II.
Het eerste middel
Het middel
3. Het middel behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat twee van de in de bewezenverklaring opgenomen valse geschriften in de bewezenverklaarde pleegperiode in de bedrijfsadministratie zijn opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende geschriften:
- een valse koop- en verkoopovereenkomst van een partij graniet door [betrokkene 1] van 20 september 2017 (geschrift (B));
- een valse verklaring van geldlening tussen [verdachte] en [betrokkene 2] van 6 oktober 2017 (geschrift (C)).
De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“ [A] B.V. op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 te [plaats] , haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft [A] B. V. telkens een vals geschrift, te weten
- (A) een valse inkoopfactuur van [B] B.V.,
- (B) een valse koop- en verkoopovereenkomst van een partij graniet door [betrokkene 1] ,
- (C) een valse verklaring van geldlening tussen [verdachte] en [betrokkene 2] , opgenomen in haar bedrijfsadministratie, bestaande die valsheid hierin dat in de bovengenoemde bescheiden valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen dat [A] B.V. goederen heeft gekocht van [B] B.V. en goederen heeft verkocht aan [betrokkene 1] , terwijl deze transacties in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden (A&B), en verdachte [verdachte] geld heeft geleend van [betrokkene 2] , terwijl in werkelijkheid voornoemde geldlening niet heeft plaatsgevonden (C), zulks telkens met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken, tot het plegen van welke bovengenoemde verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.”
5. De bewezenverklaring – voor zover deze ziet op de geschriften (B) en (C) – steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“
1. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 oktober 2018 met codenummer G01-01, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 3] :
Ik ben in dienst bij de Belastingdienst. Mijn functie is controlerend ambtenaar. Ik voer controles uit voor de middelen vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting en omzetbelasting. Ik heb in augustus 2017 opdracht gekregen tot het instellen van een boekenonderzoek vennootschapsbelasting 2014 en 2015 en omzetbelasting 2014, 2015 en 2016 bij [A] B.V. Ik heb een afspraak gemaakt voor het instellen van een boekenonderzoek op 19 september 2017.
[verdachte] is als directeur in loondienst bij [C] B.V. en van daaruit verricht hij de werkzaamheden voor [A] B.V.
De vermoedelijke fraude bestaat uit het vermoedelijk vervaardigen en gebruiken van een valse factuur, het vermoedelijk doen van gefingeerde kasstortingen in zowel de kas van de B.V. als op de privérekening van [verdachte] , het mogelijk verzwijgen van omzet door de B.V. middels contante stortingen in de kas van de B.V. en op zijn privérekening door [verdachte] .
De factuur van [B] B.V. trof ik aan in de administratie van [A] B.V. De factuur was geboekt op 18 mei 2016. Er zaten wat gebreken aan. Zo miste ik een datum en op de factuur stond “contant betaald” terwijl dit volgens de administratie en volgens een schriftelijke reactie van de adviseur nog niet was gebeurd. [...]
Ik heb een zogenaamd derden-onderzoek ingesteld bij [B] om te controleren of de factuur daadwerkelijk bij hen vandaan kwam. Uit dit onderzoek bleek dat de factuur niet in de administratie zat, dat de lay-out en de factuurnummering niet klopte, hetgeen door [D] werd verklaard. Bovendien kende [D] het bedrijf [A] helemaal niet en hij heeft mij een voorbeeld van de in gebruik zijnde facturen getoond.
[...]
Met betrekking tot [...] geboekte aanbetalingen tot een totaalbedrag € 50.800,- voor aangekochte partijen graniet kan ik het volgende verklaren. Ik zag forse contante stortingen in de kas van de B.V. waarvan handgeschreven bonnetjes aanwezig waren waarop was genoteerd [E] B.V., [a-straat 1] in [plaats] . Dit bedrijf kon ik nergens vinden, niet op internet en niet in de systemen van de Belastingdienst. [...] Bij nader onderzoek bleek dat de persoon [betrokkene 1] wel bestaat, maar dat hij geen onderneming meer had en leeft van een uitkering. Hij heeft ook geen box-3 vermogen. Vervolgens heb ik op 31 januari 2018 een brief gestuurd aan [betrokkene 1] , met het verzoek om informatie over de contante betalingen.
[...]
