ECLI:NL:PHR:2023:465

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 mei 2023
Publicatiedatum
2 mei 2023
Zaaknummer
23/00649
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 WvggzArt. 14a Wet BopzArt. 14c lid 7 Wet BopzArt. 14d lid 1 Wet BopzArt. 9 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling duur zorgmachtiging en aaneengesloten gedwongen zorg onder Wvggz en Wet Bopz

In deze zaak staat de duur van een zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) centraal. De rechtbank had een aansluitende zorgmachtiging voor twee jaar verleend, waarbij de vraag speelde of aan de vereiste van vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg was voldaan. Betrokkene voerde aan dat voorwaardelijke machtigingen op grond van de oude Wet Bopz niet mee mochten tellen en dat er onderbrekingen in de zorgperiode waren.

De rechtbank oordeelde dat voorwaardelijke machtigingen onder de Wet Bopz wel meetellen en dat de onderbrekingen in de zorg niet tot een daadwerkelijke onderbreking van de aaneengesloten periode leidden, mede omdat verzoeken tot aansluitende machtigingen tijdig waren ingediend en de beslistermijnen werden nageleefd. De Hoge Raad bevestigde deze interpretatie en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat ook zorg op basis van voorwaardelijke machtigingen meetelt bij de berekening van de vijfjaarseis.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de zorgmachtiging voor de duur van twee jaar passend is, gelet op het langdurige herstel en de noodzaak van ambulante behandeling. Daarmee is de rechtmatigheid van de zorgmachtiging en de interpretatie van de aaneengesloten zorgperiode onder de Wvggz en Wet Bopz bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging voor twee jaar blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00649
Zitting2 mei 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
De Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk officier van justitie

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz zaak wordt geklaagd over de duur van de zorgmachtiging. De rechtbank heeft een aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van twee jaar tot en met 18 november 2024. Geklaagd wordt dat niet voldaan is aan de voorwaarde in art. 6:5 onder Pro c Wvggz dat sprake moet zijn van vijf jaar verplichte zorg, nu een voorwaardelijke machtiging die is verleend op basis van de Wet Bopz (oud), niet meetelt bij de berekening op de voet van art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz van de termijn van vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg. Verder wordt geklaagd dat geen sprake is geweest van een periode van vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg, omdat zich tussen 4 augustus 2017 en 25 augustus 2017 en tussen 4 augustus 2019 en 30 augustus 2019 een onderbreking van de aan betrokkene verleende gedwongen zorg heeft voorgedaan.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij beschikking van 15 december 2021 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 15 december 2022.
2.2
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Amsterdam ingekomen op 2 november 2022, heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van twee jaar. Bij dat verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd die op 27 oktober 2022 is ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. De officier van justitie heeft voorgesteld – voor de gehele looptijd van de te verlenen machtiging – daarin de volgende vormen van verplichte zorg op te nemen:
- toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- beperken van het recht op ontvangen van bezoek;
- opnemen in een accommodatie.
2.3
Op 18 november 2022 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene, bijgestaan door haar advocaat en de psychiater gehoord.
2.4
Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene over de duur van de machtiging het volgende aangevoerd:
“Over de duur van de zorgmachtiging het volgende. Ik zie geen periode van vijf jaar aaneengesloten zorg. Van 4 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 zit een gat van 26 dagen en begin augustus is ook sprake van een gat van 21 dagen. Het is geen continue verhaal en ik verzoek u daarom de zorgmachtiging voor maximaal twaalf maanden te verlenen. Subsidiair gezien de ontwikkelingen van betrokkene ten aanzien van de medicatie, verzoek ik u ook de machtiging in duur te bekorten tot maximaal twaalf maanden.
U zegt mij dat die vijf jaren aaneengesloten zorg vooraf bekeken is en dat er wat u betreft is voldaan aan de vijfjaarstermijn aaneengesloten verplichte zorg: Ik heb die stukken zo snel niet paraat, maar er zijn twee uitspraken van de Hoge Raad en het is een strenge toets van de Hoge Raad. Los daarvan pleit ik alsnog voor een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden.”
2.5
Bij mondelinge uitspraak van 18 november 2022 [1] heeft de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van twee jaar tot en met 18 november 2024. De rechtbank heeft de verzochte vormen van zorg toegewezen waarbij de duur van de verplichte zorg in de vorm van insluiten wordt beperkt tot telkens één maand. Ten aanzien van de duur van de machtiging heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“2.10. Art, 6;5, aanhef en onder c, Wvggz bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor twee jaar, indien het een aansluitende zorgmachtiging betreft voor een persoon die gedurende de afgelopen vijf jaar 1) verplichte zorg heeft ontvangen, 2) opgenomen is geweest, respectievelijk zorg heeft ontvangen op grond van een eerder afgegeven machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling of rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz (oud), of 3) is geplaatst op grond van art. 37 lid Pro 1 (oud) Wetboek van Strafrecht. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:835) dat het bij de berekening van de periode dat de betrokkene gedwongen zorg heeft ontvangen, gaat om een aaneengesloten periode. Dat betekent dat de rechter ten aanzien van de betrokkene alleen dan een aansluitende zorgmachtiging voor twee jaar kan verlenen als de betrokkene gedurende de afgelopen vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg heeft ontvangen op grond van de Wvggz, de Wet Bopz (oud) of art. 37 (oud) Wetboek van Strafrecht.
