukking komt, is in zoverre niet absoluut dat zich
zeer uitzonderlijke omstandighedenlaten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een notaris zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden - en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht - sprake is, gelden zware motiveringseisen.
De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt, is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd, moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen. (HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418 en HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5615)
Ingevolge artikel 98 Sv Pro mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv Pro zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Het is eerst aan de verschoningsgerechtigde om zich bij de doorzoeking ter inbeslagneming uit te laten omtrent het verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de Ringvoorzitter (of diens vervanger), indien aanwezig, kan worden gevraagd.
Op grond van artikel 98, vijfde lid, Sv mogen, ook zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde, brieven of geschriften in beslag worden genomen die voorwerp van het strafbare feit uitmaken (corpora delicti) of tot het begaan daarvan hebben gediend (instrumenta delicti). Zulke brieven en geschriften vallen immers niet onder de geheimhoudingsplicht, en daarmee evenmin onder het verschoningsrecht.
De aard van bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften onder het verschoningsrecht vallen (en daarmee ook of deze stukken corpora/instrumenta delicti betreffen) in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voor een beroep op het verschoningsrecht is niet van belang of de in het geding zijnde informatie zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij diens cliënt bevindt (HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BJ9262).
Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Ringvoorzitter (of diens vervanger). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.
Wat als corpora/instrumenta delicti kunnen worden aangemerkt is een vraag die zich niet in het algemeen laat beantwoorden. Zij “
is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het inbeslaggenomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon tegen wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten.” De enkele omstandigheid dat het inbeslaggenomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding is in elk geval onvoldoende. (HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8)
Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan, ongeacht een gerechtvaardigd beroep op het verschoningsrecht, het belang van de waarheidsvinding meebrengen dat het verbod van artikel 98, eerste lid Sv, wordt geschonden. Het is dan in eerste instantie aan de rechter-commissaris om te oordelen of dergelijke brieven of geschriften in zodanig verband staan met de desbetreffende feiten dat zij kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De inbreuk op het verschoningsrecht mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid van dat feit. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beoordeling hiervan zijn de vraag of het gaat om een verdenking jegens de verschoningsgerechtigde, de aard en zwaarte van de delicten, de aard en omvang van de gegevens en de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen. (HR 30 november 1999, ECLl:NL:HR:1999:ZD7280).”
5.2
De rechtbank heeft de klaagschriften ongegrond verklaard en in dat verband overwogen:

7. De beoordeling
Anders dan door de raadslieden bepleit, stelt de rechtbank vast dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dit betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure wordt getreden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.
De eerder omschreven verdenking heeft betrekking op 409 transacties uitgevoerd in de periode vanaf 1 januari 2015, die door klagers niet als ongebruikelijke transacties zijn gemeld aan de FIU, maar waarvan het vermoeden is dat klagers deze wel hadden moeten melden. Bij deze transacties vallen met name op: verschillende ABC-transacties met groot onverklaarbaar prijsverschil, hypothecaire leningen met korte looptijd en tegen hoge rente en/of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden, alsmede de betrokkenheid bij deze transacties/leningen van personen met (naar algemeen bekend) criminele antecedenten en/of contacten. Acht van deze laatstgenoemde personen lijken eveneens (hoofdzakelijk) betrokken te zijn bij 350 transacties die, in een periode van 6 jaren ter waarde van tientallen miljoenen euro's, via de derdengeldenrekening van [klager 1] Notariaat zijn verricht.
Klagers hebben tot aan het opmaken van de processen-verbaal van verdenking slechts twee meldingen van ongebruikelijke transacties aan de FIU gedaan: op 4 januari 2014 en op 1 augustus 2017. De melding van 4 januari 2014 is door de FIU op 6 februari 2014 als verdacht verklaard. De melding van 1 augustus 2017 is niet verdacht verklaard door de FIU.
Tegen klagers bestaat derhalve een redelijk vermoeden van schuld aan zeer ernstige, concrete strafbare feiten, waarbij klagers worden vermoed misbruik te hebben gemaakt van de positie als uitoefenaar van het beroep van notaris. Klagers zijn dan ook als verdachten aangemerkt.
Indien de verdenkingen bewezen worden verklaard, is sprake van zeer ernstige delicten gepleegd in een lang tijdsbestek en betrekking hebbend op grote bedragen. Het verwijt is dat klagers dit bewust, structureel en over een langere periode hebben gedaan en de bijzondere positie van de notaris hebben misbruikt. Dit raakt zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris, dat bij bewezenverklaring het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, ernstig hierdoor zou worden geschaad.