Over de in de jaren 2015 en 2016 door [verdachte] vanuit privé in de kas van [A] B.V. gestorte contante bedragen kan ik vertellen dat ik tijdens het onderzoek constateerde dat er door [verdachte] contant geld werd gestort in de kas van de B.V., in totaal € 31.000,-. Ik heb gevraagd om bescheiden waaruit blijkt dat deze bedragen in privé zijn opgenomen of vanuit privé afkomstig zijn. Als verklaring kreeg ik te horen dat het geld was geleend van een goede vriend van [verdachte] , [betrokkene 2] . Ik heb een leenovereenkomst en het ID-bewijs van [betrokkene 2] ontvangen. De leenovereenkomst is gedagtekend 6 oktober 2017. Volgens de systemen van de Belastingdienst blijkt dat [betrokkene 2] en zijn echtgenote slechts een laag inkomen te hebben en dat zij geen vermogen hebben. Het is dus niet aannemelijk dat zij het geld aan [verdachte] hebben verstrekt. Ook [betrokkene 2] heb ik op 31 januari 2018 een brief gestuurd, met het verzoek om nadere informatie over de lening.
6. Een brief d.d. 30 oktober 2017 van [betrokkene 5] van [F] aan [betrokkene 3] van de Belastingdienst, voor zover inhoudende:
Betreft: uw vragen betreffende controle [A] BV
(
hof: vraag) 9. Aanbetaling graniet
In 2016 zijn de volgende bedragen in het kasboek als ontvangsten verantwoord:
Kas 26-2-2016 aanbetaling graniet € 19.000
Kas 18-5-2016 aanbetaling graniet € 4.000
Kas 22-6-2016 aanbetaling graniet € 8.800
Kas 23-6-2016 aanbetaling graniet € 11.000
Kas 30-6-2016 aanbetaling graniet € 8.000
a. Ik verzoek u de bedrijfsgegeven (o.a. naam en adresgegevens) te verstrekken van het bedrijf dat de aanbetalingen heeft gedaan.
b. Wat is er vastgelegd van de aanbetalingen? Ik neem aan dat men dit soort bedragen niet betaalt zonder enige vorm van zekerheid dat er iets geleverd gaat worden.
c. Is het graniet inmiddels geleverd? Zo ja wanneer?
Reactie:
a. Dit betreft [betrokkene 1] .
b. Contract volgt nog.
c. Nee graniet nog niet geleverd.
7. Een geschrift “koop- en verkoopovereenkomst” van [A] B.V. [DOC-05] voor zover inhoudende:
Hiermede verklaren ondergetekenden:
[verdachte] , wonende [b-straat 1] [plaats] [...] in zijn functie als directeur van [A] B.V., hierna te noemen verkoper
En [betrokkene 1] , wonende [a-straat 2] te [plaats] , hierna te noemen koper het navolgende te zijn overeengekomen:
Door verkoper zal aan koper een partij graniet worden geleverd voor een totaalprijs van € 54.000,00 exclusief BTW en opslagkosten. Door koper zullen aanbetalingen worden gedaan op de partij graniet met als borgstelling voor de betalingen de genoemde partij graniet, welke door verkoper in bewaring zullen worden gehouden tot het totale factuurbedrag is voldaan. [...]
Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend te [plaats] , 20 september 2017.
Verkoper: [A] [handtekening] Koper: [betrokkene 1] [handtekening]
8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 oktober 2018 met codenummer G02-01, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 1] :
Meer dan 10 jaar geleden ben ik gestopt als zzp-er en heb ik geen betaald werk meer. Sindsdien heb ik een uitkering van het UWV. Ik zit onder het sociaal minimum. Ik zit in de schuldhulpverlening.
Vraag: Controlerend ambtenaar van de Belastingdienst [betrokkene 3] heeft u brieven gestuurd waarin wordt aangegeven dat bij een boekenonderzoek naar voren is gekomen dat u contante betalingen zou hebben gedaan in verband met de aankoop van graniet. Volgens de aangetroffen gegevens gaat het om de volgende contante betalingen-
26-2-2016 € 19.000
18-5-2016 € 4.000
22-6-2016 € 8.800
23-6-2016 € 11.000
30-6-2016 € 8.000
Antwoord: Ik heb geen geld en heb de genoemde bedragen nooit betaald.
Vraag: Wij tonen u een koop- en verkoopovereenkomst tussen u en [verdachte] van [A] B.V. [DOC-05], Wat kunt u hierover verklaren?
Antwoord: De handtekening op de overeenkomst lijkt wel op de mijne, maar ik heb deze overeenkomst nooit gezien en dus ook niet getekend. Ik ken geen [verdachte] en ben nog nooit in [plaats] geweest. Bovendien, de handtekening op de overeenkomst lijkt niet op de handtekening op mijn legitimatiebewijs.
Vraag: Kent u [verdachte] en/of het bedrijf [A] B.V. en in hoeverre heeft u zakelijk en/of privé contact met hen?
Antwoord: Nooit van gehoord en dus ook nooit contact mee gehad.
