Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Jurisdictional Immunities of the State [3] , waarin het ging om een civiele vordering tegen een vreemde staat, maakt duidelijk dat zelfs als vaststaat dat oorlogsmisdaden zijn gepleegd, er geen uitzondering geldt op de immuniteit van jurisdictie van de aangesproken staat, en dat dit niet anders wordt door een beroep op
jus cogensof op het ontbreken van een alternatieve rechtsgang. Net als in het arrest inzake
Jurisdictional Immunitiesgaat het in deze zaak om (gestelde) oorlogsmisdrijven en is niet in geschil dat sprake is van handelingen
jure imperii. De vraag is of de regels die het IGH in zijn arrest heeft gegeven, van toepassing zijn op een civiele vordering tegen functionarissen van de vreemde staat (rov. 3.4).
ratione materiae) als regel van internationaal gewoonterecht op zichzelf niet omstreden is. Deze immuniteit is er niet ten behoeve van deze functionarissen, maar ten behoeve van de staat die zij vertegenwoordigen en is dus een afgeleide van de immuniteit van de staat zelf (rov. 3.6). De ratio achter functionele immuniteit is dezelfde als achter de immuniteit van de staat zelf, namelijk dat de rechter van de ene staat niet behoort te oordelen over het optreden van een andere staat. Tegen deze achtergrond valt moeilijk in te zien waarom voor functionarissen wél een uitzondering op de immuniteit bij jurisdictie zou gelden bij oorlogsmisdrijven, terwijl zo’n uitzondering voor de staat niet geldt. Het hof heeft overwogen dat, hoewel de Staat Israël geen partij is in dit geding, zijn belangen indirect wel degelijk in het geding zijn en dat het dan ook niet voor de hand ligt dat verschil zou moeten worden gemaakt tussen immuniteit van jurisdictie van de Staat Israël enerzijds en van [verweerders] anderzijds (rov. 3.7). Het hof heeft erop gewezen dat zo’n verschil ook niet wordt ondersteund door nationale en internationale rechtspraak, waaronder de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (rov 3.8). Deze lijn is ook te zien in de rechtspraak van het Verenigd Koninkrijk, Nieuw-Zeeland, Canada en de Verenigde Staten (rov. 3.9-3.11).
Jurisdictional Immunitiesspeelt de vraag of de eiser een alternatief rechtsmiddel ter beschikking staat geen rol bij de vraag of een staat immuniteit van jurisdictie geniet en niet valt in te zien waarom dat voor functionele immuniteit anders zou moeten zijn. Het EHRM heeft evenmin belang toegekend aan de vraag of een alternatieve rechtsgang openstond. Daarbij komt dat de stelling van [eiser] dat een alternatieve rechtsgang ontbreekt omdat hem in Israël geen eerlijk proces wacht, noodzakelijkerwijs een beoordeling zou vergen van het rechtssysteem van de Staat Israël. De strekking van de immuniteit van een vreemde staat is echter dat het niet aan de rechter van het forum is daarover een oordeel te geven (rov. 3.22).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
ratione materiae, wordt verstaan de immuniteit die overheidsfunctionarissen genieten in verband met de gedragingen die zij in een officiële hoedanigheid verrichten. Functionele immuniteit heeft dus alleen betrekking op overheidshandelingen en onderscheidt zich daarin van persoonlijke immuniteit (immuniteit
ratione personae), die verbonden is met de positie van de ambtsdrager, zoals een regeringsleider of een staatshoofd, en die geldt voor alle handelingen, inclusief privégedragingen.
par in parem non habet imperium, op grond waarvan het handelen van een staat in beginsel niet aan de rechtsmacht van een andere staat kan worden onderworpen. De Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken heeft in haar Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht (hierna: CAVV-advies 2011), het volgende opgemerkt:
jus cogens). Zowel het IGH als het EHRM hebben zich over deze vraag uitgelaten.