Dat bij bewezenverklaring sprake is van zeer ernstige delicten volgt ook uit een waaier aan wet- en regelgeving die in deze van toepassing is. Buiten de Wwft kan gewezen worden op:
-
de algemene leidraad Wwft en Sanctiewetuitgegeven door het Ministerie van Financiën in 2011 met geactualiseerde versies in 2014 en 2020;
-
de specifieke leidraad Wwft voor de (kandidaat- of toegevoegd) notaris, uitgegeven door Bureau Financieel Toezicht (BFT) in 2014 met geactualiseerde versie in 2018;
-
bijlage 1, brochure met voorbeelden bij de subjectieve indicator, uitgegeven door BFT in 2014 met geactualiseerde versie in 2018;
-
checklist ABC-transacties, uitgegeven door vertrouwensnotarissen van de KNB in 2007.
-
red flags Misbruik Vastgoed, uitgegeven door het Financieel Expertise Centrum (FEC) in 2008 met geactualiseerde versie in 2010.
De in beslag genomen voorwerpen hebben betrekking op transacties die vanaf 1 januari 2015 bij klagers hebben plaatsgevonden. Het onderzoeksbelang vergt dat inzicht wordt verkregen in de verdachte transacties, waarbij het zeer aannemelijk is dat de bewijzen van die transacties zich onder klagers kunnen bevinden, derhalve voorwerpen die van het strafbare feit deel uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Vast staat dat de relevante gegevens van deze transacties niet op een andere wijze kunnen worden verkregen. Het is tevens niet aannemelijk dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen.
De rechtbank komt tot de conclusie dat in deze sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van [klager 1] / [klager 1] Notariaat - in verband met de (409) transacties waar de verdenking op ziet - rechtvaardigen. Deze zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen tevens de doorbreking van het verschoningsrecht van klager, voor wat betreft de onder 1.17 genoemde stukken, die onder verdachten in beslag zijn genomen. Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat nu het onderzoek nog loopt, het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank heeft geen betrekking op de inbeslaggenomen ‘inhoud shredder’ en de op de inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevensbestanden nu de rechter-commissaris blijkens het besluit van 9 juni 2022 de beslissing over het voortduren van dit beslag heeft aangehouden.
De klaagschriften van klagers zullen dan ook ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”

6.Het juridisch kader

6.1
Voor de beoordeling van de middelen stel ik het volgende voorop.
6.2
Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat hulpzoekenden zich vrij en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de betreffende beroepsbeoefenaren moeten kunnen wenden. [14] Dat betekent ook dat hetgeen in het contact tussen de hulpzoekende en de betreffende beroepsbeoefenaar op schrift is gesteld geheim moet kunnen worden gehouden. [15] Het verschoningsrecht van personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv Pro – zoals in dit geval een notaris – is geregeld in art. 98 Sv Pro.
6.3
Art. 98 Sv Pro luidt als volgt:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.
5. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
6. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort.”
6.4
Ingevolge art. 98 lid 1 Sv Pro mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv Pro zonder hun toestemming geen brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, in beslag worden genomen. In art. 98 lid 5 Sv Pro is bepaald dat brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend wel in beslag mogen worden genomen. De ratio hiervan is dat dergelijke stukken geen object van verschoning zijn en het verschoningsrecht daarop niet van toepassing kan zijn. [16] Op grond van art. 125i Sv is dit verschoningsrecht van overeenkomstige toepassing op gegevens die op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd. [17]
6.5
De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel over de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het is aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in samenspraak met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de geheimhouder behoort – dat is in het geval van notarissen de ringvoorzitter – om te beoordelen of dit standpunt juist is. [18]
6.6
De bescherming die art. 98 lid 1 en Pro lid 5 biedt is niet absoluut. Er kunnen zich “zeer uitzonderlijke omstandigheden” voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap van de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven de eerbiediging van het verschoningsrecht. In een dergelijk geval moeten het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden wijken voor het belang van strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het betreffende feit. Daarbij moet zorg worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de verschoningsgerechtigde dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de verschoningsgerechtigde wordt verdacht, onevenredig worden getroffen. [19] Het is in de eerste plaats aan de rechter-commissaris om te beoordelen of de betreffende stukken kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Ook deze beoordeling vindt bij voorkeur plaats in gezamenlijk overleg met een vooraanstaand lid van de desbetreffende beroepsgroep. [20]
6.7
De vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Dit kan onder meer het geval zijn als de verschoningsgerechtigde als verdachte wordt aangemerkt, zij het dat deze enkele omstandigheid niet toereikend is om het verschoningsrecht te doorbreken. Andere factoren die bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen, zijn de aard en zwaarte van de delicten waarop de verdenking betrekking heeft, de aard en omvang van de gegevens die voor het opsporingsonderzoek nodig zijn en de eventuele alternatieven om die gegevens te verkrijgen. [21]
6.8
Beslist de rechter-commissaris dat de inbeslagneming is toegestaan, dan wordt deze beslissing aan de betrokken verschoningsgerechtigde betekend, onder mededeling dat de verschoningsgerechtigde binnen veertien dagen tegen deze beslissing een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken of gegevens wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist (art. 98 lid 3 en Pro 4 Sv). [22]
6.9
Wanneer de rechtbank bij de behandeling van een op grond van art. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat de rechter-commissaris (nog) niet heeft beslist op het beroep op het verschoningsrecht, dient de rechtbank de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen, zodat deze op grond van art. 98 lid 2 Sv Pro kan beslissen of, en zo ja welk verschoningsgerechtigd materiaal zich bij het inbeslaggenomene bevindt en of kennisneming van het materiaal toelaatbaar is. [23]

7.Het eerste middel

7.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat de rechtbank het beklag voor zover het betrekking heeft op het beslag op de “inhoud van een shredder en op de inbeslaggenomen gegevens(dragers)” ten onrechte, althans op ontoereikende gronden ongegrond heeft verklaard en de behandeling van het beklag in zoverre had moeten aanhouden teneinde de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen en/of dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen op dit deel van het beklag.