9. Het proces-verbaal van verhoor getuigen van de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij dit hof d.d. 20 oktober 2020, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
Ik ken [verdachte] niet. Ik heb geen overeenkomst gesloten met [verdachte] . U vraagt mij of ik wel eens zaken heb gedaan met [verdachte] / [A] . Nee daar heb ik geen zaken mee gedaan.
U vraagt mij of ik wel een graniet heb besteld voor 54.000 euro. Ik heb nooit graniet besteld en ik heb nooit 54000 euro tot mijn beschikking gehad.
10. Een casusomschrijving [A] B.V. [DOC-AA], voor zover inhoudende:
Op 14 augustus 2017 heb ik (
het hof begrijpt: [betrokkene 3]) telefonisch het boekenonderzoek aangekondigd. Het inleidend gesprek heeft plaatsgevonden op 19 september 2017 bij de adviseur [F] Te [plaats] . [betrokkene 4] (van [F] ) en [betrokkene 5] (van [G] te [plaats] ) waren daarbij aanwezig. [verdachte] was niet aanwezig bij het inleidend gesprek. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn beiden adviseur van [verdachte] (ze hebben hun eigen kantoor maar hebben een samenwerkingsverband). Het boekenonderzoek ter plaatse heeft aansluitend aan het inleidend gesprek plaatsgevonden op 19 en 20 september 2017.
Reikwijdte onderzoek
VPB 2014 en 2015 van [A] BV
OB 2014 en 2015 en 2016 van [A] BV
4. Contante stortingen in de kas van de BV
De volgende bedragen worden vanuit privé in de kas van de BV gestort:
13-7-2015 € 10.000
16-7-2016 € 8.000
27-7-2016 € 13.000
Ik heb per mail gevraagd om bescheiden waaruit blijkt dat deze bedragen in privé zijn opgenomen.
Antwoord per mail:
Deze bedragen betreffen geleende gelden van dhr. [betrokkene 2] , dat is een goede vriend van [verdachte] . Als bijlage is een overeenkomst opgenomen (getekend 6-10-2017) waarin [betrokkene 2] verklaart de bedragen aan [verdachte] te hebben verstrekt in de vorm van een lening. Ook een kopie van het id-bewijs van [betrokkene 2] is bijgevoegd.
Uit onze gegevens blijkt het volgende:
[betrokkene 2] en zijn partner hebben een laag inkomen, zijn in loondienst werkzaam. Looninkomsten (bruto)
2015 € 29.624 en € 6.349
2016 € 49.163 en € 2.979
(in 2014 maar € 4.364 en € 3.164)
Ze hebben ook nog een behoorlijke hypotheek (€ 8.236 aan rente per jaar).
Daarnaast blijkt dat ze eind 2014, 2015 en 2016 geen banksaldi hadden.
Ook geen ander vermogen volgens box 3
Waarschijnlijk zijn de kasstortingen geboekt in de kas om negatieve kassen te voorkomen en probeert men deze stortingen nu te onderbouwen door de verklaring van [betrokkene 2] .
11. Een geschrift “verklaring van geldlening” [DOC-02], voor zover inhoudende:
Hiermede verklaart ondergetekende [betrokkene 2] de volgende geldbedragen te hebben uitgeleend aan:
[verdachte]
13-07-2015 € 10.000,00
16-07-2016 € 8.000,00
27-07-2016 € 13.000,00
[...] Aldus naar waarheid in tweevoud opgemaakt te [plaats] op 6 oktober 2017.
Geldlener: [betrokkene 2] [handtekening] Geldnemer: [verdachte] [handtekening]
12. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 oktober 2018 met codenummer G03-01, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 2] :
Vraag: Controlerend ambtenaar van de Belastingdienst [betrokkene 3] heeft u brieven gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat bij een onderzoek door de Belastingdienst is gebleken dat u contant geld hebt verstrekt aan [verdachte] . Volgens een door u getekende verklaring hebt u de volgende bedragen, in de vorm van een lening, aan hem verstrekt:
13-7-2015 € 10.000
16-7-2016 € 8.000
27-7-2016 € 13.000
[...]
Antwoord: Ik heb nooit geld geleend aan [verdachte] . Dat kan ook niet, want ik zit in de schulden. Het zegt mij verder helemaal niets.
Vraag: Wij tonen u een “verklaring van geldlening” tussen u en [verdachte] DOC-02]. Wat kunt u hierover verklaren?
Antwoord: Deze overeenkomst ken ik niet. Bovendien klopt de handtekening niet.
Opmerking verbalisanten: Wij hebben geconstateerd dat de handtekening van [betrokkene 2] op de overeenkomst inderdaad duidelijk afwijkt van de handtekening op zijn legitimatiebewijs.