Jurisdictional Immunitiesheeft betrekking op de reikwijdte van
staatsimmuniteitin verband met internationale misdrijven. In deze zaak ging het onder meer om de vraag of Italiaanse rechters de immuniteit van Duitsland hadden moeten respecteren in de bij hen aanhangig gemaakte civiele procedures, waarin van Duitsland vergoeding werd gevorderd van schade als gevolg van schendingen van het internationale humanitaire recht door Duitse troepen in de Tweede Wereldoorlog. Het IGH heeft overwogen:
jus cogensen de regels betreffende staatsimmuniteit:
jus cogens. [5]
jus cogens. In het door het EHRM in 2001 gewezen arrest inzake
Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk [6] , dat ook door het IGH is aangehaald in het arrest inzake
Jurisdictional Immunities [7] , was de vraag aan de orde of het Verenigd Koninkrijk het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM Pro, had geschonden door de immuniteit van de Staat Saudi-Arabië te respecteren waar het daden van foltering betrof. Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut, maar een beperking van dit recht moet strekken tot een legitiem doel en moet proportioneel zijn ten opzichte van dat doel (de proportionaliteitstoets). Volgens het EHRM strekt het toekennen van staatsimmuniteit van jurisdictie tot een legitiem doel:
par in parem non habet imperium, by virtue of which one State shall not be subject to the jurisdiction of another State. The Court considers that the grant of sovereign immunity to a State in civil proceedings pursues the legitimate aim of complying with international law to promote comity and good relations between States through the respect of another State’s sovereignty.’
Stichting Mothers of Srebrenica e.a./Nederland [9] heeft het EHRM de vraag beantwoord of de Verenigde Naties (VN) een beroep kunnen doen op immuniteit van jurisdictie in geval van een gestelde schending van een norm van
jus cogens. In de zaak die aan dit arrest ten grondslag heeft gelegen, heeft de Hoge Raad beslist dat de VN immuniteit toekomt, onder verwijzing naar de overwegingen van het IGH in
Jurisdictional Immunitiesten aanzien van staatsimmuniteit:
jus cogens, was aan de orde in de zaak die heeft geleid tot het arrest
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk. [12] In dit arrest uit 2014 bouwt het EHRM voort op
Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk. In de civiele procedure die ten grondslag lag aan het arrest inzake
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkwaren vorderingen ingediend tegen zowel de Staat Saudi-Arabië als Saudische overheidsfunctionarissen. Saudi-Arabië heeft een beroep gedaan op staatsimmuniteit en op functionele immuniteit. Over het beroep op staatsimmuniteit heeft het EHRM overwogen dat geen sprake was van schending van art. 6 lid 1 EVRM Pro en dat het, gezien het arrest van het IGH inzake
Jurisdictional Immunities, waarin het IGH de stand van het internationaal gewoonterecht betreffende staatsimmuniteit in 2012 heeft beschreven, niet nodig is om in het kader van de proportionaliteitstoets te onderzoeken of zich ontwikkelingen hebben voorgedaan in het internationaal gewoonterecht. [13]
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkvooropgesteld dat de immuniteit die wordt toegekend aan de functionarissen van een staat ook staatsimmuniteit betreft en een legitiem doel heeft. [14] In het kader van de proportionaliteitstoets heeft het EHRM onderzocht of sprake is van (i) een algemene regel van internationaal gewoonterecht waaruit volgt dat de nationale rechter het beroep van een staat op immuniteit in relatie tot diens overheidsfunctionarissen moet honoreren en (ii) een bijzondere regel of uitzondering op voornoemde algemene regel met betrekking tot foltering. De eerste vraag heeft het EHRM bevestigend beantwoord. Volgens het EHRM is het uitgangspunt dat voor de gedragingen van overheidsfunctionarissen functionele immuniteit geldt. Zou dat anders zijn, dan zou staatsimmuniteit steeds kunnen worden omzeild door de desbetreffende functionarissen te dagen. Het EHRM heeft in dit verband ook gewezen op het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen [15] (hierna: VN-Verdrag), dat nog niet in werking is getreden, maar dat in de Nederlandse rechtspraak grotendeels wordt beschouwd als een weergave van het internationaal gewoonterecht. [16] In art. 2 lid Pro 1, aanhef en onder b, VN-Verdrag wordt het begrip ‘State’ als volgt gedefinieerd:
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkverwezen naar een reeks van rechterlijke uitspraken uit verschillende landen en hieruit geconcludeerd dat de zienswijze dat handelingen van overheidsambtenaren in de uitoefening van hun functie in het kader van staatsimmuniteit moeten worden toegerekend aan de staat namens welke zij handelen, ook breed gedragen wordt in de nationale en internationale rechtspraak. [19]
jus cogens, heeft het EHRM vooropgesteld dat functionele immuniteit slechts betrekking heeft op handelingen ter uitoefening van soevereine bevoegdheden van de staat. De omstandigheid dat er geen algemene
jus cogens-uitzondering is aanvaard voor staatsimmuniteit, is volgens het EHRM daarom niet beslissend in relatie tot een vordering tegen de desbetreffende overheidsfunctionaris. [20] Het EHRM doelt hier op de kwestie of het plegen van een internationaal misdrijf (in casu foltering) kan worden beschouwd als handelen in de uitoefening van een officiële functie.
