Conclusie
Hoornerespectievelijk
Vomar. Hoorne en Vomar gezamenlijk worden hierna verkort aangeduid als
Hoorne c.s.(in vrouwelijk enkelvoud). Verweerster in cassatie wordt hierna verkort aangeduid als
de gemeente.
1.Inleiding
De rechtbank heeft geoordeeld dat dit het geval is en dat de overeenkomst tussen de gemeente en Hoorne onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. De rechtbank heeft de gemeente veroordeeld om de door Hoorne aan de gemeente betaalde ‘tenderbijdrage’ terug te betalen en zij heeft de gemeente veroordeeld tot vergoeding van de door Hoorne c.s. geleden schade.
Het hof komt tot een ander oordeel dan de rechtbank en heeft de vorderingen van Hoorne c.s. afgewezen. Volgens het hof is van bedrog of dwaling geen sprake. Hoorne c.s. heeft de stelling dat de overeenkomst onder invloed van bedrog tot stand is gekomen onvoldoende onderbouwd. De vordering tot vernietiging of wijziging van de koopovereenkomst wegens dwaling is naar het oordeel van het hof evenmin toewijsbaar, omdat niet aan het vereiste van causaal verband is voldaan. Het hof ziet ook geen grond aanwezig voor een verplichting tot schadevergoeding van de gemeente jegens Hoorne c.s. op andere grondslagen (toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad).
Het cassatieberoep van Hoorne c.s., dat vooral is gericht tegen ’s hofs oordeel dat Hoorne de overeenkomst met de gemeente ook bij een juiste voorstelling van zaken (op dezelfde voorwaarden) zou hebben gesloten, treft m.i. geen doel.
2.Feiten
hof). [1]
CV). Op 27 juni 2002 hebben de CV en de gemeente daartoe een ‘realiseringsovereenkomst’ gesloten. Deze realiseringsovereenkomst zag op de verkoop van de gronden door de gemeente aan de CV en de realisatie van 876 woningen door de CV.
tenderdocument) is in de inleiding een passage opgenomen met informatie over de ontwikkeling van de wijk Noorderplassen West:
Het uiteindelijke draagvlak voor het buurtwinkelcentrum in de komende jaren is de volgende [indicatieve; zie ook onder 3.13 hierna, A-G] woningbouwprogrammering:
2. Exploitatie van de supermarkt in Noorderplassen namens de supermarktorganisatie voor een periode van 5 jaar.”
Het doet ons deugd te vernemen dat u thans wel voornemens bent om daadwerkelijk tot ondertekening van de overeenkomst tot bouwplanontwikkeling over te gaan.
(…)
Geplande woningopleveringen NPW[Noorderplassen West, A-G]
In een brief van 27 juli 2010 heeft de CV aan de gemeente laten weten dat zij het alternatieve plan van de gemeente ten aanzien van het Grote Eiland had doorgerekend en dat het plan geen rendabele, haalbare ontwikkeling mogelijk maakte. De CV stuurde vervolgens een eigen plan.
Tijdens een overleg van 27 oktober 2010 met de gemeente heeft de CV meegedeeld zich genoodzaakt te zien de planontwikkeling stop te zetten en de resterende delen terug te verkopen.
Wij willen u voorstellen om ons het ontwikkeling recht te geven voor de deelwijk “bella vista” eiland NP in Noorderplassen West te geven, om binnen de kaders door de gemeente gesteld een plan te ontwikkelen en aan de markt te brengen. (…)”
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een zitting plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Beide partijen hebben schriftelijke pleitnotities overgelegd.
vonnis). De gemeente heeft vervolgens een memorie van grieven ingediend, waarin de gemeente de oordelen van de rechtbank over, kort gezegd, dwaling en onrechtmatig handelen als gevolg van verzwijging van de desbetreffende informatie bestrijdt.