Vraag: Kent u [verdachte] en/of het bedrijf [A] B.V. en in hoeverre heeft u zakelijk en/of privé contact met hen?
Antwoord: Ik ken het bedrijf wel. Een jaar of 6 geleden heb ik weleens contact met hem gehad over betonnen tuinschuttingen, maar verder nooit meer. Ik heb toen ook niets bij hem gekocht en ken hem verder niet.
13. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 16 juli 2019:
Het klopt dat ik directeur en middellijk aandeelhouder ben van de vennootschap [A] B.V. Dat was ik ook in 2014. [...] Mijn bedrijfsadministratie bevindt zich fysiek op mijn kantoor in [plaats] .
14. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 27 januari 2021:
Het klopt dat ik eigenaar ben van [C] B.V., en dat daaronder twee uitvoerende bv’s vallen, te weten [A] B.V. en [H] B.V. Het klopt dat de holding voor 100% eigenaar is van de twee uitvoerende bv’s. Het klopt dat er bij [A] B.V. wel en bij [H] B.V. geen activiteiten plaatsvonden. Het klopt dat ik in loondienst ben bij de holding. Het klopt dat ik de inkopen en de facturering zelf doe en de offertes maak en dat de administratie ingeboekt wordt door [betrokkene 6] . Het klopt dat [betrokkene 6] de administratie deed op basis van de stukken die ik aanleverde.
Aanvullende bewijsoverweging:
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen 13 en 14 af dat verdachte degene is geweest die feitelijk leiding heeft gegeven aan het opnemen van valse geschriften in de bedrijfsadministratie van [A] B.V.”
6. Voorts heeft het hof, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“
Nadere bewijsoverwegingen
[…]
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de koop- en verkoopovereenkomst van 20 september 2017 van een partij graniet voor € 54.000,00 aan [betrokkene 1] (DOC-05) niet vals is. In de appelschriftuur is betoogd dat er voor deze overeenkomst al in 2016 contante aanbetalingen tot een bedrag van € 50.800,00 zijn gedaan en dat het voor de verdachte gebruikelijk was om eerst mondeling afspraken te maken alvorens een overeenkomst op te stellen. Daarnaast heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de handtekening onder de overeenkomst van 20 september 2017 min of meer overeenkomt met de handtekening afkomstig van de identiteitskaart van [betrokkene 1] en dat [betrokkene 8] en [betrokkene 9] hebben gezien dat de overeenkomst door [betrokkene 1] werd ondertekend.
Het hof overweegt als volgt en stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Uit het door de Belastingdienst verrichte boekenonderzoek is gebleken dat er in 2016 contante stortingen in de kas van [A] B.V. zijn gedaan, waarvan er in de administratie voor een totaalbedrag van € 50.800,00 aan handgeschreven bonnetjes aanwezig waren met daarop genoteerd [E] B.V. en aanbetaling graniet. De Belastingdienst kon deze B.V. niet terugvinden. Op vragen van de Belastingdienst om de bedrijfsgegevens te verstrekken van het bedrijf dat de aanbetalingen heeft gedaan, wat er is vastgelegd over de aanbetalingen, en of het graniet al is geleverd, heeft de verdachte geantwoord dat het [betrokkene 1] betreft, dat het contract nog volgt en dat het graniet nog niet geleverd is. Later heeft de verdachte een koop- en verkoopovereenkomst van 20 september 2017 overgelegd betreffende de verkoop van een partij graniet voor € 54.000,00 door [A] B.V. aan [betrokkene 1] (DOC-05). Naar aanleiding hiervan heeft de Belastingdienst een zogenaamd derdenonderzoek ingesteld bij [betrokkene 1] , die vervolgens op 23 oktober 2018 als getuige heeft verklaard (G02-01) – kort gezegd – dat hij de verdachte en [A] B.V. niet kent, dat de handtekening op de overeenkomst wel op zijn handtekening lijkt, maar dat de handtekening niet overeenkomt met de handtekening op zijn identiteitsbewijs en dat hij de getoonde koop- en verkoopovereenkomst nooit heeft gezien en dus ook niet heeft ondertekend. Voorts heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij onder het sociaal minimum leeft, dat hij in de schuldhulpverlening zit en dat hij geen geld heeft en genoemde contante betalingen van in totaal € 50.800,00 nooit heeft betaald. Op 20 oktober 2020 heeft [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris zijn eerdere verklaring grotendeels bevestigd en hij heeft toen verklaard – kort gezegd – dat hij de verdachte niet kent, dat hij geen overeenkomst met de verdachte heeft gesloten, dat hij geen zaken heeft gedaan met [verdachte] / [A] , dat hij nooit graniet heeft besteld, en dat hij nooit € 54.000,00 tot zijn beschikking heeft gehad.