Draft Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Actsvan de
International Law Commission, heeft het EHRM geconcludeerd dat uit het merendeel van de bronnen volgt dat het recht van een staat op immuniteit niet omzeild mag worden door een civiele procedure te beginnen tegen de functionarissen van die staat, ook waar de vorderingen betrekking hebben op daden van foltering:
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkgekozen voor een terughoudende opstelling, waarbij het de verdragsstaten heeft opgedragen om de kwestie, gezien de verwachte ontwikkelingen, nauwlettend in de gaten houden. [22] In zijn annotatie onder het arrest heeft Alkema gesteld dat de behoudende lijn die door het EHRM is gekozen, verdedigbaar is gezien de taakverdeling tussen rechters van verschillende staten. Alkema schrijft:
human rights exception, waarbij geen immuniteit wordt aangenomen in geval van een schending van
jus cogens, ‘sympathiek maar nog lang niet rijp’. Ik ben van mening dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat dit anders is naar de huidige stand van het internationaal gewoonterecht. [24] Uit de analyse die het hof in het bestreden arrest heeft gemaakt van nationale en internationale rechtspraak over dit onderwerp (rov. 3.8-3.15) volgt dat in het merendeel van de uitspraken immuniteit van jurisdictie in een civiele procedure wordt toegekend ook in het geval van een gestelde schending van
jus cogens. Ik wijs ook op het arrest inzake
J.C. e.a./Belgiëvan 12 oktober 2021 [25] , waarin het EHRM heeft overwogen dat de verzoekers in die zaak geen bewijs hebben aangevoerd waaruit blijkt dat het internationale recht zich sinds 2012 (het jaar waarin het IGH het arrest inzake
Jurisdictional Immunitiesheeft gewezen) zodanig heeft ontwikkeld dat de vaststellingen van het EHRM over het internationaal gewoonterecht in onder andere het arrest inzake
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkniet langer zouden gelden. [26]
Onderdeel 1.2bouwt op het voorgaande voort met het betoog dat het hof met zijn rechtsopvatting eveneens een holistische benadering heeft miskend voor de vinding en vorming van het recht en voor de vraag die werkelijk aan de rechter voorligt. In dit geval gaat het om oorlogsmisdrijven waarvoor [eiser] bij geen enkele instantie genoegdoening kan krijgen, aldus het onderdeel.
international custom, as evidence of a general practice accepted as law’. Voor de identificatie van internationaal gewoonterecht wordt gebruik gemaakt van een zogenoemde ‘two-elements approach’, waarbij aan twee voorwaarden wordt getoetst: algemene statenpraktijk en rechtsovertuiging (
opinio juris). [28]
extensive’) als vrijwel uniform (‘
virtually uniform’) is. [30] In zijn arrest inzake
Nicaragua v. United States of America [31] heeft het IGH overwogen:
opinio jurisin kaart heeft gebracht met het doel zich van de actuele stand van het internationaal gewoonterecht te vergewissen. [32] Het hof heeft op basis van deze bronnen geconcludeerd dat sprake is van een van duidelijke regel van internationaal gewoonterecht op grond waarvan [verweerders] functionele immuniteit van jurisdictie genieten in civiele procedures (rov. 3.22) en dat hierop geen uitzondering dient te worden gemaakt vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten (rov. 3.23). De stelling dat het hof zijn eigen rol in de vorming van het internationaal gewoonterecht heeft miskend, is daarmee ook onjuist. Een regel van internationaal gewoonterecht is bindend voor
allestaten en hun organen (waaronder de gerechten), tenzij de staat gedurende de consolidatie van de gewoonte hiertegen aanhoudend bezwaar heeft gemaakt. In dit verband kan worden gewezen op het antwoord dat de regering heeft gegeven op een vraag van de CDA-fractie in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het VN-Verdrag. De CDA-fractie heeft gevraagd in hoeverre het VN-Verdrag het gewoonterecht weergeeft, waarop de regering heeft geantwoord:
Jurisdictional Immunities. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen (2.1 t/m 2.4).
