ECLI:NL:PHR:2023:48
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot aanwijzing ander gerecht voor vervolging rechterlijk ambtenaar
In deze zaak is door het Openbaar Ministerie van het arrondissementsparket Limburg een verzoek ingediend bij de Hoge Raad om een ander gerecht aan te wijzen voor de mogelijke vervolging en berechting van een senior rechter werkzaam bij de rechtbank Limburg. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 510 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat wanneer een rechterlijk ambtenaar vervolgd moet worden, een ander gerecht van gelijke rang wordt aangewezen om belangenverstrengeling te voorkomen.
De aangifte tegen de betrokkene betreft een poging tot overtreding van artikel 284 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarbij de rechterlijke ambtenaar wordt verdacht van het wederrechtelijk dwingen van een advocaat door middel van dreiging met aangifte van meineed. Het verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht is ingediend voordat het Openbaar Ministerie een oordeel heeft gevormd over het redelijk vermoeden van schuld, wat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet aan toewijzing in de weg staat.
De Procureur-Generaal geeft in zijn conclusie aan dat, indien het verzoek wordt toegewezen, het aan het parket van het aangewezen gerecht is om de vervolgingskans en opportuniteit te beoordelen. Hij stelt de rechtbank Rotterdam voor als het gerecht dat de zaak zou moeten behandelen. Hiermee wordt beoogd een onafhankelijke en onpartijdige behandeling van de zaak te waarborgen.
Uitkomst: De Hoge Raad zal een ander gerecht aanwijzen dan de rechtbank Limburg voor de vervolging van de senior rechter.