Conclusie
RD Benelux(eiseres tot cassatie) en
[verweerder](verweerder in cassatie).
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
[betrokkene 1]) anderzijds een schriftelijke aannemingsovereenkomst gesloten, aangeduid als overeenkomst voor het leveren van een RD-Benelux-woning. De prijs is gesteld op € 136.000,-- exclusief btw (‘Casco+’). Op de overeenkomst zijn van toepassing verklaard de algemene voorwaarden voor levering van RD Benelux-woningen en de algemene voorwaarden van RD Benelux. De woning is gebouwd te [plaats] ( [provincie] ).
het protocol). [2] Dit stuk is ondertekend door [verweerder] en namens RD Benelux. Daarna hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd en heeft RD Benelux een aantal werkzaamheden uitgevoerd.
ZNEB). Hoewel daarvoor uitgenodigd was niemand van RD Benelux aanwezig bij het bezoek van de expert aan de woning op 11 oktober 2016. Volgens het rapport van ZNEB heeft RD Benelux op een aantal punten niet naar behoren gepresteerd, althans niet naar de eisen van goed en deugdelijk werk. De kosten van herstel zijn geraamd op € 10.760,-- inclusief btw, waaronder € 1.200,-- voor kosten van aanvullend onderzoek.
[de deskundige]) ingeschakeld. Ook voor dit onderzoek was RD Benelux uitgenodigd. Aan deze uitnodiging heeft zij geen gevolg gegeven. Het expertiserapport van [de deskundige] dateert van 22 mei 2017.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de kantonrechter). Hij heeft gevorderd dat de kantonrechter RD Benelux veroordeelt:
primair: tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 9.841,39, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten, en
subsidiair: tot nakoming van de aannemingsovereenkomst door herstel van de in de dagvaarding opgesomde gebreken binnen 14 dagen na de datum van het vonnis, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;
in conventieRD Benelux niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen [betrokkene 1] . De kantonrechter heeft het verzet, gericht tegen [verweerder] , tegen het verstekvonnis van 4 april 2018 gedeeltelijk gegrond verklaard, dat vonnis vernietigd en RD Benelux veroordeeld om aan [verweerder] een bedrag van € 4.497,18 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente. [4] De kantonrechter heeft RD Benelux veroordeeld in de kosten van het geding en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. De kantonrechter heeft
in conventie en in reconventieRD Benelux in haar vordering tegen [betrokkene 1] niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter heeft verder [verweerder] veroordeeld om aan RD Benelux een bedrag van € 1.463,56 te betalen. [5] De kantonrechter heeft RD Benelux veroordeeld in de kosten van het geding en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.
worden tegelijkertijd in rekening gebracht en maken deel uit van de 4de termijn; ze zijn dan ook uiterlijk bij de 4de termijn betaalbaar, voor zover ze niet al eerder zijn betaald. Indien het juiste bedrag van de meerwerken nog niet bekend is (nacalculaties) dient een bedrag te worden voldaan dat in redelijkheid kan worden overeengekomen; voor het restant van het door Opdrachtnemer vastgestelde bedrag dient zekerheid te worden gesteld,(...)
”
het hof). Bij tussenarrest van 19 mei 2020 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Tijdens de comparitie is geen minnelijke regeling bereikt. Partijen hebben daarna doorgeprocedeerd.
in conventie: RD Benelux veroordeelt om aan [verweerder] een bedrag van € 24.770,40 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van RD Benelux in de kosten van beide instanties, inclusief nakosten, en
in reconventie: het door RD Benelux gevorderde afwijst, met veroordeling van RD Benelux in de kosten van beide instanties, inclusief nakosten.
