Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De beoordeling van de stop
het eerste onderdeelheeft het hof ten onrechte de juridische maatstaf in het midden gelaten op basis waarvan het de vorderingen van [A] heeft afgewezen. Volgens
subonderdeel I.Amaakt het niet vermelden van de juridische maatstaf op zichzelf reeds dat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
Subonderdeel I.Bbevat nadere klachten afhankelijk van de vraag of in het arrest van het hof moet worden gelezen: (i) dat Toprek niet is tekortgeschoten, (ii) dat de tekortkoming aan Toprek niet kan worden toegerekend, (iii) dat het hof art. 6:74 BW Pro in het geheel niet heeft toegepast.
tweede onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 3.5.3.
subonderdeel II.Alees ik onder 2.2 twee klachten. In de eerste plaats verwijt de steller van het middel het hof dat het volledig vaart op het juridisch oordeel van de deskundige in plaats dat het zich een eigen oordeel heeft gevormd. In de tweede plaats voert het subonderdeel aan dat de juridische opvatting van de deskundige onverenigbaar is met de Machinerichtlijn, omdat een noodstopinrichting stopzetting van een gevaarlijk proces binnen de kortst mogelijke tijd moet bewerkstelligen
zonder extra risico's te scheppen(art. 1.2.4.3 van de Machinerichtlijn). Uit het feitelijk afbreken van de camera-arm is volgens de steller van het middel ‘duidelijk’ dat de stop in dit geval niet aan de criteria voldeed.
in overeenstemming met die maatstaf.
bij de rechtbank gedeponeerdeusb-stick’, maar daaraan voorafgaand is onder 2.1 opgenomen dat bij brief van 24 februari 2022 een usb-stick van [A] in het geding is gebracht. [8] Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 3.5.3. overwogen:
derde onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 3.5.5-3.5.8 dat de camera-arm niet bestand was tegen krachten van meer dan 2 g. Volgens [A] is dit oordeel onjuist, dan wel niet begrijpelijk gemotiveerd.
vierde onderdeelricht zich tegen de toewijzing van de reconventionele vordering van Toprek in rechtsoverweging 3.7.1: