3.4Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2021 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
Cliënt heeft verklaard dat hij aangever op het [station] tegen is gekomen en dat aangever om cocaïne heeft gevraagd. Cliënt heeft aangever cocaïne gegeven en aangever heeft dit op straat gebruikt. Bij de Spar heeft aangever geld gepind ter betaling voor de cocaïne. Ook heeft aangever bier gekocht. Cliënt is meegegaan naar de hotelkamer om daar een biertje te drinken. Aangever heeft daar meer cocaïne gesnoven.
Op enig moment heeft aangever aan cliënt gevraagd of hij de hotelkamer wilde verlaten. Cliënt zat in een hoekje en aangever stond daarbij over cliënt heen gebogen (dit bevestigt aangever). Toen cliënt aangaf zijn biertje op te willen drinken, begon aangever hem te slaan. Hij heeft cliënt meerde malen in zijn gezicht geslagen. Cliënt heeft geprobeerd om op te staan en om aangever bij hem weg te krijgen, maar hij kreeg aangever niet van hem af. Cliënt kon niet weg omdat aangever bleef stoten.
Omdat aangever bleef slaan kwam erbij cliënt iets terug uit het verleden. Cliënt is zwaar mishandeld op het [plein] waarbij hij meerdere malen tegen zijn hoofd is geschopt. Hierdoor raakte cliënt in een shock. Omdat cliënt dit niet nog een keer wilde meemaken heeft hij een mes gepakt en heeft hij aangever een paar keer gestoken.
Deze lezing vindt bevestiging in meerdere bewijsmiddelen. Ten eerste is er letsel bij cliënt geconstateerd. Uit de letselverklaring blijkt dat de twee voortanden van cliënt zijn afgebroken en mogelijk los zitten. Bovendien zijn er scheurwonden in de boven- en onderlip geconstateerd. Foto's zijn bijgevoegd. De forensisch arts heeft opgemerkt dat het letsel goed past bij de toedracht en tijdsinterval zoals door cliënt geschetst.
Cliënt is in de PI behandeld door een tandarts. De tandarts heeft mij per mail medegedeeld dat de boventanden zijn gespalkt en dat er een kanaalbehandeling heeft plaatsgevonden (e-mail is in eerste aanleg overgelegd). De twee voortanden dienen als verloren te worden beschouwd. Als cliënt vrijkomt dan is een tandheelkundige behandeling noodzakelijk. De voortanden zullen moeten worden verwijderd en daarvoor in de plaats zullen implantaten moeten worden geplaatst. De kosten hiervan zijn begroot op € 4.750,-. De voortanden zijn inmiddels verwijderd. Cliënt heeft dus blijvend en ernstig letsel opgelopen.
Ten tweede wordt de lezing van cliënt bevestigd door de bloedsporen van cliënt die op zijn broek en jas zijn aangetroffen, hij heeft dus flink gebloed. Uit het p-v van de doorzoeking van de woning van cliënt blijkt dat er ook een handdoek in beslag is genomen. Helaas is deze niet onderzocht.
Ten derde is er bij aangever letsel aan de duim geconstateerd (foto maakt deel uit van de stukken) Dit letsel lijkt goed te passen binnen de toedracht zoals cliënt hierover heeft verklaard. Namelijk dat dit letsel is ontstaan door het kapot slaan van de tanden van cliënt.
Ten vierde wordt de verklaring van cliënt bevestigd door meerdere getuigen. Zo heeft getuige [betrokkene 2] verklaard dat aangever tegen hem heeft gezegd dat hij cocaïne heeft gebruikt. En getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij het extra gepinde geld aan cliënt heeft gegeven. Conform de lezing van cliënt, ter betaling voor de cocaïne.
Ten vijfde wordt de verklaring van cliënt bevestigd door de foto's van de hotelkamer en het bloed(spoor) dat in de hotelkamer is aangetroffen. Aan de rechterkant van het bed bevindt zich een hoek met een zetel waar je op kunt zitten (zie foto 18 p. 166 zaaksdossier). Dit is op basis van de foto's het enige hoekje waar cliënt kan hebben gezeten. Aangever bevestigt dat cliënt in de hoek van de kamer zat. We zien dat de bloedsporen zich bevinden aan de rechterkant van het bed, aan het voeteneinde, de badkamer en de uitgang van de kamer. Aan de linkerkant van het bed bevinden zich geen bloedsporen (zie foto 11 p. 163 zaaksdossier).
