ECLI:NL:PHR:2023:48

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2023
Publicatiedatum
10 januari 2023
Zaaknummer
23/00013
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 510 SvArt. 284 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot aanwijzing ander gerecht voor vervolging rechterlijk ambtenaar

In deze zaak is door het Openbaar Ministerie van het arrondissementsparket Limburg een verzoek ingediend bij de Hoge Raad om een ander gerecht aan te wijzen voor de mogelijke vervolging en berechting van een senior rechter werkzaam bij de rechtbank Limburg. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 510 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat wanneer een rechterlijk ambtenaar vervolgd moet worden, een ander gerecht van gelijke rang wordt aangewezen om belangenverstrengeling te voorkomen.

De aangifte tegen de betrokkene betreft een poging tot overtreding van artikel 284 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarbij de rechterlijke ambtenaar wordt verdacht van het wederrechtelijk dwingen van een advocaat door middel van dreiging met aangifte van meineed. Het verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht is ingediend voordat het Openbaar Ministerie een oordeel heeft gevormd over het redelijk vermoeden van schuld, wat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet aan toewijzing in de weg staat.

De Procureur-Generaal geeft in zijn conclusie aan dat, indien het verzoek wordt toegewezen, het aan het parket van het aangewezen gerecht is om de vervolgingskans en opportuniteit te beoordelen. Hij stelt de rechtbank Rotterdam voor als het gerecht dat de zaak zou moeten behandelen. Hiermee wordt beoogd een onafhankelijke en onpartijdige behandeling van de zaak te waarborgen.

Uitkomst: De Hoge Raad zal een ander gerecht aanwijzen dan de rechtbank Limburg voor de vervolging van de senior rechter.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/00013
Zitting10 januari 2023

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak

[betrokkene] ,

hierna: de betrokkene
Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van 21 december 2022 van mr. J.A.C. van Berkel, hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Limburg, met het verzoek op de voet van art. 510 Sv Pro een ander gerecht aan te wijzen voor de mogelijke vervolging en berechting van [betrokkene] , senior rechter A in de rechtbank Limburg, […] .
Tegen de betrokkene is op 23 november 2022 aangifte gedaan door [aangever] , advocaat te Maastricht, van (poging tot) overtreding van art. 284 Sr Pro. De betrokkene heeft naar de mening van aangever getracht hem door een feitelijkheid - te weten door aangever te dreigen met aangifte van meineed - wederrechtelijk te dwingen iets te doen, namelijk zich terug te trekken uit de advocatuur.
Art. 510, eerste lid, Sv luidt:
“Indien een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd en berecht, wordt, op verzoekschrift van het openbaar ministerie naar de gewone regelen met de vervolging belast, door den Hoogen Raad een ander gerecht van gelijken rang als het anders bevoegde aangewezen, voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaats hebben.”
4. Het verzoek om een ander gerecht aan te wijzen dan de rechtbank Limburg wordt gedaan voordat door het Openbaar Ministerie dat naar de gewone regels met de vervolging is belast, is beoordeeld of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Die omstandigheid staat aan toewijzing van het verzoek niet in de weg. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het Openbaar Ministerie ook bevoegd is tot het doen van een verzoek als bedoeld in art. 510 Sv Pro indien het zich nog geen oordeel heeft gevormd over de vraag of een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt. [1]
5. Uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat tegen de betrokkene aangifte is gedaan van (poging tot) overtreding van art. 284 Sr Pro en dat dit feit zou zijn gepleegd terwijl de betrokkene rechterlijk ambtenaar was in de rechtbank Limburg.
6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek ten aanzien van de betrokkene vatbaar is voor toewijzing.
7. Voor de volledigheid wijs ik erop dat het, in geval van toewijzing, vervolgens aan het parket bij het door de Hoge Raad aangewezen gerecht is om te beoordelen of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en om de haalbaarheid en de opportuniteit van de vervolging te beoordelen.
8. Ik concludeer dat de Hoge Raad een andere rechtbank - waarbij ik de rechtbank Rotterdam in overweging geef - zal aanwijzen als rechtbank voor welke, zo het Openbaar Ministerie bij de aangewezen rechtbank dat nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

PG

Voetnoten

1.HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4091, AU4093 en AU4097 en HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU8509. Zie hierover ook A.J.A. van Dorst, ‘De aanwijzing van een ander gerecht’, in: F.W. Bleichrodt, J.A.W. Lensing en P.C. Vegter (red.),