Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
(1) Op de eerste dag van de maand moet voldoende saldo op de afgesproken bankrekening van [A] . bij FGH staan om € 33.000 aan rente en aflossing te kunnen afschrijven. Op 1 december 2014 bedroeg het saldo minder dan € 33.000 en kon het verschuldigde bedrag aan rente en aflossing niet afgeboekt worden (rov. 3.17 van het vonnis in verbinding met rov. 2.17 van het arrest).
(2) De werkelijke huuropbrengsten die binnenkwamen op de afgesproken bankrekening van [A] . bij FGH kwamen niet overeen met het door [A] . aangeleverde overzicht van huurstromen (rov. 3.18 van het vonnis in verbinding met rov. 2.17 van het arrest).
(3) De betalingsachterstand mocht niet groter worden dan het overeengekomen maximum van € 50.000. Op 1 december 2014 was die betalingsachterstand groter (rov. 3.18-3.19 van het vonnis in verbinding met rov. 2.17 van het arrest).
Onderdeel 1betreft de oordelen ten aanzien van tekortkomingen (1) en (3). Van dit onderdeel formuleert
subonderdeel 1.1een motiveringsklacht tegen het oordeel ten aanzien van tekortkoming (3).
Subonderdeel 1.2bestrijdt vervolgens met een voortbouwende klacht het oordeel ten aanzien van tekortkoming (1).
Onderdeel 2formuleert een motiveringsklacht tegen het oordeel ten aanzien van tekortkoming (2).
Subonderdeel 1.3en
onderdeel 3bevat louter voortbouwklachten.
Dit oordeel is in cassatie als zodanig niet aan de orde, al wordt het wel bestreken door de voortbouwklacht van
subonderdeel 3.2. In cassatie is daarom alleen aan de orde de vraag of [A] ., zoals rechtbank en hof hebben geoordeeld, zijn tekortgeschoten c.q. in verzuim waren.
onderdeel 2. Dit onderdeel klaagt over het oordeel van het hof in rov. 2.17, waarin het hof onder meer rov. 3.18 van het vonnis van de rechtbank tot de zijne maakt. De rechtbank overwoog met betrekking tot de tekortkoming ten aanzien van de huurstromen:
onderdeel 2is het oordeel van het hof onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof in zijn arrest niet is ingegaan op de in het onderdeel genoemde stellingen die Emergo op dit punt in
hoger beroepheeft ingenomen en evenmin op het daarop volgende partijdebat. De stellingen van Emergo komen erop neer dat [A] . alle benodigde informatie hebben verstrekt en dat de huurstromen niet afweken van de door [A] . verstrekte informatie. Daarbij hebben [A] . vermeld dat (a) T-Mobile de huur op de vijftiende van de maand betaalde, (b) Sneakers een huurverlaging wilde en (c) het huurcontract voor de [a-straat] op 1 december 2014 zou aflopen, aldus de klacht.
onderdeel 2worden genoemd.
(i) Emergo heeft, als onderdeel van de feiten, gesteld dat FGH exact bekend was op welk moment een huurder betaalde en welk bedrag werd ontvangen, en vervolgens nog specifiek dat FGH ermee bekend was dat T-Mobile altijd op de 15e dag van de maand betaalde. [4] (ii) FGH heeft daarop gesteld dat zij er niet exact mee bekend was op welk moment een huurder betaalde en welk bedrag werd ontvangen. FGH voerde aan dat van de tien huurders die [betrokkene 1] op zijn overzicht had opgenomen, twee met name genoemde huurders minder huur betaalden dan [betrokkene 1] had opgegeven, dat één pand aan de [a-straat] in [plaats] in afwijking van de opgave van [A] . niet was verhuurd, dat twee met name genoemde huurders hun huur per 1 januari 2015 en 1 februari 2015 hadden opgezegd, en dat één ander pand vanaf 1 januari 2015 leeg stond. [5] (iii) Emergo heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de huurstromen van de tien huurders uit het overzicht van 19 november 2014 al bij FGH binnenkwamen, dat FGH dus precies wist wanneer welke huurder betaalde, dat de datum verschilde per maand, en dat FGH alle huurcontracten had en dus wist dat de huur van het huurobject aan de [a-straat] per 1 december 2014 eindigde. Verder voerde Emergo aan dat het overzicht van 19 november 2014 aangaf wat op dat moment de huurstroom was en dat FGH wist dat dit geen 100% garantie gaf, omdat er altijd fluctuaties in de huurstromen zijn, bijvoorbeeld door huurders die later betalen of die een bedrag verrekenen met de huur in verband met onderhoud. [6] (iv) FGH heeft tijdens die mondelinge behandeling gereageerd dat het niet de taak van FGH is om in kaart te brengen wanneer de huursommen binnenkomen. FGH heeft [betrokkene 1] verzocht om een overzicht van de huurstromen te geven; het was FGH niet bekend dat er ten opzichte van het overzicht van 19 november 2014 huurders waren vertrokken. [betrokkene 1] heeft desgevraagd bevestigd dat er sprake was van een stabiele huurderssituatie en dat bleek begin december 2014 niet zo te zijn. [7] (v) Een en ander heeft de rechtbank gebracht tot zijn hiervoor (in 2.6) geciteerde overweging over de huurstromen.