De locaties van de bloedsporen en de afwezigheid van bloed aan de linkerzijde van het bed, bevestigen de lezing van cliënt dat hij in een hoekje (aan de rechterzijde van het bed) zat, daar is aangevallen, daar heeft gestoken en aangever vervolgens de kamer heeft verlaten.
Ten zesde vindt de lezing van cliënt bevestiging in een verklaring van aangever. Aangever bevestigt dat hij cocaïne heeft gebruikt, dat cliënt in de hoek zat, dat hij over cliënt heen stond gebogen, dat er een worsteling ontstond die uitliep in een vechtpartij en dat er daarna is gestoken. Dit is in het kort de lezing van cliënt.
Gezien het voorgaande vindt de verklaring van cliënt bevestiging in meerdere bewijsmiddelen, is deze verklaring geloofwaardig en betrouwbaar omdat hij zichzelf belast (verkoop cocaïne en meerdere malen steken met mes) en consistent heeft verklaard, valt de lezing van cliënt niet uit te sluiten op basis van het dossier en dus kan zijn verklaring niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven. Aangezien de verklaring van cliënt aannemelijk is, moeten we zijn lezing als uitgangspunt nemen.
Daar staan de verklaringen van aangever tegenover, die ik minder aannemelijk en betrouwbaar acht. Voornamelijk gezien het alcohol gebruik van aangever, omdat aangever niet consistent verklaart, omdat hij strijdig met andere bewijsmiddelen verklaart, omdat aangever op de voor hem belastende punten om de hete brei heen draait (gebruik cocaïne en slaan cliënt) en omdat hij het letsel van cliënt niet verklaart.
Om te beginnen heeft aangever verklaard dat hij heel veel had gedronken, zowel bier als sterke drank (van de sterke drank heeft hij de tel niet bijgehouden). Ook heeft hij te kennen gegeven dat hij het allemaal niet meer zo goed weet en dat er veel zwarte gedeeltes zijn in zijn geheugen. De politie heeft geverbaliseerd dat aangever bloeddoorlopen ogen had en sprak met een dubbele tong. Uit het toxicologisch onderzoek blijkt dat er 2,2 mg/ml Ethanol (alcohol) in het bloed van aangever is aangetroffen. Deze hoeveelheid valt in de categorie waarin iemand niet meer zelfstandig kan staan en sprake is van een ernstige verstoring van de waarneming en het beoordelingsvermogen. Daarnaast zijn er verschillende soorten harddrugs in het bloed van aangever aangetroffen. De deskundige heeft opgemerkt dat het bewustzijn mogelijk aanvullend was beïnvloed door 3-MMC. Over de vrienden van aangever heeft de politie genoteerd dat de alcohol nog rijkelijk door het bloed gierde. Deze conditie kleurt de verklaring van aangever en maakt zijn verklaring minder betrouwbaar. Cliënt heeft verklaard zich alles goed te kunnen herinneren.
Ter illustratie twee voorbeelden. Aangever heeft in eerste instantie verklaard dat hij cliënt op centraal station heeft ontmoet, terwijl dit op [station] is geweest. Hij wist dus niet meer op welk station hij aangever is tegengekomen. Nu wil ik aangever niet te veel op een naam van een station pakken (ik kan me voorstellen dat dit voor een toerist lastig is). Maar centraal station ziet er toch wel heel anders uit dan [station] . Aangever wist kennelijk niet meer dat zijn hotel niet in de buurt van centraal zat, maar heel ergens anders.
Wat ik ook erg opvallend vond is dat de politie met de beelden van het hotel naar aangever is gegaan, met de vraag of de persoon op de beelden (cliënt) de persoon is die hem heeft gestoken. Aangever heeft te kennen gegeven dat hij er niet zeker van was of de persoon op de beelden de persoon is met wie hij ruzie heeft gehad. Dit vind ik erg opvallend, omdat ze samen op het station, supermarkt en hotelkamer zijn geweest. Het is niet dat ze maar kort samen zijn geweest. Dit zegt veel over de herinneringen die aangever heeft of juist niet heeft en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.