Jurisdictional Immunities, waarin het ging om civiele vorderingen tegen een staat, tot uitgangspunt genomen en daarmee een te beperkt toetsingskader gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van functionele immuniteit (geldend voor individuen). Daardoor zijn ook diens (andere) overwegingen over de uitleg van het internationaal gewoonterecht onjuist, aldus het onderdeel.
jus cogensinhoudt en dat deze normen voorrang hebben op andere normen van internationaal recht, inclusief de regels over immuniteit. De CAVV wijst deze benadering af, omdat hierin het verschil tussen het materiële karakter van
jus cogensen het procedurele karakter van regels van immuniteit wordt veronachtzaamd. De CAVV kiest voor de derde benadering die inhoudt dat een beroep op functionele immuniteit faalt, omdat het een beschuldiging betreft van het plegen van internationale misdrijven. De CAVV stelt:
bestraffingvan internationale misdrijven. De bronnen waarin de CAVV steun vindt voor de door haar gekozen benadering zijn voor het overgrote deel strafrechtelijk van aard. Wat betreft civiele vorderingen van schadevergoeding verwijst de CAVV naar een zeer beperkt aantal bronnen. In art. 14 van Pro het Verdrag tegen foltering [37] staat dat staten die partij zijn bij dat verdrag moeten waarborgen dat een slachtoffer van foltering genoegdoening krijgt en een rechtens afdwingbaar recht heeft op schadevergoeding. De CAVV wijst erop dat deze verplichting alleen betrekking heeft op de staat op wiens grondgebied foltering heeft plaatsgevonden. Voorts noemt de CAVV het Verdrag inzake bescherming tegen gedwongen verdwijningen [38] , waarin wordt voorzien in de waarborg van schadeloosstelling voor slachtoffers van gedwongen verdwijningen. [39]
Jurisdictional Immunitiesen vóór het arrest van het EHRM inzake
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk. Naar mijn mening heeft Nederland naar de huidige stand van het internationaal gewoonterecht in civiele procedures geen ruimte om te kiezen voor de door de CAVV voorgestelde benadering. Zoals hierboven is opgemerkt, zijn de statenpraktijk en de
opinio jurisvoldoende consistent om aan te nemen dat het internationaal gewoonterecht géén uitzondering toestaat op de functionele immuniteit van jurisdictie in civiele procedures in geval van (gestelde) schendingen van
jus cogens. Nederland is hieraan gebonden.
Jurisdictional Immunities, waarin het IGH inzake staatsimmuniteit geen uitzondering heeft erkend voor schendingen van
jus cogens, maar vervolgens heeft het hof onderzocht of datzelfde geldt voor functionele immuniteit. Het hof heeft na bestudering van nationale en internationale rechtspraak en andere gezaghebbende bronnen geconcludeerd dat het internationaal gewoonterecht inhoudt dat zo’n uitzondering ook niet geldt voor functionele immuniteit in het kader van een civiele procedure. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het internationaal gewoonterecht ook geen beperking van de functionele immuniteit in civiele procedures toestaat op grond van de individuele aansprakelijkheid van de gezagsdrager. Dit oordeel getuigt, gelet op het voorgaande, niet van een onjuiste rechtsopvatting over het internationaal gewoonterecht, zodat het onderdeel faalt.
gestelddat de kwalificatie die [eiser] aan deze handelingen geeft juist is, [verweerders] een beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt.’ [voetnoot weggelaten, A-G]
Jurisdictional Immunitiesheeft het IGH hierop ook gewezen:
acta jure imperiizijn, heeft bedoeld dat niet in geschil is dat het optreden van [verweerders] vanuit het oogpunt van immuniteit louter moet worden beschouwd als handelen van de Staat Israël, die overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk is, nu [eiser] heeft betoogd dat individueel militair optreden moet worden onderscheiden van immuniteit die hoort bij publiek staatsoptreden en dat het handelen van [verweerder 1] dus niet oplost in staatshandelen. Volgens het onderdeel is het op het terrein van militaire operaties dat de noodzaak is vastgesteld om onrechtmatig van rechtmatig optreden te onderscheiden en aan onrechtmatig handelen van individuele militairen individuele aansprakelijkheid te koppelen. Het onderdeel betoogt verder dat voor zover het hof diens constatering dat het optreden van het Israëlische leger