2.11.
In geval van beide door de advocaat naar voren gebrachte onderbrekingen is het verzoek door de officier van justitie ter verkrijging van een nieuwe voorwaardelijke machtiging vóór afloop van de lopende nieuwe voorwaardelijke machtiging bij de rechtbank ingediend. Respectievelijk op 3 augustus 2017 (de machtiging verliep op 4 augustus 2017) en 2 augustus 2019 (de machtiging verliep op 4 augustus 2019).
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onderbreking tussen opvolgende nieuwe voorwaardelijke machtigingen onder de Wet Bopz zoals de advocaat betoog[t]. Op grond van. art. 14c lid 7 Wet Bopz is het bepaalde in art, 14a Wet Bopz van overeenkomstige toepassing. Op grond van art. 14a lid 4 Wet Bopz is ook het bepaalde in art. 9 Wet Pro Bopz van overeenkomstige toepassing. Op grond van art. 9, lid 1 Wet Bopz beslist de rechter ‘zo spoedig mogelijk’ en is zij dus niet, anders dan in het geval betrokkene in een accommodatie opgenomen zou zijn, aan een andere beslistermijn gebonden (zie ook ECLI:NL:HR:2020:305 en ECLI:NL:PHR:2020:28). Uit het dossier blijkt voorts niet dat sprake is geweest van conversie van de nieuwe voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging. Op grond van de Wvggz is op grond van art. 6:2, eerste lid onder a en e Wvggz telkens binnen de beslistermijn van drie weken beslist. Het voorgaande leidt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat in augustus 2022 sprake was van vijf jaren aaneengesloten zorg. De rechtbank is daarbij tevens van oordeel dat gelet op het langdurige herstel van betrokkene in het verleden en de noodzaak van ambulante behandeling nadat de opname in de accommodatie is beëindigd, met zich meebrengt dat een zorgmachtiging voor de duur van twee jaren passend en geboden is.”
2.6
Namens betrokkene is – tijdig [2] – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat twee klachten die beide zien op de duur van de verleende machtiging. De klachten betogen in de kern dat niet is voldaan aan de vijfjaarseis uit art. 6:5 onder Pro c Wvggz.
3.2
De eerste klacht (onder 1.1)voert aan dat een voorwaardelijke machtiging die is verleend op basis van de Wet Bopz (oud), niet meetelt bij de berekening op de voet van art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz van de termijn van vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg die is vereist om op basis van de Wvggz een zorgmachtiging voor twee jaar te kunnen verlenen.
3.3
Bij beschikking van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:564 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de berekening op de voet van art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz van het aantal jaren aaneengesloten gedwongen zorg, ook zorg die is verleend op basis van een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz (oud), in aanmerking wordt genomen. De Hoge Raad overwoog:
“3.2.2 De tekst van art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz biedt geen steun aan de opvatting dat zorg die is verleend op basis van een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz (oud), buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening op de voet van art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz van de termijn van vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg die is vereist om op basis van de Wvggz een zorgmachtiging voor twee jaar te kunnen verlenen. Uit de passage in de wetsgeschiedenis van de zogeheten Spoedreparatiewet Wvggz en Wzd die wordt aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.42, valt veeleer af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat de rechter bij de berekening op de voet van art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz, elke vorm van gedwongen zorg die is verleend op grond van de Wvggz of de Wet Bopz (oud) dan wel door middel van plaatsing op grond van art. 37 (oud) Wetboek van Strafrecht, in aanmerking neemt.
Voorts volgt uit de regeling van de voorwaardelijke machtiging van art. 14a Wet Bopz (oud) dat daarbij werd voorzien in gedwongen zorg als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz. Het verlenen van een voorwaardelijke machtiging was immers slechts mogelijk onder de voorwaarde dat de betrokkene zich onder behandeling stelde van de behandelend psychiater, overeenkomstig het daartoe opgestelde behandelingsplan (art. 14a leden 5 en 6 Wet Bopz (oud)). Indien de betrokkene zich niet hield aan de hem opgelegde voorwaarden, kon de geneesheer-directeur op grond van art. 14d Wet Bopz (oud) besluiten tot opneming van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, in voorkomend geval tegen de wil van de betrokkene.
