Conclusie
[Holding])
[verweerder])
1.Feiten
arrest) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het
hof) feiten vastgesteld, waarvan in cassatie kan worden uitgegaan en waarnaar ik verwijs.
[Groep]) die voorheen werden bestuurd door en (indirect) toebehoorden aan [senior] (hierna:
[senior]). Uit het eerste huwelijk van [senior] zijn drie kinderen geboren: [kind 1] (hierna:
[kind 1]), [kind 2] (hierna:
[kind 2]) en [verweerder] . Uit een tweede huwelijk zijn nog twee kinderen geboren. Op 20 april 1999 is [senior] overleden.
Multiveer), die op haar beurt een belang had in diverse werkmaatschappijen met activiteiten in de scheep- en luchtvaart. Een van de vennootschappen waarvan Multiveer de aandelen hield was GenChart Holding B.V., die op haar beurt aandelen hield in Speed Ferries Ltd. en Greenpark B.V. (hierna:
Greenpark). Greenpark had weer belangen in Air Alpha A/S. Verder hield [Holding] aandelen in Ridderveer B.V. en Y.V.C. Holding B.V. Daarnaast maakte onder meer GenChart B.V. (hierna:
Genchart) deel uit van de [Groep] .
STAK). Volgens art. 11 lid 3 van Pro de statuten van STAK worden besluiten van het bestuur genomen met meerderheid van stemmen en brengt ieder bestuurslid een stem uit.
Bladi). Volgens Bladi’s statuten bestaat het bestuur uit een of meer bestuurders (art. 8 lid Pro 1). Zij worden benoemd, geschorst en ontslagen door de algemene vergadering (art. 8 lid Pro 2). Haar besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen (art. 10 lid Pro 5).
[A]) en Luckey Establishment (hierna:
Luckey, gezamenlijk met [verweerder] :
c.s., in mannelijk enkelvoud). Ieder voor 1/3 deel, waarbij [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) ten aanzien van [A] en Luckey op grond van een ‘declaration of trust’ de ‘founders rights’ voor [kind 2] en [verweerder] houdt en zijn bevoegdheden conform de instructies van respectievelijk [kind 2] en [verweerder] uitoefent. Volgens de ‘Beistatuten’ van [A] en Luckey zijn respectievelijk [kind 2] en [verweerder] de begunstigden ten aanzien van het kapitaal en de verdiensten van deze rechtspersonen.
[Beheer B.V.]), bestuurder geworden van [Holding] . Per dezelfde datum is [kind 1] namens de certificaathouders lid van het bestuur van STAK geworden. Het bestuur van STAK bestond vanaf dat moment uit [kind 1] , [verweerder] (namens het bestuur van [Holding] ) en [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) (als onafhankelijke bestuurder).
[betrokkene 3]) per 1 oktober 2009 benoemd tot enig bestuurder van [Holding] in plaats van [Beheer B.V.] . Voor zijn benoeming tot bestuurder van [Holding] was [betrokkene 3] sinds 2003 als advocaat werkzaam voor [Holding] en haar werkmaatschappijen.
rechtbank). [4]
ship management fees, vermeerderd met rente;
Bestuurdersaansprakelijkheid
ship management fees, de Spaanse villa, investeringen in Air Alpha en Speed Ferries, en de garantstellingsprovisies dan ook ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat de kennis van [verweerder] kan worden toegerekend aan de desbetreffende rechtspersonen waaronder [Holding] , aldus [Holding] (grief 19). Bij memorie van grieven heeft [Holding] het hof verzocht om in dit kader de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen, maar bij pleidooi heeft zij zich op het standpunt gesteld dat dit niet meer nodig is, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413. Tegen het oordeel dat de vorderingen zijn verjaard heeft [Holding] voorts aparte grieven gericht:
ship management fees(grief 20), Spaanse villa (grief 21), investeringen in Air Alpha en Speed Ferries (grief 22) en garantstellingsprovisies (grief 23). Ten slotte heeft [Holding] een grief gericht tegen het oordeel dat haar vorderingen inzake nabetalingen dividendbelasting niet toewijsbaar zijn (grief 24).
Ship management fees
ship management feeshet volgende ten grondslag gelegd. In 2004 en 2005 werd Genchart bestuurd door Genchart Holding. Genchart Holding werd op haar beurt in die periode bestuurd door [Beheer B.V.] welke vennootschap in die periode werd bestuurd door [verweerder] , [kind 1] en [kind 2] . Er waren diverse managementovereenkomsten van kracht tussen Genchart en Clipper Elite Carriers A/S (hierna: Clipper) alsmede tussen Genchart en diverse scheepvaart-CV's met betrekking tot het management van een aantal schepen. Op grond van deze overeenkomsten zou Genchart 3% over de vracht krijgen en zou door haar aan Clipper vanaf 1 juli 2004 slechts een vast bedrag van USD 7.500 per maand per CV worden betaald. Het (aanzienlijk positieve) verschil hiertussen zou als management fee ten goede (blijven) komen aan Genchart. In dat kader had Genchart over de jaren 2004 en 2005 recht op betaling van een bedrag van USD 2.028.882,-. Dit bedrag is echter door Clipper, op instructie van [verweerder] , niet betaald aan Genchart maar (direct dan wel indirect) aan het door [betrokkene 1] gecontroleerde Fox Worldwide Investments Ltd. (hierna: Fox), waarvan [verweerder] zelf belanghebbende is. Op 1 maart 2006 is een bedrag van USD 1.343.882,56 betaald aan Fox op een bankrekening bij Bank Hoffmann te Zwitserland. Een ontbrekend bedrag van USD 75.000 is op 10 maart 2006 door Clipper aan Fox betaald. De USD 610.000 die wel door Clipper aan Genchart was betaald, is door Genchart doorbetaald aan Fox. Aan deze betalingen lag geen rechtsgeldige titel ten grondslag. [verweerder] is daarom ten opzichte van Genchart tekortgeschoten in de behoorlijke vervulling van zijn taak zoals bedoeld in artikel 2:9 BW Pro. Gelet op het bepaalde in artikel 2:11 BW Pro rust de aansprakelijkheid van Genchart Holding jegens Genchart hoofdelijk op [verweerder] in privé. Bij akte van cessie van 6 juli 2015 heeft Genchart haar vordering overgedragen aan [Holding] en van die overdracht is op dezelfde datum mededeling gedaan aan [verweerder] , aldus nog steeds [Holding] .
