Uitspraak
[woonplaats].
onder 1telaste is gelegd:
[betrokkene 3], hoofdcontroleur van ’s Rijksbelastingen, op 7 september 1982 afgelegd aan de
Rechter-Commissaris:
verdachte ter ’s Hofs terechtzittingvan 23 november 1982 heeft verklaard – zakelijk weergegeven – :
[betrokkene 4], bedrijfsleider, wonende te [woonplaats] , op 21 september 1982 afgelegd aan de Rechter-Commissaris:
[betrokkene 4], wonende te [woonplaats] , op 17 maart 1980 afgelegd
aan de verbalisanten:
[betrokkene 5], statenmaker, wonende te [woonplaats] , op 21 september 1982
aan de Rechter-Commissarisafgelegd:
[betrokkene 6], statenmaker, wonende te [woonplaats] , op 21 september 1982
aan de Rechter-Commissarisafgelegd:
[betrokkene 1], wonende te [woonplaats] , op 22 september 1982
aan de Rechter-Commissarisafgelegd:
[betrokkene 9], directeur, wonende te [woonplaats] , op 1 oktober 1982
aan de Rechter-Commissarisafgelegd:
aan de verbalisantenafgelegde verklaring van [betrokkene 10] , wonende [woonplaats] :
ik ben directeur van het [G] B.V.; dit bedrijf heeft nooit zaken met [verdachte] B.V. Coevorden gedaan en de facturen, die mij worden getoond, heb ik niet opgesteld;
als verklaring van de verbalisanten:
[betrokkene 11], wonende te [woonplaats] , op 7 augustus 1980 afgelegd
aan de verbalisanten[verbalisant 14] en [verbalisant 15] :
als verklaring van de controle-ambtenaren, dat zij op 20 maart 1980 de in bewijsmiddel 3 vermelde facturen hebben meegenomen en dat door gebruik te maken van deze facturen en kwitanties een bedrag van f. 687.158,33 aan het vermogen van de b.v. is onttrokken;
onder 2 aanhef en onder a. en slotaan verdachte telaste is gelegd:
[betrokkene 15], stratenmaker, wonende te [woonplaats] op 19 oktober 1982
aan de Rechter-Commissarisafgelegd:
aan de verbalisantenafgelegde verklaring van
[betrokkene 15], straatmaker, wonende te Almelo:
[betrokkene 13], chauffeur, wonende te [woonplaats] , op 15 september 1980 afgelegd
aan de verbalisanten:
[betrokkene 14], stratenmaker, wonende te Almelo, op 28 augustus 1980 afgelegd
aan de verbalisanten:
[betrokkene 16], wonende te [woonplaats] , op 24 juni 1980 afgelegd
aan de verbalisanten[verbalisant 2] en [verbalisant 17] :
verdachteop 26 juni 1980 afgelegd
aan de verbalisanten[verbalisant 14] en [verbalisant 6] :
ter ’s Hofs terechtzittingheeft verklaard – zakelijk weergegeven – :
onder 3is te laste gelegd:
als verklaring van verbalisanten [verbalisant 19] en [verbalisant 20]:
als verklaring van [betrokkene 17], echtgenote van [betrokkene 18] , op 10 april 1980 aan verbalisanten [verbalisant 19] en [verbalisant 20] afgelegd:
als verklaring van [betrokkene 19], op 10 april 1980 aan verbalisanten [verbalisant 19] en [verbalisant 20] afgelegd:
verslag vanhet op 9 april 1980 door de
technisch rechercheursvan het Korps Rijkspolitie-Technische Recherche Groningen, Dienst Assen [verbalisant 21] en [verbalisant 22] , respectievelijk Opperwachtmeester en Wachtmeester der Rijkspolitie, inzake een verricht onderzoek naar de oorzaak van een op 9 april 1980 op [a-straat 1] te [woonplaats] plaats gehad hebbende brand, gedateerd op 23 april 1980, concludeert:
[betrokkene 1], op 31 mei 1980
aan verbalisantenafgelegd:
[betrokkene 21], op 4 juni 1981
aan verbalisantenafgelegd:
aan verbalisantenafgelegd:
aan verbalisanten:
aan verbalisanten[verbalisant 18] en [verbalisant 20] :
onder 4telaste is gelegd:
onder 1telastegelegde gebezigde bewijsmiddelen en de in bewijsmiddel 3 vermelde facturen, gemerkt rood F19 tot en met 26, 32 tot en met 42 en inlegvel 65, en de kwitanties gemerkt 70 tot en met 73 welke gelijk het Hof waarneemt niet overeenstemmen met hetgeen in feite is geschied en derhalve als onjuist moesten worden aangemerkt dat deze facturen achtereenvolgens de navolgende bedragen aan omzetbelasting zijn vermeld:
verdachte ter ’s Hofs terechtzittingheeft verklaard – zakelijk weergegeven - :
[betrokkene 24], register-accountant, wonende te [woonplaats] , op 7 oktober 1980 afgelegd
aan de verbalisanten:
als verklaring van de verbalisanten:
verweer Ite dien aanzien het navolgende in aanmerking dient te worden genomen; dat het geenszins waar is, dat verdachte door het Openbaar Ministerie buiten het onderzoek zou zijn gehouden en de Rechter-commissaris zich niet van zijn taak zou hebben gekweten;
verweer IIte dien aanzien het navolgende in aanmerking dient te worden genomen; dat verdachte, na betekening van de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek en die van inleidende dagvaarding, zelfs twee processuele verweermiddelen ten dienste stonden:
verweren I en IIdoor de raadsman nog andere argumenten zijn genoemd dan de hiervóór behandelde, bijvoorbeeld in verband met de artikelen 30, 177, 181 en 185 van het Wetboek van Strafvordering, doch het Hof zich op grond van al het vorenstaande, waardoor deze overige argumenten implicite worden weerlegd, meent ontslagen te mogen achten van de plicht, hierop nog verder in bijzonderheden te moeten ingaan.
29 mei 1984.