Conclusie
adv.: mr. A.H. M. van den Steenhoven
verweerder in cassatie
niet verschenen
1.Inleiding en samenvatting
[verzoeker]) maakt aanspraak op een som ineens wegens werkzaamheden die hij in het verleden heeft verricht in het boerenbedrijf van zijn vader, de erflater (art. 4:36 BW Pro). Het hof heeft zijn verzoek tot vaststelling van de som ineens afgewezen omdat de door [verzoeker] genoten en naar billijkheid toe te rekenen voordelen, onder andere uit hoofde van bespaarde huur en kost en inwoning, naar verwachting groter zijn dan de maximaal gestelde omvang van de gewenste vergoeding. In cassatie klaagt [verzoeker] over de wijze waarop het hof de relevante periode heeft vastgesteld. Voorts zou het hof ten onrechte de imputatiebepaling van art. 4:36 lid 2 BW Pro hebben toegepast en hebben miskend dat in die bepaling als vereiste wordt gesteld dat het in mindering te brengen voordeel als beloning voor de werkzaamheden moet kunnen worden aangemerkt. Ook wordt geklaagd over een onvolledig dictum. De klachten zijn naar mijn mening tevergeefs voorgesteld.
2.Feiten
de vader) is de vader van [verzoeker] , [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] Hij is overleden op 3 augustus 2018. [2] De moeder is vooroverleden in 2008, waarbij alle goederen van haar nalatenschap zijn toebedeeld aan de vader.
- ii) De vader heeft bij testament over zijn uiterste wil beschikt. In dit testament, opgemaakt op 26 februari 2016, heeft de vader zijn kinderen onder bezwaar van een legaat tegen inbreng tot zijn erfgenamen benoemd.
- iii) [verzoeker] , [belanghebbende 2] , en [belanghebbende 3] zijn gezamenlijk tot executeur benoemd.
- iv) [belanghebbende 3] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hebben de nalatenschap op 29 oktober 2018 beneficiair aanvaard, terwijl [verzoeker] op 31 oktober 2018 een verklaring van zuivere aanvaarding heeft ondertekend.
- v) Bij beschikking van 21 juni 2019 van de rechtbank Oost-Brabant is [de vereffenaar] (hierna:
- vi) Tijdens leven heeft de vader een agrarisch bedrijf uitgeoefend. [verzoeker] heeft in dit bedrijf werkzaamheden verricht.
- vii) Bij brief van 1 mei 2019, gericht tot [belanghebbende 3] , heeft [verzoeker] aanspraak gemaakt op een som ineens voor door hem in het bedrijf van de overledene verrichte werkzaamheden. Op 3 mei 2019 is ook een brief aan [belanghebbende 1] verstuurd waarin aanspraak wordt gemaakt op een som ineens. De aanspraak van [verzoeker] ziet op de periode 1976 tot 1986.
3.Procesverloop
Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden (rov. 3.9).
Het hof stelt de volgens art. 4:36 lid 1 BW Pro relevante periode vast op 9 februari 1979 (het moment waarop [verzoeker] meerderjarig werd) tot en met (hooguit) 1986 (rov. 6.4.2).
Ten aanzien van de mogelijke omvang van de aanspraak van [verzoeker] heeft het hof – voor zover nog van belang – de volgende uitgangspunten geformuleerd:
afgerond € 146.000,=als basisbedrag/hoofdsom resteert.
per saldogenoemd in onderdeel 209 van zijn beroepschrift), hiervan af te trekken de jaren 1976-1978 alsook de maand januari 1979 alsook drie van de vier maanden dienstplicht in 1979 (zie punt 23 van de akte van [ [verzoeker] ] van 29 juli 2021), waarbij de eerste dagen van februari 1979 - die in feite ook niet zouden mogen meetellen - de beperkte afronding naar beneden rechtvaardigen.
Indien er voorts van uit moet worden gegaan dat [ [verzoeker] ] al halverwege maart 1986 (in plaats van eind 1986) is vertrokken, zoals de (drie) erven stellen, dan komt daar nog een correctie bovenop van 9,5/12 maal € 21.523,= zijnde afgrond naar beneden € 17.000,= zodat dan
maximaal€ 129.000, =zou resteren als rekenkundig enigszins onderbouwde aanspraak.
nadat de aan hem toegekomen althans in billijkheid toe te rekenen voordelen in ogenschouw zijn genomen(rov. 6.4.6.4). Indien immers moet worden aangenomen dat de omvang van de genoten voordelen al zonder meer de maximaal door [verzoeker] gestelde omvang van de door hem gewenste vergoeding qua basisbedrag overstijgt, is een dergelijke instructie gericht op zeer uitgebreid feitenonderzoek overbodig en zal het verzoek van [verzoeker] worden afgewezen, aldus het hof (rov. 6.4.6.5).
Te lage huurprijs tijdens leven
[ [verzoeker] ] heeft gesteld dat erflater dit zelf zo heeft gewild en wel gezellig vond. Wat hier van zij: de verzorging van erflater werd door [ [verzoeker] ] verricht, althans dat is
ookzijn stellingname en hij heeft ook daartoe een PGB-budget ontvangen. De (drie) erven hebben betwist dat [ [verzoeker] ] de verzorging op zich heeft genomen en zich op het standpunt gesteld dat [ [verzoeker] ] alleen naar buiten toe graag optrad. Dit terwijl [ [belanghebbende 1] ] feitelijk al het werk van de verzorging deed.