onderdeel 2− de hiervoor genoemde overweging van de rechtbank over de huurstromen bestreden met haar
grief XVIIen daarbij ter toelichting aangevoerd: [8]
onderdeel 2bedoelde huurders, heeft Emergo in hoger beroep ook aangevoerd, zij het in het kader van andere grieven, met name de
grieven III, Ven
XI. [9]
[A] . komt zijn afspraken met FGH Bank niet na”. FGH heeft daarbij ook gereageerd op de in het kader van andere grieven dan
grief XVIIdoor Emergo aangevoerde stellingen over de bijzonderheden ten aanzien van de in
onderdeel 2bedoelde huurders. Het is voor mij daarom niet evident dat het hof, zoals FGH in cassatie betoogt, [10] niet op de stellingen over de in
onderdeel 2bedoelde huurders behoefde in te gaan op de enkele grond dat deze stellingen niet werden aangevoerd in het kader van
grief XVII.
onderdeel 2bedoelde stellingen inhoudelijk bestreden. Zij heeft daartoe gemotiveerd en onder verwijzing naar bewijsstukken aangevoerd dat de werkelijke huuropbrengsten niet overeenkwamen met de informatie die [A] . aan FGH hadden verstrekt. Daartoe heeft FGH opgemerkt dat de door [A] . verstrekte informatie ten aanzien van zes van de tien huurders niet klopte. Onder die zes huurders, waren niet de in
onderdeel 2onder (a) en (b) genoemde huurders, die volgens FGH “
nu juist twee van de weinige huurders waren waarvan de daadwerkelijke huuropbrengsten wél overeenkwamen met het door [A] . verstrekte overzicht”. [11] Op deze stellingen heeft Emergo bij pleidooi in hoger beroep niet meer specifiek gereageerd. Wel heeft zij betoogd dat een vastgoedportefeuille een dynamisch geheel is, waaraan inherent is dat bedragen wijzigen, en dat [betrokkene 1] naar eer en geweten alle door FGH opgevraagde informatie heeft aangeleverd. [12]
De in
onderdeel 2bedoelde stellingen van Emergo over de bijzonderheden van de in het onderdeel genoemde huurders en de stelling van FGH dat de huuropbrengsten afweken van het overzicht van de huurstromen, zijn ook in eerste aanleg onderwerp van het debat geweest en door de rechtbank beoordeeld. Het hof kon dit oordeel zonder nadere motivering tot het zijne maken. De in
onderdeel 2bedoelde stellingen van Emergo in hoger beroep doen er voorts niet aan af dat FGH ook in hoger beroep onweersproken heeft aangevoerd dat de huuropbrengsten die op de bankrekening van FGH binnenkwamen, in afwijking van de daarover gemaakte afspraak, in elk geval gedeeltelijk afweken van het door [A] . aangeleverde overzicht van huurstromen.
onderdeel 2, ontbreekt belang bij de klachten van de overige onderdelen van het principale middel. Ik bespreek deze onderdelen ten overvloede.