De productieplanning was voor mij essentieel voor het besluit om het project al dan niet uit te voeren en zelfs de mogelijkheid om het project terug te geven aan de gemeente was voor mij een reële optie, als de planning gewijzigd zou moeten worden met minder woningen of een langere doorlooptijd.
arrest). De gemeente heeft een verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Hoorne c.s. heeft hierop bij verweerschrift in voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep gereageerd. Hoorne c.s. refereert zich in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep aan het oordeel van de Hoge Raad. De gemeente heeft haar standpunten schriftelijk doen toelichten. In haar schriftelijke toelichting trekt de gemeente het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep in. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep had betrekking op het ontbreken van het woord “indicatieve” in de volgende zinsnede uit r.o. 4.2 van het arrest (zie ook onder 2.2 hiervoor): “Het uiteindelijke draagvlak voor het buurtwinkelcentrum in de komende jaren is de volgende woningbouwprogrammering”. Bij arrest van 31 mei 2022 heeft het hof die zinsnede op verzoek van de gemeente op de voet van 31 Rv als volgt verbeterd: “Het uiteindelijke draagvlak voor het buurtwinkelcentrum in de komende jaren is de volgende indicatieve woningbouwprogrammering”. [10] Hoorne c.s. heeft ten slotte nog gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1 t/m 1.4bevatten geen afzonderlijke klachten.
sunk-cost fallacy) behelzen die geen dragende overweging voor een investeerder (en de rechter) mag zijn.
sunk-cost fallacy. Dat betreft de menselijke neiging om, kort gezegd, door te gaan op een heilloze weg als daar al de nodige tijd en moeite (en daarmee kosten) in is geïnvesteerd, terwijl op het moment dat die kosten al zijn gemaakt betere investeringsmogelijkheden voorhanden zijn. Kahneman schrijft onder meer het volgende over deze denkfout:
sunk-cost fallacy, a costly mistake that is observed in decisions large and small. Driving into the blizzard because one paid for tickets is a sunk-cost error.
Imagine a company that has already spent $50 million on a project. The project is now behind schedule and the forecasts of its ultimate returns are less favorable than at the initial planning stage. An additional investment of $60 million is required to give the project a chance. An alternative proposal is to invest the same amount in a new project that currently looks likely to bring higher returns. What will the company do? All too often a company afflicted by sunk costs drives into the blizzard, throwing good money after bad rather than accepting the humiliation of closing the account of a costly failure. This situation is […] the choice […] between a sure loss and an unfavorable gamble, which is often unwisely preferred.”
sunk-costsmede van betekenis zijn voor een inschatting van het te verwachten gedrag van Hoorne c.s. (daarbij vertegenwoordigd door haar bestuur) in de situatie waarin zij van het afhaken van de CV op de hoogte was geweest. Ik merk overigens nog op dat het hof ook in aanmerking heeft genomen het bedrag van € 175.000,-- dat bij het niet-sluiten van de overeenkomst zou zijn verschuldigd (zie ook onder 2.3 hiervoor) en de omstandigheid dat in dat geval een schaarse supermarktlocatie zou zijn misgelopen (zie ook onder 3.12 hiervoor). In het kader van de
sunk-cost fallacywijs ik verder nog op het voorstel van Hoorne om zelf de ontwikkeling van het Grote Eiland op zich te nemen, wat door haar onder meer is gemotiveerd vanuit de gedachte om: “mogelijk een gedeelte van de grote verliezen die Vomar en Hoorne thans l[ij]den en hebben geleden [te] kunnen compenseren” (zie onder 2.24 hiervoor). Ik leid hieruit af dat door Hoorne c.s. ook toen (eind 2015, begin 2016), mede rekening houdend met
sunk costs, kennelijk nog steeds vanuit het doorgaan met het project werd geredeneerd.
