ECLI:NL:PHR:2023:511

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
15 mei 2023
Zaaknummer
22/00082
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring poging doodslag wegens onvoldoende motivering opzet op dood

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor poging tot doodslag en wapenbezit naar aanleiding van een schietincident op 6 oktober 2018 waarbij hij op korte afstand op het slachtoffer schoot en deze in de rechterheup raakte.

De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts op het been had gericht en niet de aanmerkelijke kans op de dood bewust had aanvaard. Het hof oordeelde echter dat de gedragingen van de verdachte zozeer gericht waren op het uitschakelen van het slachtoffer dat de aanmerkelijke kans op de dood bewust was aanvaard.

De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of het gericht schieten naar beneden (richting heup) daadwerkelijk betekent dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. Daarbij is het hof niet duidelijk geweest of het gericht schieten op het been werd aangenomen of dat ondanks dat gericht schieten toch de bewuste aanvaarding werd aangenomen.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is geoordeeld dat gericht schieten op het been in principe onvoldoende is voor opzet op de dood, tenzij sprake is van een dynamische situatie waarbij de kogel ook elders had kunnen komen.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het gaat om de bewezenverklaring poging tot doodslag en de strafoplegging, en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring poging tot doodslag en de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00082
Zitting30 mei 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 30 december 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 primair “poging tot doodslag” en onder 2 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat te Den Haag, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over het onder 1 primair bewezenverklaarde opzet op de dood van de aangever.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 06 oktober 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
2.3
De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 16 december 2021 vrijspraak bepleit, omdat er geen opzet op de dood van de aangever zou zijn.
2.4
Het hof heeft het verweer als volgt weergegeven en verworpen:
“De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de poging doodslag op de gronden als vermeld in de pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte opzettelijk gericht op het been van de aangever heeft geschoten en dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard aangever dodelijk te raken.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu poging doodslag – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting.
Op zaterdag 6 oktober 2018 was de verdachte in de muziekstudio [A] in [plaats] aanwezig. Omstreeks 19:00 uur stopte aangever met de auto voor de studio. Getuige [betrokkene] is naar buiten gegaan om de aangever te groeten. Vervolgens is de verdachte naar de deur van de muziekstudio gelopen. Er ontstond een woordenwisseling tussen de verdachte en de aangever, terwijl de aangever nog in de auto zat. De verdachte is hierna in de studio naar boven gelopen en vervolgens weer naar beneden gegaan. De verdachte is de studio uitgelopen richting de auto van aangever, heeft zijn wapen getrokken en doorgeladen en heeft op de aangever geschoten. De verdachte, stond hierbij aan de passagierskant van de auto en heeft het wapen door het open raam gericht, terwijl de aangever aan de bestuurderskant van de auto zat. De aangever is hierbij geraakt in zijn rechterheup. In het ziekenhuis is een kogel uit de bil van de aangever verwijderd.
Het hof overweegt dat met het door de verdachte op korte afstand met een vuurwapen schieten op de aangever, die zich in een kleine ruimte – een auto – bevond, sprake is van een aanmerkelijke kans dat vitale lichaamsdelen van aangever zouden worden geraakt, waardoor hij zou komen te overlijden. Daarbij acht het hof van belang dat verdachte geen geoefende schutter was, de aangever achter het stuur van een auto zat, verdachte niet wist hoe de aangever zou reageren en dat de aangever is geraakt in de heup, derhalve op een plaats dichtbij vitale delen van het lichaam. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat aan de verklaring van de verdachte dat hij opzettelijk naar beneden heeft geschoten en de aangever niet dodelijk heeft willen raken, niet de door de verdachte gewenste betekenis kan worden toegekend.
Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het uitschakelen van de aangever, en daarmee op zijn dood, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.
Het verweer wordt verworpen.”
2.5
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. [1] Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
2.6
Het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte zo zeer waren gericht op het doden van de aangever dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Het hof heeft over deze gedragingen vastgesteld dat (i) de verdachte het wapen vanaf de passagierskant van de auto door het open raam heeft gericht op de aangever die aan de bestuurderskant in de auto zat, (ii) de verdachte op korte afstand was van de aangever, (iii) de verdachte de aangever heeft geraakt in zijn rechterheup en dus “dichtbij vitale delen van het lichaam” en (iv) een kogel in de bil van de aangever is beland. Het hof heeft verder overwogen dat de verdachte geen geoefende schutter was en dat hij niet wist hoe de aangever zou reageren.