Daarnaast zijn, zoals overeengekomen, de achterstanden in de aflossingen van de bestaande leningen over de periode juli 2013 tot en met juni 2014 teruggedraaid.” Het subonderdeel betoogt, samengevat, dat hieruit kan volgen (i) dat partijen waren overeengekomen dat de achterstand in aflossingen over de periode juli 2013 tot en met juni 2014 zou worden teruggedraaid, en (ii) dat als feitelijk juist is dat FGH in strijd met die afspraak de aflossingen heeft teruggedraaid tot 1 juni 2014, het daarmee gemoeide bedrag (€ 11.900) kan meebrengen dat de betalingsachterstand op 1 december 2014 minder dan € 50.000 beliep.
Dit is mijns inziens echter niet voldoende om het door het subonderdeel bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk te noemen. Daarvoor is mijns inziens nodig dat er zoveel duidelijkheid bestaat over de voorwaarden van de afspraak en over de uitvoering ervan, dat een voldoende precies verband kan worden gelegd tussen de wijze van uitvoering van de afspraak en het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden.
Dit is hier niet het geval, omdat het debat bij pleidooi op dit punt beperkt is gebleven. [14] Emergo suggereert, als ik het goed zie, bij schriftelijke repliek (p. 2) dat de voorwaarden intussen weer gewijzigd konden zijn. Voorts hebben de advocaten van FGH bij pleidooi gesteld dat zij de cijfers in de berekening van Emergo op dat moment niet konden controleren, en is het hof niet ingegaan op de cijfermatige onderbouwing van Emergo van haar stelling dat FGH een maand te weinig heeft teruggedraaid en dat daarmee een bedrag van € 11.900 was gemoeid. [15] Naar mijn mening kan niet gezegd worden dat het oordeel van het hof, gezien het beperkte partijdebat over deze kwestie ter gelegenheid van het pleidooi, onbegrijpelijk is te noemen.
subonderdeel 1.1slaagt niet.
subonderdeel 1.1berust overigens op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Waar het hof in rov. 2.17 zich aansluit bij de rov. 3.14-3.19 van de rechtbank, gaat het om de kwestie van de “spookboete”.
subonderdeel 1.1naar mijn mening niet slaagt.
Bovendien veronderstelt
subonderdeel 1.2een verband tussen de hiervoor (in 2.2) bedoelde tekortkoming (3) en tekortkoming (1), dat niet nader wordt toegelicht. Indien er geen tekortkoming is in de nakoming van de verplichting dat de betalingsachterstand niet groter mocht worden dan € 50.000, zou dit volgens
subonderdeel 1.2meebrengen dat er (mogelijk) ook geen tekortkoming is in de nakoming van de verplichting dat op de eerste dag van de maand voldoende saldo op de afgesproken bankrekening van [A] . bij FGH moet staan om € 33.000 aan rente en aflossing te kunnen afschrijven. Het subonderdeel maakt echter niet duidelijk waarom dit het geval zou zijn, met name niet waarom de omstandigheid dat FGH een maand extra aflossing had moeten opschorten zodat de betalingsachterstand minder dan € 50.000 zou zijn geweest, ertoe zou hebben geleid dat er op 1 december 2014 meer saldo zou zijn geweest op de rekening van [A] . bij FGH waarop de huurinkomsten moesten worden gestort (zie de feitelijke vaststelling in rov. 2.3, hiervoor aangehaald in 1.1 onder (iii)). Rechtbank en hof spreken van drie tekortkomingen (rov. 2.17 van het bestreden arrest in verbinding met rov. 3.19 van het vonnis), zonder een verband als bedoeld in het subonderdeel te leggen tussen twee van deze drie tekortkomingen.
subonderdelen 1.1-1.2en slaagt evenmin.
subonderdelen 3.1-3.2klachten die voortbouwen op de voorgaande (sub)onderdelen en die evenmin slagen.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
subonderdeel 1.1van het middel in het principale cassatieberoep slaagt of onbehandeld blijft. Nu niet aan deze voorwaarde is voldaan, zie ik af van een bespreking van het incidentele cassatiemiddel.