treasuryvan de groep. Genchart wist dus in de persoon van [betrokkene 5] van de hoed en de rand, naast het statutaire bestuur. Uit de betrokkenheid en wetenschap van [betrokkene 5] volgt voorts dat [verweerder] niets verborgen hield voor Genchart of [Holding] . De verjaringstermijn is dus in maart 2006 gaan lopen en in maart 2011 voltooid, aldus [verweerder] c.s.
management feester hoogte van USD 610.000. Uit de e-mails van [verweerder] aan [betrokkene 1] van 1 maart 2006 en [betrokkene 5] aan [betrokkene 1] van 24 maart 2006 (productie 94 bij conclusie van repliek in reconventie en productie 176 bij conclusie van dupliek in reconventie) volgt dat [betrokkene 5] op de hoogte was van de constructie waarmee dit bedrag ten goede kwam aan Fox, namelijk door overdracht van een (andere) vordering en bijbetaling van het verschil. Uit de e-mails tussen [verweerder] , [betrokkene 5] en Clipper van 1 maart t/m 9 maart 2006 (productie 31 bij conclusie van eis in reconventie) volgt dat [betrokkene 5] op de hoogte was van de betaling van de bedragen van USD 1.343.882,56 en USD 75.000 door Clipper aan Fox. De stelling van [Holding] dat [verweerder] het (door)betalen aan Fox van bedragen die Clipper uit hoofde van
management feeaan Genchart betaalde of diende te betalen, verborgen heeft gehouden voor anderen binnen Genchart, verdraagt zich niet met deze betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] . [Holding] heeft deze stelling daarom onvoldoende onderbouwd. Voor het overige heeft [Holding] niet gesteld op grond waarvan in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de hoofdregel voor toerekening van de kennis van [verweerder] aan Genchart niet opgaat.
Bovendien geldt dat, gelet op de positie van financieel directeur van [betrokkene 5] bij Genchart, ook de kennis van [betrokkene 5] heeft te gelden als kennis van Genchart. [Holding] heeft in het licht van genoemde documenten en stellingen van [verweerder] c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist dat [betrokkene 5] op de hoogte was van de door Clipper aan Genchart verschuldigde betalingen en de betalingen door Genchart en Clipper aan Fox.
Spaanse villa
Bovendien geldt dat, gelet op de positie van financieel directeur van [betrokkene 5] bij [Holding] , ook de kennis van [betrokkene 5] heeft te gelden als kennis van [Holding] . [Holding] heeft in het licht van genoemde documenten en stellingen van [verweerder] c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist dat [betrokkene 5] op de hoogte was van de desbetreffende transacties en betalingen.
Garantstellingsprovisies
Bovendien geldt dat, gelet op de positie van financieel directeur van [betrokkene 5] bij Genchart, Greenpark en [Holding] , ook de kennis van [betrokkene 5] heeft te gelden als kennis van deze vennootschappen. [Holding] heeft in het licht van genoemde documenten en stellingen van [verweerder] c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist dat [betrokkene 5] op de hoogte was van de desbetreffende transacties en betalingen. Hetzelfde geldt voor de wetenschap van het toenmalige bestuur van Genchart en Greenpark.
Nabetalingen dividendbelasting
ship management fees€ 155.149.00
ship management feesgeldt dat deze volgens de stellingen van [Holding] het directe gevolg is van de onbehoorlijke taakvervulling die zij [verweerder] verwijt. Het hof heeft reeds geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van de gestelde onbehoorlijke taakvervulling is verjaard. Dat geldt dus ook voor de vordering tot vergoeding van schade bestaande uit deze nabetaling.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klacht. [16] Het hof heeft “het voorgaande” [17] miskend door in rov. 3.106, 3.109, 3.115, 3.127 van het arrest te overwegen dat wetenschap (kennis) van [verweerder] in de functie van (indirect) bestuurder (
in beginsel) heeft te gelden als wetenschap van de vennootschap in kwestie, behoudens
bijzondere omstandigheden. Het hof is kennelijk uitgegaan van de regel van het Treston/HDI-arrest van de Hoge Raad, [18] terwijl die regel - gelet op “het voorgaande” - niet van toepassing is als het gaat om een situatie waarbij de desbetreffende bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, althans om zijn eigen interne bestuurdersaansprakelijkheid. Althans had het hof tot uitgangspunt moeten nemen dat in een zodanige situatie sprake is van een bijzondere omstandigheid die meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt op het beginsel van toerekening van wetenschap van [verweerder] aan de vennootschap, althans in elk geval zolang die kennis van het onbehoorlijk bestuur niet is terechtgekomen bij de niet-geconflicteerde leden van het beslissingsbevoegde orgaan van de vennootschap.
tweede klacht. [19] Deze bouwt voort op de eerste klacht. Aldus dat het hof “[h]et in randnummer 22 en 23 gestelde” eveneens heeft miskend in rov. 3.109 (en 3.110), 3.115 (en 3.116) en 3.127-3.128, en wel door te overwegen dat een
werknemervan de vennootschap (te weten [betrokkene 5] , hierna:
[betrokkene 5]) wetenschap had en daaraan de conclusie te verbinden dat het onbehoorlijk handelen niet verborgen is gehouden voor
de vennootschap. En door te overwegen dat kennis van de werknemer aan de vennootschap dient te worden toegerekend.
derde klacht. [20] Als het hof “het voorgaande” (dus het in de eerste en tweede klacht bedoelde) niet heeft miskend en in rov. 3.109, 3.110, 3.115, 3.116, 3.127 en/of 3.128 besloten zou liggen dat [betrokkene 5] zijn wetenschap heeft gedeeld met de niet-geconflicteerde leden van het beslissingsbevoegde orgaan van de vennootschap, is die overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk. [verweerder] heeft namelijk niet de stelling ingenomen dat [betrokkene 5] zijn kennis heeft gedeeld met de niet-geconflicteerde leden van het beslissingsbevoegde orgaan toen hij op de hoogte raakte van de transacties (zie rov. 3.108, 3.114, 3.126). Dit brengt mee dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden als het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 5] zijn kennis heeft gedeeld met de niet-geconflicteerde leden van het beslissingsbevoegde orgaan, althans dat ’s hofs overwegingen blijk geven van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van [verweerder] als het dat wel in de processtukken van [verweerder] heeft gelezen.