7.2
De rechtbank heeft niet concreet vastgesteld welke stukken en gegevens(dragers) wanneer en waar in beslag zijn genomen. [24] Wel is door de rechtbank vastgesteld dat de klaagschriften zijn gericht tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris van 11 mei 2022, 9 juni 2022 en 21 juli 2022, waarbij het gaat om het beslag dat is gelegd tijdens de doorzoekingen in de woning van [klager 1] , in het kantoorpand van [klager 1] Notariaat en in het pand aan de [a-straat 1] . [25]
7.3
Uit de beschikking van 11 mei 2022 volgt dat de rechter-commissaris bij afzonderlijke beslissingen toestemming heeft gegeven voor doorzoekingen in het kantoorpand van [klager 1] Notariaat en de woning van [klager 1] en voorts dat sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ op grond waarvan het verschoningsrecht van de klagers en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsmogelijkheden moeten wijken ten behoeve van de waarheidsvinding. Tevens is bepaald dat eventueel beslag wordt ‘bevroren’, totdat definitief over de toelaatbaarheid van de voortduring daarvan is beslist. Dat betreft in wezen een tussenbeslissing inhoudende dat naar het voorlopig oordeel van de rechter-commissaris beslag gelegd kan worden op alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Wanneer vervolgens wordt overgegaan tot inbeslagneming en bezwaar wordt gemaakt door de verschoningsgerechtigde(n) zal de rechter-commissaris nog definitief moeten beslissen over de voortduring van het beslag.
7.4
In de beschikking van de rechter-commissaris van 9 juni 2022 is te lezen dat er op 17 mei 2022 bij de doorzoeking in de woning van [klager 1] een (1) enveloppe, (2) de inhoud van een shredder, (3) 15 USB-sticks en (4) 1 laptop HP in beslag zijn genomen. Op diezelfde dag zijn er in het kantoorpand van [klager 1] Notariaat een (5) iPhone en (6) 75 documenten in beslag genomen. Verder is op 18 mei 2022 (na vordering daartoe bij een ICT-bedrijf) een gegevensdrager met daarop (7) de volledige cloudomgeving van [klager 1] Notariaat in beslag genomen.
7.5
De beschikking van de rechter-commissaris van 21 juli 2022 vermeldt dat er op 10 juni 2022 (bij een spoeddoorzoeking) in het kantoorpand van Stichting [A] , gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] een drietal stukken in beslag is genomen; (1) een akte en overeenkomst, beiden verleden door notaris [klager 1] en behandelaar [betrokkene 1] , (2) een vaststellingsovereenkomst en (3) een ordner met stukken.
7.6
Gelet op het voorgaande, meer in het bijzonder de inhoud van voornoemde beschikkingen, moet er in cassatie van worden uitgegaan dat namens de klagers bij de rechtbank is geklaagd over de voortduring van het beslag dat rust op de hiervoor genoemde stukken en gegevensdragers. [26]
7.7
In het middel wordt geklaagd over (het ontbreken van) de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het beslag op de “inhoud van een shredder en op de inbeslaggenomen gegevens(dragers)”. Uit de toelichting op het middel leid ik af dat hiermee gedoeld wordt op de in de beschikking van de rechter-commissaris van 9 juni 2022 onder de nummers 2 tot en met 5 en 7 vermelde stukken en gegevensdragers die op 17 mei 2022 respectievelijk 18 mei 2022 met toestemming van de rechter-commissaris onder de klagers in beslag zijn genomen. [27] De rechter-commissaris heeft met betrekking tot deze stukken en gegevensdragers de beslissing over de voortduring van het beslag aangehouden omdat – kort gezegd – nader onderzoek nodig is voordat hierover een beslissing kan worden genomen.
