ECLI:NL:PHR:2023:385
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens onvoldoende concreet en zwaarwegend richtingsbezwaar leerplicht
De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld wegens het niet naleven van de verplichtingen uit de Leerplichtwet 1969, omdat zij haar dochter niet als leerling had ingeschreven op een school binnen redelijke afstand. De verdachte voerde beroep op vrijstelling wegens richtingsbezwaar op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969, gebaseerd op haar levensbeschouwing, het spiritueel holisme.
Het hof heeft het beroep op vrijstelling afgewezen omdat de door de verdachte aangevoerde bezwaren tegen de richting van het onderwijs onvoldoende concreet en zwaarwegend waren. Het hof oordeelde dat bezwaren tegen de neutraliteit van openbaar en algemeen bijzonder onderwijs onvoldoende concreet waren toegelicht. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte haar bezwaren onvoldoende concreet heeft gemaakt en dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd.
Daarnaast is het verweer dat het toetsingskader in strijd zou zijn met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM Pro ongegrond. De bewijslast voor het strafbare feit ligt bij het Openbaar Ministerie, terwijl de verdachte moet onderbouwen waarom de vrijstelling toekomt. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen, waardoor de veroordeling blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens overtreding van de Leerplichtwet 1969 blijft gehandhaafd.