€ 65.000,=.”
Niet of te weinig betaling aan vergoeding voor kantoor opslagruimte
€ 102.000,=als mee te nemen voordeel op. Bij een geschatte huur van slechts € 250,= per maand is toch sprake van € 51.000,= voordeel.
Dat [ [verzoeker] ] besloten heeft - naar eigen zeggen - om de opbrengsten van zijn onderneming gedurende een aantal jaren te besteden aan een ideëel doel als gedreven door zijn vriendin maakt het genoten voordeel in de onderhavige context als zodanig niet kleiner.”
Kost en inwoning gedurende vele jaren
Voorzichtigheidshalve zal het hof voorlopig slechts uitgaan van een periode van 16 jaar, en gezien de familieverhouding het ‘bespaarde’ voordeel terughoudend schatten op € 500,= p.m. voor woonruimte, nutslasten en voeding. Genoemde periode maal 12 maal € 500,= levert schattenderwijs een voordeel op van
€ 96.000,=.”
4.Juridisch kader
‘salaire différé’vindt zijn oorsprong in de agrarische sector, waarin het regelmatig voorkwam dat boerenzoons werkzaam waren in het bedrijf van hun ouders. De uiteindelijke wetsbepaling is echter niet beperkt tot agrarische bedrijven. [9] Hoewel gediscussieerd werd over de wenselijkheid en zin en onzin van de invoering van de mogelijkheid om aanspraak te maken op uitgesteld salaris [10] , gaf voor de wetgever de billijkheid de doorslag:
5.Bespreking van het cassatiemiddel
wijst het verzoek van [ [verzoeker] [ af;”
eind1986 kan worden uitgegaan van een gecorrigeerd bedrag van € 146.000,- als door ABAB becijferde aanspraak – overweegt:
maximaal€ 129.000,=zou resteren als rekenkundig enigszins onderbouwde aanspraak.”
gehelejaar 1986 op de boerderij heeft gewerkt – onbegrijpelijk is. [verzoeker] wil voorkomen dat dit deel van de beslissing gezag van gewijsde krijgt.
indienmoet worden aangenomen dat hij halverwege 1986 de boerderij al had verlaten. In het vervolg van zijn berekening gaat het hof kennelijk uit van het
hogerebedrag van € 146.000,-. In rov. 6.8.1 concludeert het hof dat in totaal sprake is van een geschatte bevoordeling van € 305.800,-, of na buiten toepassing laten van bepaalde posten € 234.500,-. Het hof stelt daarna vast dat daarmee sprake is van meer dan twee maal (en bij het laagste bedrag meer dan anderhalf keer) het maximaal aan [verzoeker] toe te kennen bedrag. Deze berekening komt overeen met een maximale aanspraak van € 146.000,-. Een lagere maximale aanspraak van € 129.000,- zou het hof niet tot een ander oordeel nopen; integendeel.
Daarmee is de aangevallen overweging aan te merken als overweging ten overvloede. Klachten gericht tegen een dergelijke overweging missen belang en kunnen dus niet tot cassatie leiden. [20] De vrees van [verzoeker] voor gezag van gewijsde is daarmee ook onterecht; aan niet-dragende, ten overvloede gegeven beslissingen komt immers geen gezag van gewijsde toe. [21]
subonderdelen 3.1 en 3.2tegen het oordeel van het hof dat de [verzoeker] toe te rekenen ‘voordelen’ uit hoofde van (i) bespaarde huur etc. ad € 65.000,- (rov. 6.6.2.3) respectievelijk (ii) te lage vergoeding voor de kantoor- en opslagruimte ad € 102.000,- (rov. 6.6.3.3) in aanmerking moeten worden genomen bij de bepaling van de som ineens. Samengevat wordt geklaagd dat het hof hiermee heeft miskend dat op grond van art. 4:36 lid 2 BW Pro slechts voordelen in mindering kunnen worden gebracht voor zover deze kunnen worden gezien als
beloningvoor de verrichte werkzaamheden. Het hof heeft ten onrechte niet aan dit vereiste getoetst. Indien het hof dit niet heeft miskend en in het oordeel van het hof besloten ligt dat de voordelen moeten worden gezien als beloning voor de verrichte werkzaamheden, is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de uit de gedingstukken blijkende stellingen, feiten en omstandigheden, aldus het onderdeel.
Het hof is niet toegekomen aan de imputatiebepaling van art. 4:36
lid 2BW, maar heeft de voordelen betrokken in de daaraan voorafgaande vaststelling van de billijke vergoeding als bedoeld in art. 4:36
lid 1BW. Het komt tot het oordeel dat nu de voordelen de maximaal gepretendeerde aanspraak overstijgen, überhaupt geen vergoeding verschuldigd is. Ik verwijs naar de overwegingen van het hof in rov. 6.4.6.4 en 6.4.6.5 van het eindarrest dat pas zal worden overgegaan tot een concrete berekening van de gestelde inbreng van [verzoeker] (aan de hand van deskundigenonderzoek en eventueel getuigenbewijs) indien ‘
in voldoende mate waarschijnlijk zal zijn dat [verzoeker] überhaupt enig bedrag toekomt’, wat volgens het hof pas kan worden vastgesteld ‘
nadat de aan hem toegekomen althans in billijkheid toe te rekenen voordelen in ogenschouw zijn genomen’. Bovendien benoemt het hof in rov. 6.5.1 expliciet het dat het gaat om de vraag naar ‘
al dan geen billijke vergoeding’.