7.8
De rechter-commissaris heeft dus op 9 juni 2022 nog geen definitieve beslissing genomen op het door de klagers gedane beroep op het verschoningsrecht als bedoeld in art. 98 lid 2 Sv Pro. Dat deze definitieve beslissing er ten tijde van de behandeling van het klaagschrift ook nog niet was, leid ik af uit het feit dat dit onderwerp van discussie is geweest in raadkamer. In de schriftelijke reactie van het openbaar ministerie van 12 oktober 2022 wordt de rechtbank verzocht om “waar mogelijk (haar) beslissing tevens te laten gelden voor de inhoud van de fysieke en digitale stukken met betrekking tot welke de RC de beslissing tot op heden heeft aangehouden”, [28] waarbij wordt opgemerkt dat het hier om de inhoud van de shredder en de op de inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevensbestanden gaat. In de pleitaantekeningen die in de raadkamer zijn overgelegd, wordt naar ik meen terecht benadrukt dat dit verzoek van de officier van justitie volgens vaste jurisprudentie niet mogelijk is; op grond van art. 98 lid 1 Sv Pro is het immers eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers.
7.9
De rechtbank heeft het beklag van de klagers ongegrond verklaard, zonder nadere aanduiding van stukken en/of gegevensdragers waar het beklag betrekking op heeft. Hieruit zou men kunnen afleiden dat – zoals door de steller van het middel primair is betoogd – de rechtbank daarbij het oog heeft gehad op alle stukken en gegevensdragers waarover wordt geklaagd, inclusief het deel waarover de rechter-commissaris blijkens de beschikking van 9 juni 2022 nog geen beslissing heeft genomen als bedoeld in art. 98 Sv Pro. Onder verwijzing naar diverse uitspraken van de Hoge Raad is in de toelichting op het middel aangevoerd dat de rechtbank het beklag in zoverre ten onrechte ongegrond heeft verklaard en de behandeling van het beklag – ook in zoverre - had moeten aanhouden en de stukken in handen van de rechter-commissaris had moeten stellen teneinde te beslissen op het verschoningsrecht.
7.1
Zo lees ik de beschikking echter niet nu de rechtbank expliciet in haar beschikking heeft overwogen dat het oordeel van de rechtbank “geen betrekking (heeft) op de inbeslaggenomen ‘inhoud shredder’ en op de inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevensbestanden nu de rechter-commissaris blijkens het besluit van 9 juni 2022 de beslissing over het voortduren van dit beslag heeft aangehouden”. Voor zover wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte, althans op ontoereikende gronden het beklag met betrekking tot – kort gezegd – de inhoud van de shredder en de opgeslagen bestanden op de gegevensdragers ongegrond heeft verklaard faalt het middel dan ook.
7.11
De rechtbank heeft zich kennelijk gerealiseerd dat zij over dit deel van het beklag (nog) geen oordeel kan geven, omdat eerst de rechter-commissaris aan zet is. Het had in de rede gelegen dat de rechtbank haar beslissing in zoverre zou hebben aangehouden, in afwachting van de beslissing van de rechter-commissaris over de voortduring van het beslag. Dat heeft de rechtbank echter niet gedaan. Subsidiair is door de steller van het middel aangevoerd dat dit verzuim tot nietigheid van de bestreden beschikking zou moeten leiden.
7.12
Bij de beoordeling of dit tot nietigheid van de beschikking moet leiden, is relevant of in cassatie wordt uiteengezet in welk belang de klager door het verzuim is geschaad. [29] In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot dit belang aangevoerd dat uit de beschikking van de rechter-commissaris van 9 juni 2022 volgt dat “de inbeslaggenomen gegevensdragers (…) reeds worden doorzocht”. Deze constatering is op zichzelf juist, maar ik zie niet in welk belang van de klagers hierdoor zou zijn geschaad. Integendeel; de rechter-commissaris heeft haar beslissing over de voortduring van het beslag met betrekking tot de inhoud van de shredder en de gegevensbestanden/dragers aangehouden omdat nader onderzoek nodig is voordat een definitieve beslissing kan worden genomen op het beroep van de klagers over het verschoningsrecht, meer in het bijzonder of in dit geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat dit verschoningsrecht mag worden doorbroken. In het geval van de inhoud van de shredder is in dat verband een NFI-deskundige benoemd met de opdracht om te onderzoeken of de snippers tot een leesbaar document zijn terug te brengen en met betrekking tot de gegevensdragers is in dit verband overwogen dat aan de hand van een zogenoemd filteronderzoek zal worden bekeken welke bestanden betrekking hebben op de transacties die onderdeel uitmaken van de verdenking tegen de klagers. Vooralsnog kan de officier van justitie dus geen gebruik maken van deze stukken en gegevens in het strafrechtelijk onderzoek tegen de klagers. Zodra de rechter-commissaris een definitieve beslissing hierover heeft genomen, kunnen de klagers (wederom) gebruik maken van de (versnelde) beklagprocedure ex art. 98 lid 3 en Pro 4 Sv in verbinding met art. 552a lid 8 Sv en 552d lid 3 Sv.