vierde klacht. [21] Als ’s hofs overwegingen zo zouden moeten worden gelezen dat het hof uit de stellingen van [Holding] heeft afgeleid dat [Holding] slechts heeft aangevoerd dat [verweerder] zijn handelen verborgen heeft gehouden voor
anderenbinnen de vennootschap, dan is die uitleg van de stellingen van [Holding] onbegrijpelijk in het licht van die stellingen en de reactie daarop van [verweerder] . En/of dan zijn ’s hofs overwegingen in rov. 3.109, 3.115, 3.128 innerlijk tegenstrijdig met rov. 3.105, tweede zin (“De rechtbank heeft niet in haar oordeel betrokken”, etc.) en met rov. 3.109, 3.115, 3.128, waar het hof daar overweegt dat [Holding] heeft beoogd te stellen dat [verweerder] zijn handelen verborgen heeft gehouden voor Genchart en/of Greenpark en/of [Holding] . [Holding] heeft zeer nadrukkelijk haar stelling met betrekking tot het verborgen houden van het handelen toegespitst op
medebestuurders/commissarissenvan de vennootschap en zo heeft [verweerder] de stelling ook begrepen. Het stond het hof niet vrij de stelling anders uit te leggen.
vijfde klacht. [22] Als het hof uit de gedingstukken wél heeft afgeleid dat [Holding] heeft betoogd dat de wetenschap van [verweerder] niet aan de vennootschap dient te worden toegerekend omdat hij zijn onbehoorlijk handelen verborgen heeft gehouden voor zijn medebestuurders/commissarissen, terwijl het hof alleen heeft beoordeeld of [betrokkene 5] kennis had van de betalingen, heeft het hof verzuimd de stelling van [Holding] te bespreken althans te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van [Holding] , door te overwegen dat zij haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd en/of dat [Holding] niet heeft gesteld op grond waarvan in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de hoofdregel voor toerekening van kennis van [verweerder] aan de vennootschap niet opgaat. Ook in deze lezing is het oordeel van het hof onjuist althans onbegrijpelijk.
Inleidende opmerkingen
ship management fees(rov. 3.107-3.112), mede te lezen in het licht van rov. 3.105-3.106. Zie onder 2.7 sub b en 3.5.2 hiervoor.
ship management fees(rov. 3.131-3.133), mede te lezen in het licht van rov. 3.105-3.106 en 3.107-3.112. Zie onder 2.7 sub c-e en 3.5.2-3.5.3 hiervoor.
Spaanse villaen de
garantstellingsprovisiesvolgt een spoor dat goeddeels vergelijkbaar is met dat van de behandeling van de vordering inzake de
ship management fees, zoals samengevat onder 3.5.3 hiervoor.
nabetalingen dividendbelastingwat betreft de
ship management feessluit aan bij ’s hofs oordeel in rov. 3.107-3.110 dat de vordering inzake de
ship management feesis verjaard: eerstgenoemde vordering deelt in dit lot (rov. 3.133). Zie wederom onder 3.5.3 hiervoor.
Klachten
eerste klacht.
voert vooreerst aandat het hof in rov. 3.106, 3.109, 3.115, 3.127 van het arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door uit te gaan van de “regel” van het Treston/HDI-arrest van de Hoge Raad, [28] waar het hof overweegt dat wetenschap van [verweerder] in de functie van (indirect) bestuurder (
in beginsel) heeft te gelden als wetenschap van de vennootschap in kwestie, behoudens
bijzondere omstandigheden. Die regel zou, gezien het opgemerkte in nr. 22 van de procesinleiding, niet van toepassing zijn als het gaat om een situatie waarbij de desbetreffende bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, althans om zijn eigen interne bestuurdersaansprakelijkheid. Dit gaat niet op.
voert verder nog aandat althans het hof tot uitgangspunt had moeten nemen (i) dat “in een zodanige situatie” [40] sprake is van een bijzondere omstandigheid die meebrengt - dus per definitie - dat een uitzondering moet worden gemaakt op het beginsel van toerekening van wetenschap van [verweerder] aan de vennootschap, zoals bedoeld door de Hoge Raad in het Treston/HDI-arrest in het kader van genoemde regel. Althans (ii) in elk geval zolang die kennis van het onbehoorlijk bestuur niet is terechtgekomen bij de niet-geconflicteerde leden van het beslissingsbevoegde orgaan. [41] Dit gaat evenmin op.
tweede klacht.
voert vooreerst aan, onder verwijzing naar nrs. 22-23 van de procesinleiding, dat het hof in rov. 3.109 (en 3.110), 3.115 (en 3.116) en 3.127-3.128 van het arrest eveneens blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting “door te overwegen dat een
werknemer(te weten [betrokkene 5] ) van de vennootschap wetenschap had en daaraan de conclusie te verbinden dat het onbehoorlijk handelen niet verborgen is gehouden voor
de vennootschap”. Dit ziet op ’s hofs oordeel dat de wetenschap ter zake van
[verweerder]als (indirect) bestuurder van de betrokken rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer te gelden heeft als wetenschap van die rechtspersoon, een en ander als bedoeld onder 3.5.3 sub b en 3.5.4 sub c hiervoor.
voert verder nog aan, onder verwijzing naar nrs. 22-23 van de procesinleiding, dat het hof in rov. 3.109 (en 3.110), 3.115 (en 3.116) en 3.127-3.128 van het arrest eveneens blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting “door te overwegen dat kennis van de werknemer aan de vennootschap dient te worden toegerekend”. Dit ziet op ’s hofs oordeel dat ook de wetenschap ter zake van
[betrokkene 5]als (niet-statutaire) financieel directeur van de betrokken rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer te gelden heeft als wetenschap van die rechtspersoon, een en ander als bedoeld onder 3.5.3 sub c en 3.5.4 sub c hiervoor.
nr. 23van de procesinleiding voldoet deze niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. Ik lees in dat nr. 23 niets wat ziet op genoemd oordeel van het hof ten aanzien van [betrokkene 5] . Het gaat in dat nr. 23 over het onder 3.10-3.10.1 hiervoor bedoelde, te onderscheiden oordeel van het hof ten aanzien van [verweerder] . Voor zover de klacht beroep doet op
nr. 22van de procesinleiding geldt dat de daarin vervatte uiteenzetting hoe dan ook niet maakt dat genoemd oordeel van het hof ten aanzien van [betrokkene 5] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Ter beantwoording van de vraag of wetenschap ter zake van [betrokkene 5] dient te worden toegerekend aan de betrokken rechtspersoon neemt het hof als vertrekpunt, in rov. 3.106, eerste zin, “dat kennis van een functionaris van een rechtspersoon in beginsel aan die rechtspersoon wordt toegerekend indien deze kennis naar verkeersopvattingen als kennis van de rechtspersoon heeft te gelden, wat afhangt van alle feiten en omstandigheden van het geval waaronder de positie van de betrokken functionaris.” Dit is terecht. [45] Ook hier is van overeenkomstige toepassing hetgeen ik uiteenzette onder 3.7.3-3.7.5 hiervoor. Dit wordt niet anders door het Treston/HDI-arrest van de Hoge Raad, dat bovendien betrekking heeft op een andere casus. [46] Zie ook onder 3.7.2 en 3.8.2 hiervoor. Anders dan de klacht kennelijk betoogt, geldt rechtens dus niet een harde correctie op genoemd vertrekpunt als bedoeld in dat nr. 22. Kortom, deze door de klacht voorgestane opvatting vindt evenmin steun in het recht. Daarmee is het pleit reeds beslecht. [47]
derde klacht.
