ECLI:NL:PHR:2023:391
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat betrokkenheid bij illegale handel geen marktdeelnemerschap oplevert onder verordening 273/2004
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen van een strafbaar feit onder de Opiumwet, maar werd vrijgesproken van het niet naleven van de kennisgevingsplicht onder artikel 8 van Pro verordening 273/2004. De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de uitleg van het begrip 'marktdeelnemer' in deze verordening en de reikwijdte van de kennisgevingsplicht.
Het HvJ EU oordeelde dat het begrip 'marktdeelnemer' beperkt moet worden tot personen die geregistreerde stoffen binnen een legaal kader in de handel brengen. Personen die betrokken zijn bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen in het kader van een illegale activiteit vallen niet onder deze definitie. Dit betekent dat de kennisgevingsplicht niet op hen rust. De Hoge Raad volgde deze interpretatie en bevestigde dat de verdachte geen marktdeelnemer was in de zin van de verordening, waardoor de vrijspraak van het niet naleven van de kennisgevingsplicht terecht was.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep. Tevens werd overwogen dat het stellen van prejudiciële vragen een bijzondere omstandigheid vormde die de redelijke termijn in de cassatiefase niet had overschreden. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden arrest en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verdachte is geen marktdeelnemer in de zin van verordening 273/2004 en blijft vrijgesproken van de kennisgevingsplicht.