7.13
Gelet op het voorgaande meen ik dat bij de klacht over het verzuim van de rechtbank om te beslissen op het beklag over de inhoud van de shredder en de gegevensbestanden, [30] niet een zodanig belang in cassatie is gemoeid dat dit tot vernietiging van de bestreden beslissing zou moeten leiden.
7.14
Het eerste middel faalt.

8.Het tweede middel

8.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de rechtbank “(i) de jegens klagers gestelde verdenking ten onrechte slechts marginaal heeft getoetst, en; (ii) in het licht van hetgeen namens klagers is aangevoerd, op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat jegens klagers een redelijk vermoeden van schuld bestaat.”
8.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat “[a]nders dan door de raadslieden bepleit […] het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt.” De steller van het middel leidt hieruit af dat de rechtbank ten onrechte de door het openbaar ministerie opgevoerde verdenking slechts marginaal heeft getoetst en heeft verzuimd een zelfstandig oordeel te geven hierover.
8.3
In dit verband wordt gewezen op een beschikking van de Hoge Raad van 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, NJ 2007/300, waarin de rechtbank, in reactie op het beroep van een notaris op zijn geheimhoudingsplicht en zijn stelling dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden had overwogen dat zij “
In een procedure als de onderhavige[…]
slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag en het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering” toetst. [31] De Hoge Raad heeft met betrekking tot deze vooropstelling van de rechtbank overwogen dat, anders dan waarvan de rechtbank blijkens deze overweging lijkt uit te gaan, de rechter die moet oordelen of zich zodanig zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen “
niet mag volstaan met een marginale toetsing daarvan, doch zich daaromtrent aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer een eigen, zelfstandig, oordeel zal moeten vormen. [32]
8.4
Terecht wordt in de toelichting op het tweede middel gesteld dat, gelet op het voorgaande, de rechter “de verdenking” – en daarmee doelt de steller van het middel neem ik aan op de verdenking als omstandigheid bij de beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden – niet marginaal mag toetsen. [33] Uit de vaststelling van de rechtbank in onderhavige zaak dat “[a]nders dan door de raadslieden bepleit […] het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt,” zou zoals in de toelichting wordt betoogd wellicht kunnen worden afgeleid dat de rechtbank dit heeft miskend. Daar staat tegenover dat in dit verband niet duidelijk is wat de raadslieden precies hebben betoogd nu blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting in reactie op de stelling van de officier van justitie dat het vandaag om een marginale toets gaat, enkel is aangevoerd dat het geen marginale toets is en dat de Hoge Raad “heel streng is als het gaat om beslag bij geheimhouders”. Daar komt bij dat de enkele vaststelling dat het onderzoek in raadkamer bij de behandeling van een klaagschrift op grond van art. 552a Sv een summier karakter heeft op zichzelf juist is. [34]
8.5
In de verdere overwegingen van de rechtbank geeft zij er naar mijn mening ook blijk van dat zij niet heeft volstaan met een marginale toetsing met betrekking tot de beoordeling van de zeer uitzonderlijke omstandigheden. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot bovengenoemde beschikking van de Hoge Raad van 15 mei 2007, waarin de rechtbank niets had vastgesteld over de zeer uitzonderlijke omstandigheden en enkel had overwogen dat het belang van de waarheidsvinding aanwezig is, heeft de rechtbank in de onderhavige zaak die vaststellingen wel gedaan. De rechtbank heeft in dit verband uitgebreid stil gestaan bij de aard en ernst van de strafbare feiten waarvan de klagers worden verdacht en de aard en omvang van de gegevens. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder meegewogen dat de verdenking ziet op 409 verdachte transacties die door de klagers niet als ongebruikelijke transacties zijn gemeld aan de FIU, maar waarvan het vermoeden is dat de klagers deze wel hadden moeten melden. Verder heeft de rechtbank met betrekking tot deze transacties overwogen dat het gaat om verschillende zogenoemde ABC-transacties met groot onverklaarbaar prijsverschil, hypothecaire leningen met korte looptijd en tegen hoge rente en/of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden, terwijl bij deze transacties personen betrokken zijn die naar algemene bekendheid criminele antecedenten hebben. Acht van deze laatst genoemde personen lijken bemoeienis te hebben gehad met 350 transacties die in een periode van zes jaar ter waarde van tientallen miljoenen euro’s via de derdengeldenrekening van [klager 1] Notariaat zijn verricht. Met betrekking tot de ernst van de verdenking dat de klagers – kort gezegd – bewust, structureel en over een langere periode de bijzondere positie van de notaris hebben misbruikt, heeft de rechtbank benadrukt dat dit zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris raakt dat bij bewezenverklaring het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, hierdoor ernstig zou worden geschaad. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is – gelet op eerdergenoemd juridisch kader – naar mijn mening toereikend gemotiveerd, [35] ook in het licht van hetgeen namens de klagers in raadkamer is aangevoerd. Van een miskenning door de rechtbank van de toepasselijke maatstaf is derhalve naar mijn mening geenszins gebleken.
