Conclusie
Nummer22/00080
Het cassatieberoep
"belaging"veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, een en ander als in het arrest vermeld.
Het middel
zij in de periode van 4 augustus 2018 tot en met 26 maart 2019 te Amersfoort en/of Krommenie en/of Gouda en/of Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door die [aangever] en een vriend van die [aangever] en de nieuwe vriendin van die [aangever] en de werkgever van die [aangever] veelvuldig (en na herhaaldelijk en dringend verzoek om daarmee te stoppen) (lange) berichten te sturen waarin zij (onder meer) haar frustratie uitte over het uitgaan van hun relatie en hem betichtte van overspel en/of liegen en/of het plegen van geweld en/of psychische problemen, met het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.”
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte volstaat het hof, conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.
een proces-verbaal (nummer PL 1500-2019074538-2) in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 maart 2019 door [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar (pagina’s 3 tot en met 5), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] ;
een proces-verbaal (nummer PL 1500-2019074538-3) in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 maart 2019 door [verbalisant 2] , inspecteur van politie (pagina’s 6 tot en met 7), voor zover inhoudende als de klacht van aangever [aangever] ;
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van een e-mailbericht van verdachte aan de werkgever van de aangever d.d. 26 maart 2019 (pagina’s 10 tot en met 12);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van een e-mailbericht van verdachte aan de nieuwe partner van de aangever d.d. 8 oktober 2018 (pagina’s 25 tot en met 28);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van de e-mailcorrespondentie tussen verdachte en de aangever in de periode 4 augustus 2018 tot en met 11 oktober 2018 (pagina’s 25 tot en met 38);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van de WhatsApp-correspondentie tussen verdachte en een vriend van de aangever in de periode 4 augustus 2018 tot en met 12 november 2018 (pagina’s 41 tot en met 49);
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 6 juli 2020, voor zover inhoudende:
.”
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Strafbaarheid van de verdachte
Oplegging van straf en/of maatregel
Het juridisch kader
De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
NJ2017/128 m.nt. Mevis, heeft de Hoge Raad enkele algemene beschouwingen gewijd aan de toepassing van bewijsmotiveringsvoorschriften door het hof in geval van bevestiging, dan wel vernietiging van een mondeling vonnis van de politierechter. Deze beschouwingen houden – voor zover hier relevant – het volgende in:
Bevestiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest
en(ii) hij heeft nadien niet anders verklaard, noch is door hem of zijn raadsman vrijspraak bepleit. [1]
”. In zoverre had hij een kraakheldere bekentenis afgelegd. Hij verklaarde echter ook: “ik ben geen dief. Ik heb ooit gewerkt voor mijn geld. Ik vind daarom dat ik moet worden vrijgesproken
." De Hoge Raad casseerde omdat het hof, gelet op het feit dat de verdachte vrijspraak had bepleit, niet had mogen volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtspraak laat verder enkele meer evidente gevallen zien waarin de Hoge Raad casseerde omdat de verdachte zelf vrijspraak had bepleit. Zie HR 13 januari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG4818, NJ 2009, 57) en HR 5 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ9240, NJ 2010, 638, m.nt. Mevis).”