acta jure imperiizijn mede ten grondslag heeft gelegd aan het aannemen van functionele immuniteit, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van onderdeel 2.1.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkheeft overwogen dat dit arrest de stelling niet ondersteunt dat in civiele zaken op de immuniteit van jurisdictie van (voormalige) overheidsfunctionarissen een uitzondering moet worden gemaakt voor oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. Volgens het onderdeel kan aan deze uitspraak geen doorslaggevende waarde worden gehecht voor de uitleg van het huidige recht, nu deze zaak dateert uit 2014, betrekking had op de uitleg van het internationaal gewoonterecht in 2006 en sindsdien de nodige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkniet de huidige stand van het internationaal gewoonterecht weergeeft. De klacht faalt derhalve.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkslechts moest buigen over de vraag of het toekennen van immuniteit in strijd was met art. 6 EVRM Pro. Het onderdeel stelt ook dat
common lawjurisdicties, zoals het Verenigd Koninkrijk, minder dan
civil lawjurisdicties, zoals Nederland, de
action civile(het indienen van een civiele vordering in het strafproces) kennen, zodat ook om die reden het aansluiten bij het EHRM-arrest getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkin het kader van de proportionaliteitstoets van art. 6 EVRM Pro wel degelijk heeft uitgelaten over de stand van het internationaal gewoonterecht en heeft geconcludeerd dat ‘the bulk of the authority is (…) to the effect that State’s right to immunity may not be circumvented by suing its servants or agents instead’. [42] Het feit dat het EHRM zich heeft uitgesproken over de stand van het internationaal gewoonterecht, maakt dat deze uitspraak relevant is voor alle jurisdicties, ongeacht of zij behoren tot de
civil lawof tot de
common law. Dat hetgeen het EHRM in
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkheeft overwogen over de stand van het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie niet relevant zou zijn voor
civil law-jurisdicties als Nederland, zoals het middel suggereert, valt ook niet te rijmen met het reeds aangehaalde arrest inzake
J.C./België, waarin het EHRM, in een zaak tegen België – een
civil law-jurisdictie die de mogelijkheid van de
action civilekent – heeft overwogen dat de verzoekers onvoldoende bewijs naar voren hebben gebracht waaruit zou blijken dat het internationaal gewoonterecht zich inmiddels zodanig heeft ontwikkeld dat de vaststellingen hieromtrent in het arrest
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkniet langer zouden gelden. [43]
jus cogens. De uitspraken die het hof in rov. 3.9 en 3.10 heeft aangehaald, hebben alle op dit onderwerp betrekking. Daarmee valt niet in te zien dat het hof niet afdoende duidelijk heeft gemaakt wat precies het belang is van deze uitspraken. Op de vindplaats waar volgens de procesinleiding het betoog van [eiser] staat dat staatsimmuniteit in de afgelopen decennia is gerelativeerd [44] , staan met name verwijzingen naar strafrechtelijke documenten, die – naar het oordeel van het hof – niet relevant zijn voor deze zaak. Ik merk nog op dat een regel van internationaal gewoonterecht binnen zeer korte tijd kan ontstaan, maar dat is vooral het geval als het een handeling betreft op een terrein waarop tevoren geen regel of praktijk bestond. [45] Uit de aangehaalde uitspraken blijkt juist dat er ten aanzien van functionele immuniteit in verband met schendingen van
jus cogenswél al langere tijd sprake is van een vrij consistente statenpraktijk. Tegen deze achtergrond faalt het onderdeel.
Special Rapporteurinzake
jus cogens, schrijft:
strafrechtelijke procedurewordt beperkt in het geval van berechting van internationale misdrijven door nationale gerechten (rov. 4.36-4.48). De rechtbank heeft overwogen dat een dergelijke regel van internationaal gewoonterecht ontbreekt en dat daarom ook geen sprake kan zijn van enig doortrekken of naar analogie toepassen van die regel in civiele procedures (rov. 4.51). Hierover heeft Ryngaert opgemerkt dat de rechtbank zich had kunnen onthouden van een oordeel over het internationaal gewoonterecht inzake functionele immuniteit in strafrechtelijke zaken, nu het gaat om een civiele zaak en het EHRM in
Jones e.a./Verenigd Koninkrijkheeft beslist dat art. 6 EVRM Pro niet is geschonden indien een nationale rechtbank in een civiele procedure over foltering, functionele immuniteit toekent aan een vreemde gezagsdrager. Ryngaert stelt dat het onvermijdelijk is dat enige fragmentatie blijft bestaan tussen verschillende vormen van immuniteit, zoals immuniteit in civiele versus strafrechtelijke zaken. [47]