Hierop stuit het subonderdeel af.
subonderdelen 2.1 t/m 2.10bevatten geen afzonderlijke klachten.
subonderdeel 2.11komt het hof tot het oordeel dat Hoorne de overeenkomst ook bij een juiste voorstelling van zaken zou zijn aangegaan en dat zij dat onder dezelfde voorwaarden zou hebben gedaan, omdat géén van de stellingen van Hoorne c.s. ter zake tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Het subonderdeel stelt dat het hof daarbij het in r.o. 5.7 aangehaalde uitgangspunt miskent “dat aan de stelplicht en bewijslast van het causaal verband geen al te hoge eisen mogen worden gesteld.”
mutatis mutandiskan worden toegepast om tot ‘maatwerk’ te komen. Het subonderdeel stelt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door Hoorne c.s. hier niet tegemoet te komen in haar bewijspositie.
verplichtwas (analoge) toepassing te geven aan bepalingen of leerstukken die de rechter ten dienste staan bij de vaststelling van causaal verband en schade in gevallen van onzekerheid, zoals art. 6:97 BW Pro en art. 6:101 BW Pro en de leerstukken van kansschade en proportionele aansprakelijkheid, zie ik niet. Het hof is, na het geven van een aanvullende gelegenheid aan Hoorne c.s. om haar stellingen verder te onderbouwen na de mondelinge behandeling in hoger beroep, tot het oordeel gekomen dat Hoorne c.s. haar stelling dat Hoorne de koopovereenkomst niet (op dezelfde voorwaarden) zou zijn aangegaan indien Hoorne c.s. bekend was geweest met het terugtreden van de CV onvoldoende heeft onderbouwd. Aan de vraag of de dwaling gedeeltelijk aan de gemeente zou kunnen worden toegerekend wordt dan niet toegekomen.
De in subonderdeel 1.4 aangevoerde stellingen maken het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk. Aldaar wordt, naast de verklaring van [betrokkene 1] waarop dit subonderdeel betrekking heeft, ingegaan op de stellingen dat Hoorne c.s. op voor de gemeente kenbare wijze veel aandacht heeft besteed aan de woningbouwproductie in de wijk en dat zij ook een verband heeft gelegd tussen het aantal te bouwen woningen en het kunnen realiseren van haar plannen en dat Hoorne c.s. heeft aangegeven dat na de eerdere tegenvaller “de rek er uit was”. De eerste stelling (dat Hoorne c.s. in de periode voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst, voor de gemeente kenbaar, veel aandacht heeft besteed aan de woningbouwproductie in de wijk en dat zij een verband heeft gelegd tussen het aantal te bouwen woningen en het kunnen realiseren van haar plannen) heeft het hof in r.o. 5.16 in de beoordeling betrokken. Ik zie niet in hoe die stelling afbreuk doet aan het oordeel van het hof dat de verklaring van [betrokkene 1] geen steun vindt in de investeringsbegroting van Hoorne en de investeringsaanvraag van Vomar. De stelling over dat “de rek eruit was”, is gebaseerd op de volgende passage uit de memorie van antwoord van Hoorne c.s.: [13]
De motiveringsklacht van het subonderdeel treft evenmin doel. Ik loop de door het subonderdeel opgesomde argumenten langs.
Het subonderdeel verwijst in de
eersteplaats naar r.o. 5.15, waarin het hof overweegt dat het sluiten van de koopovereenkomst door Hoorne c.s. het sluitstuk was van een lang traject waarin Hoorne toen al de nodige energie had geïnvesteerd. Volgens het subonderdeel steekt het hof de gemeente hier de helpende toe door een grondslag voor het verweer van de gemeente aan te vullen. De
tweedeomstandigheid die het subonderdeel noemt, heeft eveneens betrekking op r.o. 5.15, voor zover het hof aldaar overweegt dat Hoorne een bedrag van € 175.000,-- zou moeten betalen wanneer zij geen koopovereenkomst met de gemeente sloot. Volgens het subonderdeel steekt het hof de gemeente ook op dit punt de helpende hand toe, omdat de gemeente dit argument niet zou hebben aangevoerd.