ship management fees. Te weten dat, naar volgt uit productie 31 bij conclusie van eis in reconventie, [betrokkene 5] in de daar bedoelde periode [betrokkene 3] en de belastingadviseur van [Holding] ook over de desbetreffende betalingen heeft geïnformeerd. [49] Daarop ziet de klacht evenwel niet. Bovendien geldt dat het hof dit laatste betrekt in het kader van [Holding] betoog, samengevat in rov. 3.111, dat [verweerder] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op verjaring. Bij de behandeling van dit betoog in rov. 3.112 had het hof de ruimte, gezien ook [Holding] eigen stellingname, [50] te wijzen op die productie 31 gelijk het doet in rov. 3.112, derde zin.
vierde klacht.
enigewas die het volledige overzicht over al deze transacties had.”
Ondernemingsrecht-annotatie van Tjittes onder het Treston/HDI-arrest van de Hoge Raad, [66] dat “Tjittes concludeert dat in de gevallen waar een rechtspersoon wordt beheerst door de desbetreffende bestuurder(s) en de rechtspersoon aldus niet kan optreden tegen die bestuurder, toerekening van wetenschap aan de rechtspersoon dan onbillijk zou zijn. Precies zoals door [Holding] in deze zaak steeds bepleit.” [67]
medebestuurders/commissarissenvan de vennootschap” en [verweerder] c.s. de stellingname van [Holding] níet “ook zo” begrepen heeft. [70]
vijfde klacht.
eerste klacht. [72] Voor zover het hof bij de beoordeling van het verjaringsverweer van [verweerder] in rov. 3.109, 3.110, 3.113, 3.115, 3.125, 3.127 van het arrest tot uitgangspunt heeft genomen dat [Holding] slechts heeft gesteld dat [verweerder] de
betalingenrespectievelijk de
transacties en betalingenverborgen heeft gehouden voor de vennootschap, is ’s hofs uitleg van de stellingen van [Holding] onbegrijpelijk in het licht van die stellingen en de reactie daarop van [verweerder] . En/of zijn ’s hofs overwegingen in rov. 3.109, 3.115, 3.128 innerlijk tegenstrijdig met rov. 3.105, tweede zin (“onbehoorlijk”, “informatie daarover”), rov. 3.107, twaalfde zin (“geen rechtsgeldige titel”) en met rov. 3.109, 3.115 en 3.128, waar het hof daar overweegt dat [Holding] heeft gesteld dat [verweerder]
het handelen dat zij hem verwijt(te weten “geen rechtsgeldige titel”, respectievelijk het aangaan van verplichtingen “zonder zakelijke reden” respectievelijk “zonder noodzaak”)
verborgenheeft gehouden. Bovendien heeft het hof dan de negatieve zijde van de devolutieve werking miskend, gezien bepaalde - onbestreden - overwegingen van de rechtbank in het vonnis. [73]
tweede klacht. [74] Als een of verschillende van de voorgaande klachten in subonderdeel 1A en/of 1B slaagt/slagen, dan kunnen rov. 3.110-3.112, 3.116-3.118, 3.129-3.134 evenmin in stand blijven. Zij bouwen immers voort op ‘s hofs overwegingen waarop die klachten zien.
eerste klacht.
ship management feesdat [Holding] hem verwijt als uiteengezet in rov. 3.107. Dus
inclusiefhet in rov. 3.107, twaalfde zin bedoelde ontbreken van een rechtsgeldige titel voor de betalingen (“lag geen rechtsgeldige titel ten grondslag”). De klacht veronderstelt hier ten onrechte het tegendeel.
inclusiefhet in rov. 3.113, voorlaatste zin bedoelde onzakelijke karakter van de desbetreffende transactie en betalingen (“zonder zakelijke reden”). De klacht veronderstelt ook hier ten onrechte het tegendeel.
inclusiefhet in rov. 3.125, tweede zin bedoelde ontbreken van een grond voor de onttrekkingen (“zonder grond”). De klacht veronderstelt ook hier ten onrechte het tegendeel.
tweede klacht.
eerste klacht. [76] Als in rov. 3.109-3.110 van het arrest besloten ligt dat [betrokkene 5] geen ondergeschikte was ten opzichte van [verweerder] en/of anderszins in de positie verkeerde om rechtsmaatregelen te treffen namens de betrokken rechtspersoon (zoals het entameren van een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure), dan geven ’s hofs overwegingen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dan heeft het hof in elk geval art. 2:240 BW Pro miskend. Althans zijn ’s hofs overwegingen zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en heeft het hof in elk geval verzuimd bepaalde essentiële stellingen van [Holding] te bespreken. Als het hof die stellingen had betrokken bij zijn oordeel, dan had het niet, althans niet zonder nadere motivering, tot de slotsom kunnen komen dat “kennis van [betrokkene 5] heeft te gelden als kennis van Genchart”. [betrokkene 5] was immers vanwege zijn positie als werknemer van de vennootschap en ten opzichte van [verweerder] (nota bene de wederpartij van de vennootschap) niet in staat om maatregelen te treffen ter bescherming van de vennootschap.
tweede klacht. [77] Als in rov. 3.109-3.110 besloten ligt dat voor de toerekening van kennis van [betrokkene 5] niet relevant is of hij in de positie verkeerde om maatregelen te treffen om de vennootschap te beschermen, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting gezien nrs. 38-40 van de procesinleiding, [78] althans zijn ’s hofs overwegingen zonder nadere toelichting eveneens onbegrijpelijk.
derde klacht. [79] Als een of verschillende van de voorgaande klachten in dit subonderdeel slaagt/slagen, dan kan ’s hofs overweging in rov. 3.109 dat de stelling over het verborgen houden zich niet verdraagt met de betrokkenheid en wetenschap van [betrokkene 5] evenmin in stand blijven. Die overweging wordt qua motivering immers gedragen door de overweging dat kennis van [betrokkene 5] aan Genchart [80] dient te worden toegerekend. Als kennis van [betrokkene 5] niet dient te worden toegerekend aan Genchart valt niet, althans niet zonder nadere motivering, in te zien dat de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] zich niet verdragen met de stelling “dat [verweerder] zijn onbehoorlijk bestuur voor de vennootschap (de medebestuurders en commissarissen) verborgen heeft gehouden”.
