Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
de auto), gehuurd van [eiser] . [verweerder] heeft daarvoor ook een waarborgsom van € 1.000,- gestort bij [eiser] . De auto was bestemd als ‘trouwauto’ voor het huwelijk van [verweerder] dat diezelfde dag plaats zou vinden.
Staat van het voertuig
Artikel 5 - Betaling:
service advisorbij Lamborghini-dealer Pon Luxury Cars B.V. aan [eiser] geschreven dat het motorblok van de auto beschadigd was en dat de kosten voor een nieuw motorblok € 31.500,- ex BTW en montage bedroegen.
3.Procesverloop
.[verweerder] heeft, samengevat, veroordeling van [eiser] tot terugbetaling van de waarborgsom van € 1.000,- gevorderd.
tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt (1) dat [verweerder] op 9 april [2017] [4] is doorgereden met de auto, terwijl [verweerder] als gevolg van een melding op het dashboard heeft geconstateerd dat de auto defect was, althans dat de auto zonder olie zat, de auto vervolgens te heet is geworden en dat de schade als gevolg daarvan is ontstaan, en (2) dat de schade aan de auto op 9 april [2017] is ontstaan doordat [verweerder] opzettelijk veelvuldig gas heeft gegeven terwijl de koppeling van de auto zich in een neutrale stand bevond en de auto daardoor te heet is geworden.”
het hof)
.[verweerder] heeft geconcludeerd tot vernietiging van die vonnissen, toewijzing van zijn vordering in conventie en afwijzing van de vordering van [eiser] in reconventie. [eiser] heeft verweer gevoerd.
het arrest). Ik vat samen de rechtsoverwegingen die in cassatie nog van belang zijn.
voldoende gedetailleerd, consistent en duidelijk” aanmerkt, heeft [verweerder] het door [eiser] bijgebrachte bewijs voldoende ontzenuwd (rov. 21).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat het hof het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW Pro heeft miskend.
Onderdeel 2houdt in dat het hof ook de hoofdregel van art. 150 Rv Pro heeft miskend.
Onderdeel 3bevat een voortbouwklacht.
tijdensde huurtijd is ontstaan. Indien een beschrijving van het gehuurde is opgemaakt zal de verhuurder op grond van art. 7:224 lid 2 BW Pro slechts nog hoeven te stellen, en bij betwisting moeten bewijzen, dat de staat bij het einde van de huurtijd een andere is dan in de beschrijving is vastgelegd. Slaagt de verhuurder daarin, dan geniet de verhuurder het voordeel van het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW Pro dat de schade is ontstaan als gevolg van een tekortschieten van de huurder. Dát vermoeden kan dan weer worden weerlegd door de huurder door aan te tonen dat de schade
nietdoor diens tekortschieten is ontstaan.
tijdensde huurtijd heeft voorgedaan. Slaagt de verhuurder daar niet in, dan heeft de verhuurder ook niet het voordeel van het vermoeden van art. 7:218 lid 2 BW Pro. Slaagt de verhuurder er wél in aan te tonen dat de schade tijdens de huurtijd is ontstaan, dan kan hij zich weer beroepen op het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW Pro. [14]
een tekortkomingvan de huurder ten grondslag lag aan het ontstaan van de schade tijdens de huur.
door een tekortschieten van de huurder. Anders gezegd: het creëert een vermoeden dat de schade te herleiden is naar een toerekenbare tekortkoming van de huurder, en niet (slechts) dat er een causaal verband is tussen het tekortschieten van de huurder en de schade. Dit vindt bevestiging in de door Wissink aangehaalde literatuur en feitenrechtspraak, en overigens ook in art. 7:352 BW Pro waarin een overeenstemmend bewijsvermoeden voor pacht is opgenomen. Ook wijst Wissink erop dat het bewijsvermoeden van weinig praktische betekenis zou zijn als het alleen ziet op het causaal verband tussen de tekortkoming en de schade. Moeilijk denkbaar is het geval dat de verhuurder bewijst – of daar überhaupt moeite voor zal doen – dat de huurder tekort is geschoten, maar dat die tekortkoming niet de oorzaak van de schade is.