8.6
Het tweede middel faalt.

9.Het derde middel

9.1
Het derde middel bevat de klacht dat de rechtbank bij de beoordeling van het beklag niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt of sprake is van het leerstuk van kort gezegd de ‘corpora et instrumenta delicti’ en/of van de ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’, althans dat de rechtbank dit oordeel niet begrijpelijk heeft gemotiveerd door beide leerstukken met elkaar te verweven.
9.2
In de toelichting op het middel is uiteengezet dat de rechtbank onder het kopje “4. Toetsingsmaatstaven” beide leerstukken door elkaar heen bespreekt. In de randnummers 4.3 t/m 4.5 wordt ingegaan op de zeer uitzonderlijke omstandigheden (die kunnen maken dat het beroep op de waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht), vervolgens wordt in de randnummers 4.6 t/m 4.9 aandacht besteed aan de 'corpora et instrumenta delicti' (die in beginsel geen object van het verschoningsrecht uitmaken), om daarna in randnummer 4.10 weer aandacht te besteden aan de zeer uitzonderlijke omstandigheden. Onder het kopje “7. De beoordeling” wordt het er bij de concrete toepassing van beide leerstukken op onderhavige casus volgens de steller van het middel niet begrijpelijker op. In dit verband wordt gewezen op twee passages uit de beschikking die ik voor het (lees)gemak herhaal:
“De in beslag genomen voorwerpen hebben betrekking op transacties die vanaf 1 januari 2015 bij klagers hebben plaatsgevonden. Het onderzoeksbelang vergt dat inzicht wordt verkregen in de verdachte transacties, waarbij het zeer aannemelijk is dat de bewijzen van die transacties zich onder klagers kunnen bevinden, derhalve voorwerpen die van het strafbare feit deel uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Vast staat dat de relevante gegevens van deze transacties niet op een andere wijze kunnen worden verkregen. Het is tevens niet aannemelijk dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen.
De rechtbank komt tot de conclusie dat in deze sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van [klager 1] / [klager 1] Notariaat - in verband met de (409) transacties waar de verdenking op ziet - rechtvaardigen. Deze zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen tevens de doorbreking van het verschoningsrecht van klager, voor wat betreft de onder 1.17 genoemde stukken, die onder verdachten in beslag zijn genomen. Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat nu het onderzoek nog loopt, het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag.”
9.3
Hoewel de steller van het middel een punt heeft met betrekking tot de wijze waarop de rechtbank het toetsingskader inzake bedoelde leerstukken heeft geschetst, en de hiervoor genoemde overwegingen van de rechtbank, waarin toepassing wordt gegeven aan het vooropgestelde toetsingskader, de indruk wekken dat de rechtbank op twee gedachten hinkt, meen ik dat de rechtbank bij haar beoordeling voor het anker is gaan liggen van het regime van ‘de zeer uitzonderlijke omstandigheden’. De passage die gekoppeld kan worden aan de ‘corpora en instrumenta’ kan men als ten overvloede overwogen aanmerken. Dat betekent dat het middel in zoverre faalt.
9.4
De zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank gelegen in de (aard van) de verdenking jegens de klagers. Bij de bespreking van het tweede middel heb ik al aangegeven dat ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd vind. Voor zover in de toelichting op het derde middel in dit verband nog de stelling wordt ingenomen dat niet naleving van de meldplicht als bedoeld in art. 16 Wwft Pro behoort tot de lichtere categorieën strafbare feiten uit de ordeningswetgeving die doorgaans tuchtrechtelijk worden bestraft dan wel met een geldboete via het strafrechtelijk traject worden afgedaan zodat kort gezegd de verdenking van misbruik van de positie van notaris door de rechtbank te zwaar zou zijn aangezet, volg ik die opvatting niet. Nog daargelaten dat deze stelling niet eerder bij de rechtbank is ingenomen zodat deze niet voor het eerst in cassatie naar voren kan worden gebracht meen ik dat de aard van de verdenking in de onderhavige zaak, te weten het bewust, structureel en over een langere periode de bijzondere positie van de notaris misbruiken terwijl daar grote bedragen mee gemoeid zijn – los van de hoogte van de strafbedreiging – wel degelijk als een ernstig feit kan worden aangemerkt. Overigens wijst de rechtbank in dit verband naast de regelgeving van de Wwft ook op diverse andere wet- en regelgeving. Bovendien wordt miskend dat de klagers ook worden verdacht van witwassen – een misdrijf dat in verschillende varianten wordt bedreigd met forse gevangenisstraffen – dat door de rechtbank – anders dan in de toelichting wordt gesteld – wel degelijk bij haar beoordeling is betrokken, namelijk in die zin dat de verdenking bestaat dat de klagers betrokken zijn bij verschillende ABC-transacties met groot onverklaarbaar prijsverschil, hypothecaire leningen met korte looptijd en tegen hoge rente en/of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden, alsmede de betrokkenheid bij deze transacties/leningen van personen met (naar algemeen bekend) criminele antecedenten en/of contacten.
