Conclusie
[eiseres 1])
[eiseres 2])
[eiseres], in vrouwelijk enkelvoud)
FLT)
1.Feiten
arrest) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het
hof) feiten vastgesteld, waarvan in cassatie kan worden uitgegaan en waarnaar ik kortheidshalve verwijs.
[A]) houdt zich bezig met metaalbewerking, reparatie, onderhoud en handelsbemiddeling van machines in de geautomatiseerde verpakkingsindustrie.
Finse vonnis). [3] In een Nederlandse vertaling van een deel van het Finse vonnis is onder meer het volgende opgenomen:
rechtbank). In eerste aanleg heeft FLT onder meer gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
vonnis). [6] Daarin heeft de rechtbank in conventie onder meer als volgt geoordeeld:
4. De standpunten van partijen in conventie en de beoordeling daarvan
Beoordeling
(…)
6. De beslissing
5. De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep
Persoonlijke aansprakelijkheid [eiseres] ?(…)
6.6. Slotsom
7.De beslissing
3.Bespreking van het cassatiemiddel
het Finse vonnis, dat onherroepelijk is geworden. Daarin is [A] onder meer veroordeeld tot betaling aan FLT (i) van € 247.594,10 “met rente vanaf 18-12-2015, zoals voorzien in 6:119a van het Nederlands burgerlijk wetboek”, en (ii) van € 56.000,00 “met rente vanaf 21-10-2015, zoals voorzien in 6:119a van het Nederlands burgerlijk wetboek”. Zie onder 1.2 sub (iv)-(v) hiervoor. [A] bood evenwel geen verhaal voor FLT’s vordering op haar als toegewezen in het - bij exploot aan [A] betekende - Finse vonnis, dus inclusief de wettelijke handelsrente over € 247.594,10 en € 56.000,00 als bedoeld in dit 3.3.3 sub (i)-(ii) hiervoor. Daarop heeft FLT [eiseres] als (indirect) bestuurder van [A] aansprakelijk gesteld op grond van art. 6:162 BW Pro en art. 2:11 BW Pro voor FLT’s schade ter zake. Zie onder 1.2 sub (vi)-(vii) hiervoor.
het vonnis. Daarin achtte de rechtbank het handelen van [eiseres] als (indirect) bestuurder van [A] ten opzichte van FLT zodanig onzorgvuldig dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, en achtte zij [eiseres] in genoemde hoedanigheid aansprakelijk voor de schade van FLT op grond van art. 6:162 BW Pro en art. 2:11 BW Pro (rov. 4.19-4.20). Gelet daarop wees de rechtbank in conventie toe “de gevorderde verklaring voor recht en de uit hoofde van het Finse vonnis gevorderde bedragen” (rov. 4.21), zoals tot uitdrukking gebracht in het dictum (rov. 6.1-6.4). [10] Zie onder 2.2 hiervoor. Als gezegd, uit hoofde van het Finse vonnis - waarop de rechtbank ook wees in rov. 4.4 - had FLT onder meer aanspraak op betaling (i) van € 247.594,10 “met rente vanaf 18-12-2015, zoals voorzien in 6:119a van het Nederlands burgerlijk wetboek”, en (ii) van € 56.000,00 “met rente vanaf 21-10-2015, zoals voorzien in 6:119a van het Nederlands burgerlijk wetboek”. Zie onder 2.2 en 3.3.3 hiervoor.
het arrest. Daarin oordeelt het hof dat de rechtbank, door in het vonnis [eiseres] in de gegeven omstandigheden jegens FLT persoonlijk aansprakelijk te achten op grond van art. 6:162 BW Pro en art. 2:11 BW Pro, de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid niet heeft miskend en ‘de lat heeft gelegd’ waar deze hoort (rov. 5.13). Vervolgens komt het hof tot de slotsom dat “de vordering van FLT voor het gehele door de Finse rechter toegewezen bedrag terecht door de rechtbank als schade [is] aangemerkt, tot vergoeding waarvan [eiseres] zijn gehouden” (rov. 5.14). Wat terugslaat op de vraag “welke schade FLT heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [eiseres] ” (rov. 5.14). En waarbij het hof onder meer ervan uitgaat dat, in de hypothetische situatie waarin partijen zouden hebben verkeerd zonder het onrechtmatig handelen van [eiseres] , FLT verhaal had kunnen vinden “voor haar gehele vordering, zoals deze door de Finse rechter was toegewezen” (rov. 5.14). Het lijdt geen twijfel dat het hof aldus overwegend onder die “schade” van FLT mede verstaat de wettelijke handelsrente over € 247.594,10 en € 56.000,00 als bedoeld onder 3.3.3 en 3.3.4 sub (i)-(ii) hiervoor. [11] Het dictum van het arrest (rov. 7) dient uiteraard in dit licht te worden bezien. Zie onder 2.4 hiervoor. Dit betekent ook dat het hof daar die wettelijke handelsrente dus níet zélf in meerdering brengt op die twee bedragen.