verhuurdergehouden is om op zijn kosten bepaalde gebreken te verhelpen. Dit argument overtuigt echter niet nu de regeling van art. 7:204 e.v. BW ziet op het verhelpen van een ‘gebrek’ dat ingevolge art. 7:204 lid 2 BW Pro gedefinieerd is als “(…)
een staat of eigenschap van de zaak of een andereniet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid(…)” (mijn onderstreping). De verhuurder is op grond van art. 7:206 lid 2 BW Pro niet verplicht tot het verhelpen van gebreken indien de huurder voor het ontstaan daarvan jegens de verhuurder aansprakelijk is, onder meer in verband met art. 7:218 BW Pro. [17] Bovendien berust de vordering van [eiser] erop dat de schade is ontstaan als gevolg van een toerekenbaar tekortschieten van [verweerder] , en niet (slechts) bestaat uit of het gevolg is van een gebrek.
nietde rechtsgevolgen van art. 7:224 lid 2 BW Pro aan – namelijk dat de auto wordt vermoed bij aanvang van de huurtijd in de staat te hebben verkeerd zoals deze was aan het einde van de huurtijd, dus in
beschadigdestaat –, maar oordeelt dat het ervoor moet worden gehouden dat de auto in een
deugdelijkestaat verkeerde toen [verweerder] met de auto het bedrijfspand verliet. Dit lijkt mij in het licht van art. 7:224 lid 2 BW Pro onjuist.
[verweerder]in de gelegenheid te stellen dat vermoeden te ontzenuwen. De kantonrechter miskent dit en oordeelt in rov. 4.7 dat “
[n]u [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen – het vergoeden van de schade – van artikel 6:74 lid 1 BW Pro, (…) het aan [eiser] [is] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat [verweerder] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst.”
vaststaat dat de auto in een deugdelijke staat verkeerde bij het sluiten van de huurovereenkomst”. De zinsnede “
althans van het bestaan van een defect aan de auto niet heeft kunnen weten” verderop in die overweging suggereert echter eerder het laatste. Wat daar ook van zij, het arrest kan mijns inziens in ieder geval niet zo worden uitgelegd dat volgens het hof vaststaat dat de auto in beschadigde toestand verkeerde bij aanvang van de huur (daargelaten of de gedingstukken dat oordeel zouden kunnen dragen). [19]
voldoende hebben ontzenuwd. Er blijkt niet uit dat het hof ervan is overtuigd dat de schade in het geheel niet door [verweerder] is veroorzaakt. Indien het hof het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW Pro zou hebben toegepast, dan diende het hof ervan uit te gaan dat, behoudens tegenbewijs, vaststond dát de schade het gevolg was van een tekortschieten van [verweerder] . Dat vermoeden
kandoor [verweerder] worden ontzenuwd, maar er kan nu niet van worden uitgegaan dat dit vermoeden reeds door [verweerder]
isontzenuwd met de door hem bijgebrachte bewijsmiddelen. Met het ontzenuwen van de stellingen waar [eiser] zich op beriep, is namelijk niet weerlegd dat de schade in brede zin aan een tekortkoming van [verweerder] is te wijten. Dat is een veel breder uitgangspunt dan het verwijt dat hij te lang is doorgereden en is gaan ‘revven’. De schade zou immers ook door andere gedragingen van [verweerder] kunnen zijn ontstaan. Daarom kan er niet van worden uitgegaan dat het wettelijk bewijsvermoeden is weerlegd.
[r]estitutie van de waarborgsom, onder aftrek van o.a. kilometervergoeding, brandstofkosten, boetes en andere voorkomende en aantoonbare kosten,(…)
plaats binnen 7 dagen na beëindiging van de reservering.” [verweerder] dient ter staving van zijn vordering tot terugbetaling van de waarborgsom slechts te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat zeven dagen zijn verstreken na beëindiging van de reservering. Tot de stelplicht en bewijslast van [verweerder] behoort niet dat er geen bedragen zijn die in aftrek komen op de waarborgsom. Dat [eiser] niet is gehouden tot restitutie van de waarborgsom omdat daarop bedragen in aftrek mogen komen (lees: met de waarborgsom mogen worden verrekend) is een bevrijdend verweer van [eiser] . De bewijslast en het bewijsrisico voor de feiten en omstandigheden die dat kunnen dragen rusten op [eiser] .
.