eerste klacht.
ship management feesop de betrokkenheid en wetenschap ter zake van [betrokkene 5] , die fungeerde als (niet-statutaire) financieel directeur van Genchart. Het hof overweegt in rov. 3.109, tweede alinea dat die aldus opgedane kennis van [betrokkene 5] in het maatschappelijk verkeer te gelden heeft als kennis van Genchart, gelet op [betrokkene 5] positie van financieel directeur van Genchart. [81] Daarbij gaat het hof klaarblijkelijk ervan uit dat van [betrokkene 5] gezien die opgedane kennis, diens daadwerkelijke functie bij Genchart en diens daarmee verband houdende taak/verantwoordelijkheid, verwacht mocht worden dat hij de relevantie van die kennis inzag en deze doorgeleidde binnen de organisatie naar degene(n) die bevoegd was (waren) ter zake te handelen (zoals rechtsmaatregelen te nemen namens de rechtspersoon), waartoe afdoende mogelijkheid bestond. [82] ’s Hofs oordeel in rov. 3.110 bouwt mede hierop voort.
tweede klacht.
derde klacht.
Clipper) aan Fox Worldwide Investments Ltd. (hierna:
Fox). En dat de vierde t/m zevende klacht betrekking hebben op de betaling van USD 610.000 door Clipper aan Genchart.
eerste klacht. [88] Het hof heeft inzake de
ship management feesin strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van [verweerder] ’ verweer aangevuld als het tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 5] wist van het foutieve karakter van de betalingen aan Fox. Te weten dat deze zonder rechtsgrond (rechtsgeldige titel) zijn verricht, oftewel dat Fox geen aanspraak daarop had. Want nergens heeft [verweerder] gesteld (laat staan gemotiveerd) dat [betrokkene 5] bekend was met dat foutieve karakter. Voor zover het hof uit [verweerder] ’ stellingen heeft afgeleid dat hij (gemotiveerd) heeft gesteld dat [betrokkene 5] op de hoogte was van dat foutieve karakter, is het in rov. 3.108-3.110 van het arrest uitgegaan van een onbegrijpelijke lezing van die stellingen. Althans had het hof conform art. 149 Rv Pro moeten constateren dat [verweerder] niet aan de stelplicht heeft voldaan, doordat [Holding] de kale stelling dat [betrokkene 5] “de afspraken kende”, gemotiveerd heeft betwist. Als het hof uit productie 31 bij conclusie van eis in reconventie heeft afgeleid dat [betrokkene 5] op de hoogte was van dat foutieve karakter is het buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, want [verweerder] heeft niet met een beroep op deze productie gesteld dat [betrokkene 5] daarvan op de hoogte was. Dan is bovendien die overweging onbegrijpelijk, gezien de inhoud van die productie.
tweede klacht. [89] ’s Hofs overweging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, indien het hof in rov. 3.109-3.110 tot uitgangspunt heeft genomen: dat kennis van de betalingen van Clipper aan Fox voldoende is voor het laten aanvangen van de verjaringstermijn van art. 3:310 BW Pro. Althans dat niet nodig is dat [betrokkene 5] kennis en inzicht had in het foutieve karakter van de betalingen. Althans dat [betrokkene 5] met de schade en de aansprakelijke persoon bekend had kunnen of moeten zijn.
derde klacht. [90] [Holding] voert de voorgaande klachten in het subonderdeel ook aan tegen ’s hofs overweging in rov. 3.109, eerste alinea dat de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] zich niet verdragen met de stelling dat [verweerder] zijn
onbehoorlijk handelenvoor Genchart verborgen heeft gehouden. In dit kader verwijst [Holding] ook naar “de klacht uit onderdeel 1B”. Het hof heeft of kon niet (juist en/of begrijpelijk) vaststellen dat [betrokkene 5] (via [verweerder] ) het
foutieve karaktervan de betalingen kende, waardoor de slotsom dat de stelling van [Holding] over het verborgen houden zich niet verdraagt met de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] , niet in stand kan blijven.
vierde klacht. [91] Uit het partijdebat over [betrokkene 5] kennis in het kader van de betaling van USD 610.000 blijkt dat het hof in rov. 3.109, eerste alinea buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, door uit productie 176 bij conclusie van dupliek in reconventie af te leiden dat [betrokkene 5] op de hoogte was van de constructie waarmee dit bedrag ten goede kwam aan Fox. Namelijk door overdracht van een (andere) vordering en bijbetaling van het verschil. Die constructie heeft [verweerder] niet gesteld; hij heeft slechts verwezen naar die productie met de opmerking dat [betrokkene 5] wist “van de achtergronden” van de betalingen aan Fox. [verweerder] heeft niet gesteld wat de “achtergronden” dan inhouden; het hof destilleert die achtergrond zelfstandig, en dus in strijd met art. 24 Rv Pro, uit de productie.
vijfde klacht. [92] ’s Hofs overweging getuigt ook van een onjuiste opvatting als het
de constructieal rechtstreeks mocht afleiden uit productie 94 bij conclusie van repliek in reconventie en in rov. 3.109-3.110 tot uitgangspunt heeft genomen: dat kennis van de constructie (te weten “door overdracht van een (andere) vordering en bijbetaling van het verschil”) voldoende is voor het laten aanvangen van de verjaringstermijn van art. 3:310 BW Pro. Althans dat niet nodig is dat [betrokkene 5] kennis en inzicht had in het foutieve karakter van die constructie. Althans dat [betrokkene 5] met de schade en de aansprakelijke persoon bekend had kunnen of moeten zijn.
zesde klacht. [93] Als het hof in rov. 3.109-3.110 weliswaar tot uitgangspunt heeft genomen dat de verjaringstermijn pas begint te lopen als [betrokkene 5] kennis en inzicht had in het foutief handelen van [verweerder] , kunnen deze overwegingen evenmin in stand blijven. “ [Holding] verwijst en herhaalt haar klachten uit randnummer 45.”
zevende klacht. [94] [Holding] voert de vierde t/m zesde klacht in het subonderdeel ook aan tegen ’s hofs overweging in rov. 3.109, eerste alinea dat de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] zich niet verdragen met de stelling dat [verweerder] zijn
onbehoorlijk handelenvoor Genchart verborgen heeft gehouden. In dit kader verwijst [Holding] ook naar “de klacht uit onderdeel 1B”. Het hof heeft of kon niet (juist en/of begrijpelijk) vaststellen dat [betrokkene 5] (via [verweerder] ) het
foutieve karaktervan de betalingen kende, waardoor de slotsom dat de stelling van [Holding] over het verborgen houden zich niet verdraagt met de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] , niet in stand kan blijven.