9.5
Over het in de toelichting op het derde middel ingenomen standpunt van de steller van het middel dat de rechtbank niets, althans onvoldoende zou hebben overwogen over de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag nog het volgende.
9.6
Met betrekking tot de proportionaliteit wordt gesteld dat de rechtbank uit het oog is verloren dat de volledige cloudomgeving van het notariskantoor in beslag is genomen alsmede een grote hoeveelheid fysieke dossiers waardoor de belangen van de cliënten van de klagers onevenredig worden geschaad. De steller van het middel miskent hierbij echter dat de beschikking van de rechtbank (zoals besproken bij het eerste middel) niet ziet op deze stukken en gegevens. De rechter-commissaris heeft haar beslissing ten aanzien van dit deel van het beslag aangehouden, juist omdat het om zo’n grote hoeveelheid gaat, waarbij eerst moet worden gefilterd welke delen zien op de verdenking tegen de klagers. Het oordeel van de rechtbank ziet op een relatief beperkt deel van hetgeen in beslag is genomen. De rechtbank is kennelijk van oordeel dat het beslag in zoverre niet disproportioneel is. Wat de subsidiariteit van het beslag betreft, heeft de rechtbank overwogen dat “(v)aststaat dat de relevante gegevens van deze transacties niet op een andere wijze kunnen worden verkregen” en dat het “tevens niet aannemelijk (is) dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kan komen.” Ook dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk gelet op de aard van de stukken en gegevens en het feit dat deze zich onder geheimhouders bevinden.

10.De conclusie

10.1
De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
10.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
10.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In deze beschikking is beslist op in totaal vier klaagschriften, ieder voorzien van een eigen raadkamernummer: raadkamernummers 22-013045 en 22-017173 ( [klager 1] ) en raadkamernummers 22-013051 en 22-017171 ( [klager 2] B.V., h.o.d.n. [klager 1] Notariaat).
2.Volgens de cassatieakte is het beroep onbeperkt ingesteld. Uit de schriftuur blijkt echter dat het cassatieberoep zich niet richt tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 21 juli 2022 die ziet op de in de strafzaak tegen [betrokkene 1] verrichte spoedddoorzoeking in het kantoorpand van Stichting [A] , gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , zie onder randnummer 2.8.
3.De beschikking van de rechter-commissaris van 11 mei 2022 is als bijlage 1 gevoegd bij de klaagschriften d.d. 22 juni 2022 en als bijlage 11 bij het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie d.d. 12 oktober 2022.
4.De beschikking van de rechter-commissaris van 9 juni 2022 is als bijlage 4 gevoegd bij de klaagschriften d.d. 22 juni 2022 en als bijlage 17 bij het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie d.d. 12 oktober 2022.
5.Op 19 mei 2022 is in de strafzaak tegen [betrokkene 1] zijn woning doorzocht, waarbij voorwerpen in beslag zijn genomen. De klaagschriften van de klagers zien niet op deze inbeslagneming.
6.Het gaat om (1) een akte en een overeenkomst, beiden verleden door notaris [klager 1] en behandelaar [betrokkene 1] , (2) een ordner met stukken en (3) een vaststellingsovereenkomst.
7.De beschikking van de rechter-commissaris van 21 juli 2022 is als bijlage 18 bij het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie d.d. 12 oktober 2022 gevoegd.
8.Het voortduren van het beslag is toegestaan met betrekking tot de in voetnoot 6 genoemde stukken onder (1) en (3). Met betrekking tot de onder (2) genoemde ordner is de teruggave daarvan gelast.