Jurisdictional Immunities-zaak (…) volgt dat de vraag of de eiser een alternatief rechtsmiddel ter beschikking staat geen rol speelt bij de vraag of een Staat immuniteit van jurisdictie geniet. Niet valt in te zien waarom dat voor de, van de immuniteit van de Staat afgeleide, functionele immuniteit van jurisdictie van zijn functionarissen anders zou zijn. Het EHRM heeft evenmin belang toegekend aan de vraag of een alternatieve rechtsgang openstond, hoewel op het ontbreken daarvan wel een beroep was gedaan. Daarbij komt dat de stelling van [eiser] dat een alternatieve rechtsgang ontbreekt omdat hem, kort gezegd, in Israël geen eerlijk proces wacht, noodzakelijkerwijs een beoordeling zou vergen van het rechtssysteem van de Staat Israël. De strekking van de immuniteit van een vreemde Staat is echter dat het niet aan de rechter van het forum is daarover een oordeel te geven.’ [voetnoot weggelaten, A-G]
Jones e.a./Verenigd Koninkrijken
J.C. e.a./België. In eerstgenoemde zaak hadden de verzoekers betoogd dat het EHRM moest afwijken van zijn benadering uit
Al-Adsani/Verenigd Koninkrijkdoor in het kader van de proportionaliteitstoets (onder meer) mee te wegen of er alternatieve middelen bestaan. Het EHRM heeft niet specifiek op dit punt gereageerd, maar heeft wel overwogen dat de benadering uit
Al-Adsanimoest worden gevolgd. [48] De zaak
J.C. e.a./Belgiëhad betrekking op seksueel misbruik binnen de Katholieke Kerk in België en op de vraag of het toekennen van staatsimmuniteit aan de Heilige Stoel in strijd met art. 6 EVRM Pro was. Het EHRM overwoog ten overvloede dat de slachtoffers wel beschikten over alternatieve middelen, omdat zij de kerkelijke functionarissen in België konden aanspreken in een civiele procedure, die zich dan uiteraard niet op functionele immuniteit kunnen beroepen. [49]
Jurisdictional Immunities, in het kader van
staatsimmuniteit uitdrukkelijk overwogen dat de vraag of verlening van immuniteit van jurisdictie aan een staat verenigbaar is met art. 6 lid 1 EVRM Pro niet afhangt van het bestaan van redelijke alternatieven voor de oplossing van het geschil. [50]
vexatious chargesdie in het strafrecht kunnen worden uitgefilterd. Het onderdeel betoogt dat deze overweging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het feit dat handelingen voortvloeien uit een militaire operatie, niet betekent dat niet ook sprake kan zijn van handelingen die strafrechtelijk laakbaar zijn. Het onderdeel verwijst naar de klachten van de onderdelen 2.1-2.3. Volgens het onderdeel heeft het hof het toetsingskader miskend dat geldt bij de beantwoording van de vraag of er in het geval van internationale misdrijven sprake is van functionele immuniteit en ook dat er geen kunstmatig onderscheid tussen het strafrecht en het civiele recht moet worden gemaakt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van (functionele) immuniteit. In ieder geval had het hof zijn beslissing nader dienen te motiveren, aldus het onderdeel.
jus cogens, zou de civiele rechter zich moeten buigen over het handelen van (de functionarissen namens) een andere staat, ook indien uit de feiten of omstandigheden geen redelijk vermoeden van schuld aan een schending van
jus cogenszou voortvloeien. Het belang van ongestoorde bilaterale betrekkingen zou daarmee ernstig onder druk kunnen komen te staan. Tegen deze achtergrond faalt het onderdeel.
opinio jurisgeconcludeerd dat het internationaal gewoonterecht inhoudt dat in civiele procedures géén uitzondering dient te worden gemaakt op de functionele immuniteit van jurisdictie vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. Zoals ik hierboven reeds heb opgemerkt, is deze conclusie van het hof naar mijn mening juist. Ten aanzien van het beroep dat [eiser] heeft gedaan op de uitspraak van de Seoul District Court van 8 januari 2021 en de uitspraak van het Italiaanse Constitutionele Hof van 22 oktober 2014 ter ondersteuning van diens betoog dat sprake is van ten minste een grijs gebied, merk ik het volgende op. In de literatuur is naar aanleiding van deze uitspraken betoogd dat, voor zover hieruit al (de ontwikkeling van) een uitzondering op immuniteit van jurisdictie in civiele procedures kan worden afgeleid, sprake is van een nauwgedefinieerde exceptie, die alleen betrekking heeft op schendingen van
jus cogensdie hebben plaatsgevonden
op het grondgebied van de forumstaat. [53] De zaak die in cassatie aan de orde is, gaat over (gestelde) oorlogsmisdrijven die buiten Nederland zijn begaan en zou daarom buiten de exceptie vallen. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt dus.