ECLI:NL:PHR:2023:511
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring poging doodslag wegens onvoldoende motivering opzet op dood
De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor poging tot doodslag en wapenbezit naar aanleiding van een schietincident op 6 oktober 2018 waarbij hij op korte afstand op het slachtoffer schoot en deze in de rechterheup raakte.
De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts op het been had gericht en niet de aanmerkelijke kans op de dood bewust had aanvaard. Het hof oordeelde echter dat de gedragingen van de verdachte zozeer gericht waren op het uitschakelen van het slachtoffer dat de aanmerkelijke kans op de dood bewust was aanvaard.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of het gericht schieten naar beneden (richting heup) daadwerkelijk betekent dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. Daarbij is het hof niet duidelijk geweest of het gericht schieten op het been werd aangenomen of dat ondanks dat gericht schieten toch de bewuste aanvaarding werd aangenomen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is geoordeeld dat gericht schieten op het been in principe onvoldoende is voor opzet op de dood, tenzij sprake is van een dynamische situatie waarbij de kogel ook elders had kunnen komen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het gaat om de bewezenverklaring poging tot doodslag en de strafoplegging, en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring poging tot doodslag en de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.