9.Volgens de datumstempel op de klaagschriften zijn deze bij de griffie ontvangen op 22 juni 2022. De zaken zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de raadkamernummers 22-013045 ( [klager 1] ) en 22-013051 ( [klager 2] B.V., h.o.d.n. [klager 1] Notariaat). Ook in de beschikking wordt deze datum genoemd. De akte inlevering klaagschrift in de zaak 22-013045 dateert van 23 juni 2022 (met vermelding van parketnummer 13.031
10.Volgens de datumstempel op de klaagschriften zijn zij bij de griffie ontvangen op 4 augustus 2022. De zaken zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de raadkamernummers 22-017173 ( [klager 1] ) en 22-017171 ( [klager 2] B.V., h.o.d.n. [klager 1] Notariaat). Ook in de beschikking wordt deze datum genoemd. De akte inlevering klaagschrift in beide zaken dateert van 9 augustus 2022.
11.De beschikking van de rechter-commissaris is als bijlage 1 gevoegd bij de klaagschriften d.d. 22 juni 2022 en als bijlage 11 bij het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie d.d. 12 oktober 2022.
12.De beschikking van de rechter-commissaris is als bijlage 4 gevoegd bij de klaagschriften d.d. 22 juni 2022 en als bijlage 17 bij het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie d.d. 12 oktober 2022.
13.AG: Dit is in strijd met art. 98 lid 3 Sv Pro waarin is bepaald dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist. Hier wordt echter niet over geklaagd. Vgl. ook Conclusie AG Spronken randnummer 9.5 voorafgaand aan HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, waarbij het ging om het beslag op een iPad en notitieblokken tijdens het bezoek van een advocaat aan zijn cliënt in de EBI te Vught.
14.HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9693, NJ 1994/552 m.nt. A.C. ’t Hart, rov. 4.5 (m.b.t. een advocaat). Zie in algemene zin G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 147-148 en 575.
15.G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 575.
16.Hoendervoogt/Lambertina, in: Tekst en Commentaar Strafvordering, art. 98 Sv Pro, aant. 5 onder b (online, bijgewerkt t/m 1 januari 2023).
17.Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537, NJ 2017/43 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 3.5.1-3.5.2; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, NBSTRAF 2018/350, m. nt. V.J.C. de Bruijn, rov. 4.2.2.
18.Zie o.a. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714, NJ 2016/140 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 3.5.3; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 579.
19.HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280, NJ 2002/438 m.nt. Y. Buruma, rov. 5.2.3; HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, rov. 4.4.
20.G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 579 en 583-584.
21.G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 577
22.De zogenoemde versnelde beklagprocedure voor verschoningsgerechtigden ex art. 98 lid 3 en Pro 4 Sv in verbinding met art. 552a lid 8 Sv en 552d lid 3 Sv is dan van toepassing.
23.HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, NBSTRAF 2018/350 m.nt. V.J.C. de Bruijn, rov. 4.3; HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553, NJ 2018/435 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.2; HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, rov. 4.6.
24.De rechtbank heeft onder het kopje “1. Procesgang” vastgesteld dat er op 17 mei 2022 doorzoekingen hebben plaatsgevonden in het kantoorpand van [klager 1] Notariaat en in de woning van [klager 1] waarbij “voorwerpen” in beslag zijn genomen. Ook wordt vermeld dat op 19 mei 2022 bij een doorzoeking in de woning van medeverdachte [betrokkene 1] “voorwerpen” in beslag zijn genomen en dat er op 10 juni 2022 een spoeddoorzoeking heeft plaatsgevonden in het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] waarbij “geschriften” in beslag zijn genomen.
25.Zie de bestreden beschikking onder 1.15
26.De bestreden beschikking maakt onder 1.10 ook melding van een doorzoeking van de woning van medeverdachte [betrokkene 1] die heeft plaatsgevonden op 19 mei 2022. Daarbij zijn ook voorwerpen in beslag genomen. De klaagschriften van de klagers zien echter niet op deze inbeslagneming en de rechtbank gaat er blijkens haar overwegingen (zie onder randnummer 9.2) kennelijk van uit dat het beklag daar geen betrekking op heeft.
27.Zie onder randnummer 3.2 en 9.4.
28.Schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie d.d. 12 oktober 2022 onder het kopje “7. Conclusie”.
29.Vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0539, rov. 3.3. en HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2129, rov. 3.4.
30.Te weten de in de beschikking van de rechter-commissaris van 9 juni 2022 onder de nummers 2 tot en met 5 en 7 vermelde stukken en gegevensdragers die op 17 mei 2022 respectievelijk 18 mei 2022 met toestemming van de rechter-commissaris onder de klagers in beslag zijn genomen.
31.HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, NJ 2007/300, rov. 5.2.
32.HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, NJ 2007/300, rov. 5.4.3.
33.Vgl. ook A-G Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491.
34.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.2; HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rov. 2.3.2.
35.Vgl ook: HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5611; HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7817, NJ 2008/630 m.nt. J. Legemaate.