Deze twee argumenten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zoals het subonderdeel zelf ook opmerkt, heeft Hoorne c.s. in de inleidende dagvaarding onder 47 onder meer het volgende naar voren gebracht:
Het
derdedoor het subonderdeel genoemde argument heeft eveneens betrekking op r.o. 5.15, voor zover het hof daarin overweegt dat supermarktlocaties schaars zijn. Volgens het subonderdeel heeft het hof dit ontleend aan een opmerking van de zijde van de gemeente tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep en heeft Hoorne c.s. deze opmerking ter zitting direct weersproken. Het hof zou hier op een blote stelling van de gemeente varen, aldus het subonderdeel.
Het subonderdeel doelt op de volgende passage uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep: (p. 7)
[betrokkene 2][werkzaam bij de gemeente, A-G]: ik ben verbaasd dat [betrokkene 3] [directeur van Hoorne en Vomar, A-G] zegt dat hij van dit project had afgezien en een andere tender zou navolgen. Supermarktlocaties zijn heel schaars. Als supermarkt ga je achter elke tender aan. Je loopt geen kansen mis wanneer je deze tender doorzet.
Het
vierdeen laatste argument kan Hoorne c.s. evenmin baten. Dit betreft de derde t/m vijfde volzin van r.o. 5.21. Dit argument deelt in het lot van de subonderdelen 2.16 en 2.17 (zie onder 4.23 hiervoor).
subonderdelen 3.1 t/m 3.4bevatten geen afzonderlijke klachten.
De rechtbank oordeelde in r.o. 4.5-4.6 van het vonnis dat zij het aannemelijk achtte dat Hoorne de koopovereenkomst niet (onder dezelfde voorwaarden) had gesloten indien Hoorne op de hoogte was geweest van het standpunt van de CV. Dit oordeel wordt in hoger beroep door de gemeente bestreden met grief IV (‘er is geen sprake van causaal verband’) in haar memorie van grieven, onder 169-218. Hoorne c.s. verweert zicht tegen deze grief in haar memorie van antwoord (tevens memorie van grieven in incidenteel appel), onder 52-71.
Uit de spreekaantekeningen die zijn voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep blijkt dat beide partijen zijn ingegaan op het causaal verband. Hoorne c.s. heeft hierover het volgende naar voren gebracht, zoals blijkt uit haar spreekaantekeningen, onder 9:
Blijkens het proces-verbaal is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het causaal verband, op vragen van het hof, ook verschillende keren aan de orde geweest. Zo stelt de advocaat van Hoorne c.s. (mr. Van der Sluijs): (p. 4-5)
In de akte van Hoorne c.s. lees ik onder meer het volgende:
Door Hoorne en Vomar te verstrekken informatie10. Het hof heeft Hoorne en Vomar gevraagd om:
[…]”
De berekening die uitgaat van de situatie waarin de mededeling wel zou zijn gedaan (de fictieve situatie)16. Voor wat betreft de berekening van de fictieve situatie in april 2010 (de situatie zonder de verzwijging ) van Hoorne wordt verwezen naar
productie 15, waaruit een verlies van EUR 630.899 blijkt, op grond waarvan Hoorne had afgezien van het project.
productie 16, waaruit een lager resultaat van EUR 1.029.066 blijkt, op grond waarvan Vomar had afgezien van het project.
productie 17de verklaring d.d. 23 mei 2021 van [betrokkene 1] in het geding. [betrokkene 1] was destijds algemeen directeur van Hoorne. Hij verklaart onder andere:
De productieplanning was voor mij essentieel voor het besluit om het project al dan niet uit te voeren en zelfs de mogelijkheid om het project terug te geven aan de gemeente was voor mij een reële optie, als de planning gewijzigd zou moeten worden met minder woningen of een langere looptijd.
subonderdelen 5.1 en 5.3bevatten geen afzonderlijke klachten.