Ten tweede heeft aangever als eerste tegen getuige [betrokkene 2] (personeel [A] ) verklaard dat hij van cliënt cocaïne moest gebruiken. Dat hij dit wel wilde, maar dat het hem te veel werd. Dat cliënt hem cocaïne zou zijn blijven voeren, hij niet meer wilde, dat cliënt daarom boos werd en aangever heeft gestoken. Aangever erkent hier dus cocaïne te hebben gebruikt. De reden waarom cliënt zou hebben gestoken, omdat aangever niet meer cocaïne wilde gebruiken, komt niet heel geloofwaardig over.
Tijdens het eerste moment met de politie in het ziekenhuis heeft aangever te kennen gegeven dat cliënt heeft geprobeerd om aangever heel erg dronken te krijgen en dat hij de indruk kreeg dat cliënt misbruik van hem wil maken of hem wilde beroven. Toen aangever aan cliënt vroeg om te gaan, ontstond er een worsteling die uitliep op een vechtpartij. Vervolgens pakte cliënt een mes waarmee hij heeft gestoken.
Opvallend is dat het voeren van cocaïne in zijn tweede verklaring is 'vervangen' door het dronken voeren. En de reden waarom cliënt weg moest uit de kamer van het niet meer aankunnen van de cocaïne is veranderd in de gedachte dat cliënt hem wilde misbruiken of beroven. Interessant is dat aangever aangeeft dat er een worsteling is geweest die uit is gelopen op een vechtpartij en dat cliënt daarna heeft gestoken. Dit is een bevestiging van de lezing van cliënt.
In zijn aangifte heeft aangever verklaard dat cliënt meerdere malen naar zijn telefoon en portemonnee heeft gekeken, dat hij heeft gevraagd aan cliënt om de kamer te verlaten, dat er ruzie ontstond en 'vanuit het niets' meerdere malen werd gestoken. Ik merk op dat cliënt alle gelegenheid heeft gehad om iets uit de hotelkamer te stelen, maar dat er niets is weggenomen. Ook heeft aangever te kennen gegeven zich niet te kunnen herinneren of hij cocaïne heeft gebruikt, maar hij heeft wel wit poeder zien liggen en hij had wel het gevoel dat hij cocaïne had gebruikt. Dit is niet alleen een opmerkelijke verklaring, maar ook een verklaring die strijdig is met hetgeen hij tegen getuige [betrokkene 2] heeft verteld; dat hij cocaïne heeft gebruikt. Dat aangever cocaïne heeft gebruikt, kan ook worden afgeleid uit het toxicologisch onderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat er verschillende soorten harddrugs in het bloed van aangever zijn aangetroffen, meerdere omzettingsproducten van cocaïne, MDMA, 4-FMA en 3MMC. Bovendien valt op dat aangever helemaal geen reden geeft waarom cliënt mee is gegaan naar de hotelkamer (als er geen cocaïne zou zijn gebruikt).
Over de discussie in de Spar heeft aangever verklaard dat dit zou gaan over het bier dat hij moest afrekenen. Dit terwijl zowel cliënt als de medewerker van de Spar (getuige [betrokkene 3] ) hebben verklaard dat de discussie ging over het exta gepinde geld dat aan cliënt is overhandigd. Niet gek dat aangever hier anders over heeft verklaard, het gepinde geld was immers ter betaling van de cocaïne, waarvan hij kennelijk niet meer wil toegeven dat hij dit heeft gebruikt.
Over het geweld dat aangever heeft gebruikt heeft hij verklaard dat hij cliënt een duw en een schop heeft gegeven. Hij zou hebben geprobeerd om te slaan, maar hij weet niet of dit raak was. Hij verklaart dus in het geheel niet hoe het letsel van cliënt is ontstaan. Daar komt bij dat hij verklaart 'uit het niets' te zijn gestoken. Het vanuit het niets iemand steken, is een vrij zeldzaam verschijnsel. Voordat zoiets gebeurd dan moet dan een aanleiding voor zijn. Zeker in het geval van cliënt, die helemaal geen geweldshistorie heeft. Bovendien heeft aangever eerder verklaard dat er een worsteling en vechtpartij aan het steken vooraf zijn gegaan.
Gezien het voorgaande bevat de aangifte opmerkelijke passages die niet alleen op essentiële onderdelen strijdig zijn met de door aangever eerder afgelegde verklaringen, maar ook strijdig zijn met de verklaringen van getuige [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en verklaart hij het letsel van cliënt niet.