eerste klacht.
ship management fees, zoals vervat in haar conclusie van eis in reconventie van 8 juli 2015. [verweerder] c.s. heeft daarbij, na een samenvatting van [Holding] stellingen ter zake, [95] vooropgesteld dat de verjaring van die vordering in maart 2011 is voltooid (ruim voordat Genchart deze aan [Holding] cedeerde op 6 juli 2015). [96] Daarbij heeft [verweerder] c.s. gewezen op betrokkenheid en kennis ter zake van [betrokkene 5] , “de financiële directeur”. [97]
ship management fees. [102]
ship management feesis verjaard in maart 2011, dit onder verwijzing naar/met een beroep op het betoog in diens conclusie van dupliek in reconventie van 9 augustus 2017 als bedoeld sub c hiervoor. [106] Op onder meer betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] (“
de factofinancieel directeur”) wees [verweerder] c.s. ook daarvoor en daarna, in die pleitnotities. [107]
ship management fees, te weten dat die vordering inhoudelijk ongegrond is. [111]
ship management fees. [112] Iets anders lees ik niet in het proces-verbaal van 14 pagina’s dat door het hof is opgemaakt van genoemd pleidooi; [betrokkene 5] komt daarin niet voor.
ship management feesbaseerde. Bij deze stand van zaken valt evenmin vol te houden dat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerder] c.s. heeft aangevuld, zoals bedoeld in de klacht.
tweede klacht.
derde klacht.
vierde klacht.
vijfde klacht.
zesde klacht.
zevende klacht.
eerste klacht. [122] Als een of verschillende van de klachten in onderdeel 1, subonderdeel 2A en/of subonderdeel 2B slaagt/slagen, dan kan rov. 3.112 van het arrest evenmin in stand blijven. Rov. 3.112 bouwt immers voort op rov. 3.109-3.110.
tweede klacht. [123] Voor zover het hof uit productie 31 bij conclusie van eis in reconventie heeft afgeleid dat
Genchartop basis van de e-mail van [betrokkene 5] aan [betrokkene 3] en de belastingadviseur van [Holding] van 29 december 2010 [124] daadwerkelijk bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon in de zin van art. 3:310 lid 1 BW Pro, kan die overweging op verschillende gronden - want rechtens onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd, zoals nader uitgewerkt in de klacht - niet in stand blijven.
derde klacht. [125] Ook is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof kennis van de belastingadviseur van
[Holding]heeft toegerekend aan Genchart. In 2010, toen Genchart haar art. 2:9 BW Pro-vordering nog niet had gecedeerd aan [Holding] , ging het nog om de vraag of
Genchart“in staat was een vordering tegen [verweerder] in te stellen”. Voor zover het hof in rov. 3.112 heeft beoordeeld of
[Holding]in 2010 in staat was een vordering tegen [verweerder] in te stellen, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over art. 3:310 BW Pro, althans is ’s hofs overweging zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Art. 3:310 BW Pro verlangt bekendheid met de schade van de benadeelde en de aansprakelijke persoon. Niet ter discussie staat dat Genchart de benadeelde is in de zin van art. 3:310 BW Pro (zie rov. 3.107).
vierde klacht. [126] Voor zover in rov. 3.112 besloten ligt dat kennis van de belastingadviseur van [Holding] aan
Genchartdient te worden toegerekend, geeft die overweging eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting over toerekening van kennis van ‘functionarissen’. Het hof heeft dan miskend dat de belastingadviseur van
[Holding]geen ‘functionaris’ van Genchart is, laat staan dat deze belastingadviseur de bevoegdheid, de taak en/of de mogelijkheid had om namens
Genchartmaatregelen te treffen jegens [verweerder] ; althans is ’s hofs overweging zonder nadere toelichting onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Ook is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door kennis van de belastingadviseur van [Holding] toe te rekenen aan Genchart, nu [verweerder] die stelling niet heeft ingenomen.
eerste klacht.
tweede klacht.
Genchartop basis van de e-mail van 29 december 2010 [127] daadwerkelijk bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon in de zin van art. 3:310 lid 1 BW Pro, ziet de klacht eraan voorbij dat het hof die productie daar slechts betrekt vanwege de daarin vervatte e-mails tussen [verweerder] , [betrokkene 5] en Clipper van 1 t/m 9 maart 2006. Waaruit volgt, aldus het hof, dat [betrokkene 5] op de hoogte was van de betaling van de bedragen van USD 1.343.882,56 en USD 75.000 door Clipper aan Fox.
Genchartop basis van de e-mail van 29 december 2010 daadwerkelijk bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon in de zin van art. 3:310 lid 1 BW Pro, ziet de klacht eraan voorbij dat het hof al in rov. 3.110 oordeelt over die subjectieve wetenschap van Genchart en deze aanneemt per maart 2006, in het kader van de beoordeling van het verjaringsberoep van [verweerder] c.s. als bedoeld in rov. 3.108. [128] En dat het hof in rov. 3.112 genoemde e-mail als vervat in die productie betrekt voor iets anders dan toerekening van kennis aan Genchart, in het kader van de te onderscheiden beoordeling van [Holding] betoog als bedoeld in rov. 3.111. [129]
derde klacht.
[Holding]belastingadviseur, die eerst wordt genoemd in rov. 3.112. Ook niet via de e-mail van [betrokkene 5] aan [betrokkene 3] en de belastingadviseur van [Holding] van 29 december 2010, zoals vervat in productie 31 bij conclusie van eis in reconventie en bedoeld in rov. 3.112, derde zin (“ [betrokkene 5] heeft [betrokkene 3] en de belastingadviseur”, etc.). Zie tevens de behandeling van de tweede klacht, onder 3.44-3.44.3 hiervoor.
[Holding]in 2010 in staat was een vordering tegen [verweerder] in te stellen. Zoiets staat daar niet en ligt daarin evenmin besloten, gezien ook rov. 3.107-3.110 (waaronder rov. 3.107, laatste zin) en rov. 3.112, eerste twee zinnen. Het hof heeft in rov. 3.112 scherp voor ogen dat bezien naar 2010, toen Genchart de onderhavige vordering nog lang niet had gecedeerd aan [Holding] (dat gebeurde eerst op 6 juli 2015), de vraag omtrent het in staat zijn een vordering tegen [verweerder] in te stellen betrekking heeft op Genchart.
vierde klacht.