2.7
De zaak vertoont gelijkenissen met een zaak die eerder aan de Hoge Raad is voorgelegd. De Hoge Raad overwoog in die eerdere zaak het volgende:
“Het Hof heeft geoordeeld dat – kort gezegd – door het van dichtbij door de verdachte, als ongeoefend schutter, schieten op [slachtoffer 2] sprake was van een aanmerkelijke kans dat vitale lichaamsdelen van [slachtoffer 2] zouden worden geraakt waardoor [slachtoffer 2] zou komen te overlijden. Het in de overwegingen van het Hof besloten liggende oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer 2] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard, zodat het in het middel bedoelde verweer dient te worden verworpen, is evenwel niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de verdachte blijkens bewijsmiddel 2 heeft verklaard "ik heb toen eenmaal geschoten, ik schoot laag" en dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte "gericht laag" heeft geschoten op [slachtoffer 2].” [2]
2.8
Het gericht op iemands been schieten is in principe dus onvoldoende voor opzet op de dood. De bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer kan daaruit niet zonder meer volgen. Dat kan bijvoorbeeld anders zijn indien weliswaar op een been is geschoten, maar dat is gebeurd in een dynamische situatie waarin de kogel evengoed elders had kunnen komen. Dat was het geval in een zaak die ruim een jaar later door de Hoge Raad werd beslecht:
“Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de verdachte een vuurwapen heeft gepakt toen hij zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kwamen aanlopen en dat hij wist dat het vuurwapen geladen was omdat hij zelf de munitie met de houder in het vuurwapen had gedaan. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte door een derde werd gewaarschuwd dat hij het niet moest doen, dat de verdachte met het vuurwapen - waarvan hij niet precies wist hoe het werkte - in de hand naar de deur is gelopen, dat hij het vuurwapen richtte in de richting van [slachtoffer 2] en schoot, waarna [slachtoffer 2] zich bukte en een kogel over zijn hoofd hoorde vliegen, en dat de verdachte het vuurwapen daarna richtte in de richting van [slachtoffer 1] en hem in het onderbeen raakte. Volgens het Hof was onder deze omstandigheden, in een dynamische situatie waarbij de potentiële slachtoffers in beweging waren, sprake van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dodelijk zouden worden getroffen door de door de verdachte afgevuurde kogels. De gedragingen van de verdachte, in het bijzonder het meerdere malen van betrekkelijke korte afstand met een vuurwapen gericht schieten op een persoon, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van die persoon gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Dit oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.” [3]
2.9
Van belang is dus de vraag waarop de verdachte heeft gericht. Het probleem in de onderhavige zaak is dat het hof zich daarover niet duidelijk heeft uitgedrukt. Het hof overweegt, zo bleek hierboven, dat “aan de verklaring van de verdachte dat hij opzettelijk naar beneden heeft gericht en de aangever niet dodelijk heeft willen raken niet de door de verdachte gewenste betekenis kan worden toegekend”. Aldus blijft in het midden of het hof het naar beneden richten van het vuurwapen (dat zou zijn: in de richting van de heup of het been) niet aannemelijk heeft geacht dan wel of het hof, niettegenstaande het door de verdachte naar beneden richten van het vuurwapen, toch de bewuste aanvaarding door de verdachte van de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever heeft aangenomen. Dat laatste zou dan, gelet op het hierboven onder 2.7 aangehaalde arrest van de Hoge Raad, niet zonder meer begrijpelijk zijn.
2.1
Daar komt bij dat de overige door het hof in het kader van het opzet genoemde omstandigheden – te weten het schieten op korte afstand in een kleine ruimte, waarbij de aangever achter het stuur van de auto zat en verdachte niet wist hoe de aangever zou reageren – niet zonder meer inzichtelijk maken dat de verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft aanvaard. Hetzelfde geldt voor ’s hofs overweging dat de verdachte geen geoefende schutter was. En bij dat laatste aspect komt dan nog het in het middel terecht gesignaleerde probleem dat niet duidelijk is waaruit het hof dat gegeven heeft afgeleid – uit de bewijsmiddelen volgt dat niet. De bewezenverklaring van opzet op de dood van de aangever is daarom ontoereikend gemotiveerd.
2.11
Het middel slaagt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Indien de Hoge Raad mijn beoordeling van het eerste middel volgt, hoeft het tweede middel niet te worden besproken. Voor het geval de Hoge Raad anders zou oordelen over het eerste middel, meen ik dat het tweede middel slaagt. Het cassatieberoep is ingesteld op 11 januari 2022 en de stukken zijn – met beperkte overschrijding van de redelijke termijn van 19 dagen – eerst ontvangen op 30 september 2022. Dat moet dan leiden tot verdiscontering van die overschrijding volgens de gebruikelijke maatstaf.

4.Slotsom

4.1
Het eerste middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, r.o. 3.4. Daar wordt verwezen naar HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049.
2.HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, r.o. 3.5.
3.HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943, r.o. 3.5. Een ander voorbeeld, met meerdere schoten: HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, r.o. 3.4.