Op 23 februari 2020 is aangever aanvullend gehoord. Op de vraag hoe cliënt aan zijn letsel is gekomen en of hij zich kan herinneren hoe hij zich 'verdedigd' heeft (hier zijn aangever dus woorden in de mond gelegd), heeft aangever verklaard dat het 'kan' zijn dat hij cliënt in zijn gezicht heeft geraakt toen hij zich verdedigde. Over de cocaïne heeft aangever verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij cocaïne heeft gebruikt (hetgeen dus kan worden afgeleid uit onderzoek), wel dat cliënt dit bij zich had en dat het op de tafel heeft gelegen.
Hier zien we dat aangever in het kader van het geweld dat hij tegen cliënt heeft gebruikt en het gebruik van cocaïne om de hete brei heen blijft draaien en niet kan toegeven wat hij zelf heeft gedaan.
Het geld dat hij extra heeft gepind zou hij hebben gepind om de volgende dag te kunnen eten. Ook dit is een ongeloofwaardige verklaring, eten kun je immers gewoon met je pinpas betalen. Daar heb je helemaal geen cash voor nodig. Bovendien werd het geld aan cliënt gegeven, voor de cocaïne. Maar dat wil aangever niet meer toegeven.
Op de vraag waarom hij zich niet kan herinneren of hij cocaïne heeft gebruikt en zich wel (gedetailleerd) weet te herinneren hoe het steken heeft plaatsgevonden, antwoord aangever dat hij denkt dat cliënt hem gedrogeerd heeft. Hoe dit zou hebben plaatsgevonden kan aangever niet uitleggen, omdat hij dit niet heeft gezien. Maar hij voelde zich anders in zijn systeem. Nog los van het feit dat dit een lastig te geloven verhaal betreft, wordt deze stelling niet bevestigd door het toxicologisch onderzoek.
Op 15 juni 2020 is aangever gehoord door de RC. Tijdens dit verhoor heeft aangever meerdere elementen aan zijn verklaring toegevoegd, welke hij niet in zijn vier eerdere verklaringen kenbaar heeft gemaakt. Zo zou hij bier voor cliënt hebben gekocht in ruil voor sigaretten die hij zou hebben gekregen. Dat hij dacht dat cliënt in hetzelfde hotel en op dezelfde verdieping verbleef, omdat cliënt achter hem aan liep. Hij vond het niet vreemd dat cliënt, zonder uitnodiging en volgens hem zonder reden, met hem mee de hotelkamer in is gelopen. Client zou gebruik hebben gemaakt van zijn telefoon, terwijl deze was beveiligd met een pincode en hij deze niet aan cliënt heeft gegeven. Ten aanzien van de cocaïne kan hij zich niets meer herinneren. Hij zou zelfs niet geprobeerd hebben dit te kopen. Hij had er wel aan gedacht om het te kopen, maar besloten dit niet te doen omdat hij in een vreemd land was. Terwijl hij eerder heeft verklaard wel te hebben geprobeerd om cocaïne te kopen, maar dat dit niet was gelukt. Hier heb ik aangever mee geconfronteerd, hij gaf aan dat hij dit niet zo zou hebben geformuleerd. Het is toch echt vastgelegd in een ambtsedig procesverbaal. Eerder heeft hij zelfs verklaard cocaïne te hebben gebruikt. Verder zou hij ook geen pillen of andere drugs hebben gebruikt. Het toxicologisch onderzoek vertelt een ander verhaal. Aangever heeft verklaard dat hij mogelijk 40 euro in zijn portemonnee had zitten. Ook dit is nieuw. De vraag rijst dan waarom hij in de Spar heeft moeten pinnen als hij geld op zak had. Voorts heeft aangever verklaard dat hij geen geweld heeft gebruikt tegen cliënt, althans dat hij zich dat niet kan herinneren. Eerder heeft hij verklaard dat er een worsteling is geweest die is uitgemond in een vechtpartij, dat hij cliënt hard heeft geduwd en dat hij cliënt heeft geschopt. Hij zou wel bewegingen met zijn armen hebben gemaakt, maar hij kan zich niet herinneren of hij cliënt daarmee heeft geraakt. Hij weet wel zeker dat zijn vuisten niet gebald zijn geweest. Op die manier sla je in ieder geval geen twee voortanden uit iemands mond. Ook heeft hij in dit verhoor dat het incident staand zou zijn voorgevallen, terwijl hij eerder heeft verklaard dat cliënt zet en hij over hem heen heeft gebogen. Stuk voor stuk opmerkelijke verklaringen.