Genchartdient te worden toegerekend. Dit volgt al uit 3.44-3.45.4 hiervoor en behoeft geen verdere toelichting.
ship management fees. Die afwijzing in rov. 3.133 bouwt immers voort op rov. 3.109-3.110.
eerste klacht. [131] Als in rov. 3.115-3.116 van het arrest besloten ligt dat [betrokkene 5] geen ondergeschikte was ten opzichte van [verweerder] en/of anderszins in de positie verkeerde om rechtsmaatregelen te treffen namens de betrokken rechtspersoon (zoals het entameren van een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure), dan geven ’s hofs overwegingen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dan heeft het hof in elk geval art. 2:240 BW Pro miskend. Althans zijn ’s hofs overwegingen zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en heeft het hof in elk geval verzuimd bepaalde essentiële stellingen van [Holding] te bespreken. Als het hof die stellingen had betrokken bij zijn oordeel, dan had het niet, althans niet zonder nadere motivering, tot de slotsom kunnen komen dat “kennis van [betrokkene 5] heeft te gelden als kennis van [Holding] ”. [betrokkene 5] was immers vanwege zijn positie als werknemer van de vennootschap en ten opzichte van [verweerder] (nota bene de wederpartij van de vennootschap) niet in staat om maatregelen te treffen ter bescherming van de vennootschap.
tweede klacht. [132] Als in rov. 3.115-3.116 besloten ligt dat voor de toerekening van kennis van [betrokkene 5] niet relevant is of hij in de positie verkeerde om maatregelen te treffen om de vennootschap te beschermen, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting gezien nrs. 38-40 van de procesinleiding, [133] althans zijn ’s hofs overwegingen zonder nadere toelichting eveneens onbegrijpelijk.
derde klacht. [134] Als een of verschillende van de voorgaande klachten in dit subonderdeel slaagt/slagen, dan kan ’s hofs overweging in rov. 3.115 dat de stelling over het verborgen houden zich niet verdraagt met de betrokkenheid en wetenschap van [betrokkene 5] evenmin in stand blijven. Die overweging wordt qua motivering immers gedragen door de overweging dat kennis van [betrokkene 5] aan [Holding] dient te worden toegerekend. Als kennis van [betrokkene 5] niet dient te worden toegerekend aan [Holding] valt niet, althans niet zonder nadere motivering, in te zien dat de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] zich niet verdragen met de stelling “dat [verweerder] zijn onbehoorlijk bestuur voor de vennootschap (de medebestuurders en commissarissen) verborgen heeft gehouden”.
eerste klacht.
tweede klacht.
derde klacht.
eerste klacht. [143] Het hof is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, indien het in rov. 3.115 van het arrest (aan de hand van producties 40-41 bij conclusie van eis in reconventie) heeft bedoeld te overwegen dat [betrokkene 5] (in 2008) wist van het onbehoorlijke karakter van de transacties en betalingen. Te weten dat een zakelijke reden daarvoor ontbreekt, oftewel dat deze een onzakelijk karakter hadden. Want [verweerder] heeft niet gesteld dat [betrokkene 5] in 2008 wetenschap had van het onzakelijke karakter van de transacties en de betalingen; [verweerder] heeft slechts gesteld dat [betrokkene 5] wist van de gevolgen van de transacties die, volgens [verweerder] , een legitiem karakter hebben. Het hof kon dus onmogelijk begrijpelijk uit de stellingen van [verweerder] afleiden dat hij heeft aangevoerd dat [betrokkene 5] kennis had van het onzakelijke karakter van de transactie en de betalingen, laat staan dat [verweerder] ter motivering van zijn standpunt heeft verwezen naar producties 40-41 bij conclusie van eis in reconventie. Althans had het hof conform art. 149 Rv Pro moeten constateren dat [verweerder] niet aan de stelplicht heeft voldaan, doordat [Holding] de kale stelling dat [betrokkene 5] “van de hoed en de rand [wist]” gemotiveerd heeft betwist. ’s Hofs overweging is dan bovendien innerlijk tegenstrijdig met rov. 3.114, waar het hof wel correct weergeeft welke stelling [verweerder] heeft ingenomen over de kennis van [betrokkene 5] : [betrokkene 5] was bekend met de transactie en betalingen: niet meer en niet minder.
tweede klacht. [144] ’s Hofs overweging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, indien het hof in rov. 3.115-3.116 tot uitgangspunt heeft genomen: dat kennis van de transactie en betalingen voldoende is voor het laten aanvangen van de verjaringstermijn van art. 3:310 BW Pro. Althans dat niet nodig is dat [betrokkene 5] kennis en inzicht had in het foutieve karakter van de betalingen. Althans dat [betrokkene 5] met de schade en de aansprakelijke persoon bekend had kunnen of moeten zijn. Door aan de wetenschap van [betrokkene 5] over de transactie en betalingen de conclusie te verbinden dat [Holding] op of omstreeks 28 januari 2008 op de hoogte was van de feiten die de grondslag vormen van het aan [verweerder] verweten onbehoorlijk bestuur en de gestelde schade, heeft het hof ofwel miskend dat art. 3:310 BW Pro bij een vordering op de voet van art. 2:9 BW Pro kennis en inzicht verlangt in het
onbehoorlijkekarakter van het bestuur (hier dus van de transactie en betalingen), althans is ’s hofs overweging zonder nadere overweging onbegrijpelijk.
derde klacht. [145] Het hof heeft art. 149 Rv Pro en/of art. 150 Rv Pro onjuist toegepast, indien aan ’s hofs oordeel impliciet ten grondslag ligt dat [Holding] had moeten stellen (en bewijzen) dat [betrokkene 5] niet op de hoogte was van het onbehoorlijke karakter van de transactie en betalingen en dat [Holding] onvoldoende heeft gesteld, waardoor tot uitgangspunt moet worden genomen dat [betrokkene 5] wist van het onbehoorlijke karakter van de transactie en betalingen.
vierde klacht. [146] [Holding] voert de in subonderdeel 3A en hiervoor in subonderdeel 3B geformuleerde klachten ook aan tegen ‘s hofs overweging in rov. 3.115, eerste alinea dat de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] zich niet verdragen met de stelling dat [verweerder] zijn onbehoorlijk handelen voor [Holding] verborgen heeft gehouden. In dit kader verwijst [Holding] ook naar “de klacht uit onderdeel 1B”. Het hof heeft of kon niet (juist en/of begrijpelijk) vaststellen dat [betrokkene 5] (via [verweerder] ) het foutieve karakter van de betalingen kende, waardoor de slotsom dat de stelling van [Holding] over het verborgen houden zich niet verdraagt met de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] , niet in stand kan blijven.