Dat art. 19 Wet Pro Bopz (oud) op een ander uitgangspunt berust dan art. 6:5 Wvggz Pro, legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal.
Een en ander is grond om te aanvaarden dat bij de berekening op de voet van art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz van het aantal jaren aaneengesloten gedwongen zorg, ook zorg die is verleend op basis van een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz (oud), in aanmerking wordt genomen.”
3.4
Hieruit volgt dat de eerste klacht faalt.
3.5
De tweede klacht voert aan dat geen sprake is geweest van een periode van vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg, omdat zich tussen 4 augustus 2017 en 25 augustus 2017 en tussen 4 augustus 2019 en 30 augustus 2019 een onderbreking van de aan betrokkene verleende gedwongen zorg heeft voorgedaan.
3.6
Art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz kijkt terug naar de afgelopen vijf jaar. In cassatie is dus enkel van belang of betrokkene vanaf 18 november 2017 aaneengesloten verplichte zorg heeft ontvangen. Voor zover de klacht dus klaagt dat er tussen 4 augustus 2017 en 25 augustus 2017 een onderbreking heeft plaatsgevonden, is dit voor de vraag of voldaan is aan de vijfjaarstermijn van 6:5, aanhef en onder c, Wvggz niet van belang. In zoverre faalt de klacht dan ook.
3.7
Voor de duur van de machtiging is wel van belang of er tussen 4 augustus 2019 en 30 augustus 2019 een onderbreking was. Uit de stukken blijkt dat bij beschikking van 2 augustus 2018 ten aanzien van betrokkene een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz (oud) is verleend voor de periode tot 5 augustus 2019. Zoals door de Hoge Raad overwogen in de beschikking van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:564 kon volgens de rechtspraak van de Hoge Raad over de Wet Bopz (oud) de geneesheer-directeur een besluit tot opneming van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 14d lid 1 Wet Bopz (oud) niet alleen nemen gedurende de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging, maar ook nog daarna gedurende een termijn van vier weken na afloop van deze geldigheidsduur, mits vóór het verstrijken van de voorwaardelijke machtiging een verzoek was ingediend tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging. [3]
3.8
In de onderhavige zaak is aan de voorwaarden voldaan. De officier van justitie heeft op 2 augustus 2019 – dus voor het verstrijken van de voorwaardelijke machtiging op 5 augustus 2019 – verzocht om een nieuwe voorwaardelijke machtiging. De nieuwe voorwaardelijke machtiging is bij beschikking van 30 augustus 2019 verleend. Dat is binnen een termijn van vier weken waarbinnen de geneesheer-directeur een besluit tot opneming van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 14d lid 1 Wet Bopz (oud) kon nemen. Het voorgaande brengt mee dat tussen 5 augustus 2019 en 30 augustus 2019 een wettelijke grondslag bestond voor het verlenen van gedwongen zorg aan betrokkene als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz. Het onderdeel faalt dan ook.
3.9
Zowel bij de rechtbank als in cassatie is niet geklaagd over een mogelijke onderbreking tussen de machtiging die bij beschikking van 30 augustus 2019 is verleend tot 5 augustus 2020 en de op 6 augustus 2020 verleende (eerste) zorgmachtiging tot 6 feb 2021. Nu de voorwaardelijke machtiging echter tot 5 augustus 2020 was verleend en er op 6 augustus 2020 pas een nieuwe machtiging was verleend, zou dat een onderbreking van verplichte zorg kunnen beteken. Geheel ten overvloede merk ik daarover echter het volgende op.
3.1
De (eerste) zorgmachtiging is verzocht op 24 juli 2020 dus voor het aflopen van de voorgaande voorwaardelijke machtiging. Op 6 augustus 2020, dus binnen twee weken na het verzoek, heeft de rechter op dit verzoek beslist. Uit art. 15:1 lid Pro 1, aanhef en onder c, en lid 2 Wvggz volgt – voor zover hier van belang – dat de Wet Bopz (oud) van toepassing blijft op een machtiging die vóór 1 januari 2020 is verleend. Dit betekent dat de op 30 augustus 2019 verleende voorwaardelijke machtiging ook ná 1 januari 2020 was onderworpen aan het bepaalde in de Wet Bopz (oud). Van een onderbreking van zorg tussen deze machtigingen is dan ook geen sprake geweest.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De beschikking is op 2 december 2022 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
2.De cassatietermijn verstreek op zaterdag 18 februari 2023. Ingevolge art. 1 lid 1 van Pro de Algemene termijnenwet werd de termijn verlengd tot en met maandag 20 februari 2023. Op die dag is de procesinleiding via het portaal van de Hoge Raad ingediend.
3.HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1040, NJ 2014/523 m.nt. J. Legemaate, rov. 4.2.3.