Aangever heeft verklaard dat zijn herinneringen duidelijker zijn geworden dan destijds (tijdens de eerdere verhoren), omdat hij toen veel medicatie kreeg toegediend. Ten eerste zouden de agenten aangever niet hebben gehoord als hij daartoe niet in staat was geweest. Ten tweede is het opvallend dat hij zich niets kan herinneren met betrekking tot cocaïne. Hij kan zich zelfs niet meer herinneren dat hij personeel van het hotel heeft gesproken, de getuige [betrokkene 2] . Ook kan hij zich niets herinneren omtrent het gepinde geld dat in de Spar aan cliënt is gegeven. Hetzelfde geldt voor het geweld dat tegen cliënt is gebruikt. Hieruit blijkt dat de herinneringen van aangever helemaal niet duidelijker zijn geworden. Op de laatste vraag van de RC geeft aangever overigens ook zelf aan dat zijn geheugen is aangetast.
Op grond van het bovenstaande [AG: in de pleitnota is het woord “bovenstaande” met pen doorgestreept en vervangen door het woord “voorgaande”], dat aangever zich door het alcohol gebruik niet alles goed kan herinneren, zijn wisselende verklaringen, dat zijn verklaringen strijdig zijn met meerdere getuigenverklaringen, dat hij op de punten die voor hem belastend zijn aan geheugenverlies lijdt, dat hij het letsel van cliënt niet verklaart en omdat zijn verklaringen meerdere opmerkelijke en ongeloofwaardige passages bevatten, acht ik de lezing van cliënt betrouwbaarder en aannemelijker dan die van aangever.
We zien een ontwikkeling in de verklaringen van aangever, waarbij hij in het begin heeft verklaard cocaïne te hebben gebruikt en dat er een worsteling en een vechtpartij heeft plaatsgevonden en daarna is gestoken, naar geen herinneringen aan het gebruik van cocaïne en geen herinneringen aan het gebruik van geweld tegen cliënt. Ik benadruk graag dat aangever geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het pinnen in de Spar en waarom dit geld aan cliënt is gegeven, waarom cliënt mee naar de hotelkamer is gegaan, de drugs die in zijn bloed zijn aangetroffen en het ontstaan van het letsel van mijn cliënt. Daarom moeten we de lezing van cliënt als uitgangspunt moeten nemen.
De rechtbank heeft dit ook gedaan, omdat de feitelijke toedracht zoals door cliënt geschetst voldoende aannemelijk is geworden. Hij heeft volgens de rechtbank consistent verklaard, het niet geringe tandletsel van cliënt daar kan de rechtbank niet zomaar omheen, terwijl aangever daar geen afdoende verklaring voor heeft gegeven, aangever heeft niet consistent verklaard, met name ten aanzien van het geweld (aanvankelijk over een worsteling die is uitgemond in een vechtpartij en dat hij cliënt heeft geschopt, naar geen enkel geweld), de verklaring van cliënt wordt niet door bewijsmiddelen weerlegd en aangever bevestigt de lezing van cliënt op belangrijke punten en cliënt heeft het steken in de rug voldoende uitgelegd.
Op grond van het bovenstaande dienen we uit te gaan van de lezing van cliënt en komt cliënt een geslaagd beroep op noodweer toe. Wat de verdediging betreft maakt het dossier een noodweersituatie voldoende aannemelijk, waarbij zij opmerkt dat de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag worden gelegd. De lezing van cliënt kan niet worden uitgesloten en is voldoende aannemelijk. In dit kader merk ik op dat de deskundige van het NFI, heeft aangegeven dat achteraf niet valt vast te stellen in welke volgorde de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden.
Subsidiair merkt de verdediging op dat, indien u van oordeel bent dat cliënt te ver is gegaan in zijn verdediging (een te zwaar middel dan wel te vaak gehanteerd), hem een beroep op noodweerexces toekomt. De verweten gedraging is immers het onmiddellijke gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.