eerste klacht.
de factofinancieel directeur”) wees [verweerder] c.s. ook daarvoor, in die pleitnotities. [157]
9, heeft “willen aantonen dat [betrokkene 5] en [betrokkene 3] (ingekopieerd als advocaat) van de rand en de hoed wisten over alle Norak-entiteiten.” Om dát vervolgens te weerspreken. Dat deze producties en die stelling helemaal geen betrekking hebben op het onderhavige verjaringsberoep van [verweerder] c.s. blijkt, naast genoemde passage, ook en reeds uit de akte waarbij die producties door hem zijn overgelegd. [170]
inclusiefhet in rov. 3.113, voorlaatste zin bedoelde onzakelijke karakter van de desbetreffende transactie en betalingen (“zonder zakelijke reden”). Hetzelfde geldt trouwens voor de kennis van [verweerder] die het hof in rov. 3.115-3.116 toerekenbaar aan [Holding] acht. Gelet daarop doet de in de klacht veronderstelde innerlijke tegenstrijdigheid zich in werkelijkheid niet voor. Zie overigens ook de behandeling van de eerste klacht in subonderdeel 1B, waaronder 3.18.3 hiervoor.
tweede klacht.
derde klacht.
vierde klacht.
eerste klacht. [175] Het hof heeft in rov. 3.125 van het arrest de stelling van [Holding] onjuist weergegeven, waar het heeft overwogen dat “ [Holding] [verder stelt] dat een medecommissaris van [verweerder] bij Genchart via een vennootschap van hem, zonder noodzaak een contragarantie heeft gesteld, in verband waarmee Genchart op 6 januari 2000 NLG 1.300.000,- heeft betaald.” Anders dan het hof daar heeft overwogen, is de betaling niet verricht door Genchart, maar door Greenpark. Voor zover het hof in rov. 3.125 heeft bedoeld te overwegen dat de betaling van NLG 1.300.000 op 6 januari 2000 is verricht door Genchart, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Althans is die overweging onbegrijpelijk in het licht van de stelling van [Holding] en meer specifiek productie 65 bij haar akte van 12 januari 2016 waarnaar zij heeft verwezen.
tweede klacht. [176] Het hof heeft in rov. 3.127 overwogen dat [Holding] niet heeft betwist dat [betrokkene 5] “destijds” (in 1999 en 2000) ook al fungeerde als (niet-statutaire) financieel directeur van Greenpark, Genchart en [Holding] . Dit laatste - inzake [Holding] - heeft [verweerder] evenwel helemaal niet gesteld. [betrokkene 5] is, zoals ook blijkt uit nr. 1 van de verklaring van [betrokkene 5] (productie 58 bij akte zijdens [Holding] van 12 januari 2016), pas sinds 2007 in dienst bij [Holding] ; daarvoor was hij in dienst van Genchart en Multiveer. Voor zover het hof in rov. 3.127 tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 5] in 1999 respectievelijk 2000 niet-statutaire financieel directeur was van [Holding] , is het hof dus buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Althans heeft het hof een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd met betrekking tot art. 149 Rv Pro dan wel de waarheidsplicht. Althans is die overweging in het licht van de stellingen van partijen onbegrijpelijk.
derde klacht. [177] “Gelet op het voorgaande” kon het hof dan ook niet in het slot van rov. 3.128 tot het oordeel komen dat “gelet op de positie van financieel directeur van [betrokkene 5] bij (...) en [Holding] , ook de kennis van [betrokkene 5] heeft te gelden als kennis van deze vennootschappen.”
vierde klacht. [178] Het hof kon “gelet op het voorgaande” in rov. 3.128 evenmin tot de slotsom komen dat de stelling van [Holding] dat [verweerder] “deze transacties en betalingen verborgen heeft gehouden voor anderen binnen Genchart, Greenpark en
[Holding]zich niet verdraagt met de kennis van het bestuur van Genchart en Greenpark, en de betrokkenheid en kennis van [betrokkene 5] .” [179]
vijfde klacht. [180] Voor zover in rov. 3.128 besloten ligt dat kennis van het bestuur van Genchart en Greenpark en/of de kennis van [betrokkene 5] dient te worden toegerekend aan
[Holding], geeft die uitleg blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de overweging onbegrijpelijk. De overweging is onjuist, omdat [verweerder] niet heeft gesteld dat kennis van het bestuur van Genchart en Greenpark (via [betrokkene 5] ) dient te worden toegerekend aan [Holding] en het hof dus buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, althans een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van [verweerder] heeft gehanteerd. Bovendien had het hof dan moeten onderzoeken of de feiten en omstandigheden meebrengen dat kennis van de dochtervennootschap aan de moeder kan worden toegerekend, waarbij terughoudendheid is geboden, en uit rov. 3.128 niet blijkt welke feiten en omstandigheden voor het hof doorslaggevend waren, mede in het licht van die terughoudendheid. Zonder nadere motivering is ’s hofs oordeel in elk geval onbegrijpelijk.
zesde klacht. [181] Als een klacht uit onderdeel 4 slaagt, dan kunnen rov. 3.129-3.130 evenmin in stand blijven. Anders dan het hof in rov. 3.129 heeft overwogen, volgt “uit het voorgaande” namelijk niet dat
[Holding]in de periode oktober 1999-augustus 2000 op de hoogte was van de feiten die de grondslag vormen van het aan [verweerder] verweten handelen en de gestelde schade, waardoor de vordering van
[Holding]is verjaard, al dan niet met een beroep op de verlengingsgrond van art. 3:321 lid Pro 1, aanhef en sub d BW.
eerste klacht.
Genchartop 6 januari 2000 NLG 1.300.000,00 heeft betaald.”
tweede klacht.
Ook [betrokkene 5] was toen al als financieel directeur van [Holding] betrokkenen fungeerde ook als zodanig bij Genchart. [betrokkene 5] heeft de betalingen gecontroleerd en uitgevoerd. Dat [betrokkene 5] destijds al met een en ander bekend was, heeft hij ook zelf verklaard. Ook het bestuur dat [betrokkene 6] opvolgde, was bekend met de transacties omdat het die had onderzocht, zoals bleek uit een brief van augustus 2000. De Zussen waren vanzelfsprekend als bestuurders en commissarissen van [Holding] ook op de hoogte.”
derde klacht.
vierde klacht.
vijfde klacht.
[betrokkene 5] , als (niet-statutaire) financieel directeur van [Holding], aan [Holding] .
zesde klacht.