Schuldeisersverzuim van [verweerder] ?’ en ‘
Was [verweerder] bevoegd tot omzetting en verrekening?’. De gegeven oordelen maken deel uit van de beoordeling door het hof van de incidentele grieven II, IV en VI in r.o. 7.20 t/m 7.29. Het hof overweegt daarin als volgt:
Incidentele grieven II, IV en VI
het arrest). De procesinleiding bevat op blz. 6 (onder punt 12) een voorbehoud tot aanvulling of wijziging van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 april 2022 zal zijn ontvangen. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt. Tegen [verweerder] is verstek verleend. RD Benelux heeft afgezien van een schriftelijke toelichting.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
erkenddat hetgeen op 6 mei 2014 heeft plaatsgevonden als een oplevering heeft te gelden én dat het proces-verbaal van oplevering voor de verdere afwikkeling tussen partijen bepalend is. Daaraan doet, zo vervolgt het onderdeel, niet af dat nog “een (bescheiden) aantal zaken” diende te worden afgerond en dat, zoals het hof aan het slot van r.o. 7.25 overweegt, “niet is gesteld of gebleken dat op of kort na 6 mei 2014 door RD Benelux aan [verweerder] een factuur voor meerwerk is gezonden, terwijl dat in de rede had gelegen als hetgeen op 6 mei 2014 tussen partijen heeft plaatsgevonden had te gelden als oplevering onder de overeenkomst”. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat [verweerder] op de erkenning niet (bij gelegenheid van de mondelinge behandeling) mocht terugkomen.
Vragen Hof en reactie partijen
u betoogt iets over de oplevering in uw stukken. In de memorie van antwoord zegt u eigenlijk twee dingen daarover. Aan de ene kant noemt u 6 mei 2014, dat is de datum van oplevering. Dat was een voortijdige oplevering, want er was nog werk uit te voeren, maar door omstandigheden aan de kant van [verweerder] , moest er al opgeleverd worden. Iets verderop zegt u iets anders, althans dat lijkt zo. Dat is bij de bespreking van grief 2. Dan gaat het over de periode juni 2016, waarin ook gezegd wordt dat sprake zou zijn van oplevering. De vraag die het hof heeft: hoe kijkt u aan tegen de oplevering? Wat ziet u als de oplevering onder de overeenkomst?
voor)oplevering” kan worden afgeleid dat volgens [verweerder] op 6 mei 2014 van een echte oplevering geen sprake is geweest. In elk geval beantwoordde het werk volgens [verweerder] op die datum (bij lange na) niet aan hetgeen hij op grond van de aannemingsovereenkomst mocht verwachten. Ik herhaal in dat verband dat het hof, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld dat van een oplevering van de woning sprake is “als de woning is afgewerkt in overeenstemming met wat tussen partijen daarover is overeengekomen”.
voor)oplevering” kan worden afgeleid dat [verweerder] zich in de genoemde passages op het standpunt stelt dat op 6 mei 2014 van een echte oplevering geen sprake is geweest. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [verweerder] uitdrukkelijk verklaard dat op die datum (en nadien) van een oplevering geen sprake is geweest. [15] In de voetnoot verwijst het onderdeel verder naar de memorie van grieven onder 22 (slot), waarin [verweerder] stelt dat “de betreffende werkzaamheden” ook worden genoemd in het proces-verbaal van oplevering. Het betoog dat [verweerder] (hiermee) heeft erkend dat het proces-verbaal van oplevering voor de verdere afwikkeling “bepalend is”, faalt. Ik merk in dat verband allereerst op dat de passages onder 21-25 van de memorie van grieven een toelichting op grief I bevatten. Daarin komt [verweerder] uitsluitend op tegen het oordeel van de rechtbank dat de door hem gevorderde installatiekosten slechts toewijsbaar zijn tot een bedrag van € 70,--. Voorts heeft het hof in r.o. 7.25 geoordeeld dat het feit dat het op 6 mei 2014 opgestelde document ‘protocol van een rechtsgeldige oplevering van een RD-woning’ spreekt over ‘oplevering’,
nietmaakt dat het werk op die datum aan de overeenkomst beantwoordde. Bepalend is, zo vervolgt het hof, “wat in dit verband inhoudelijk tussen partijen is voorgevallen”. Zoals hierna zal blijken, faalt het tegen dat oordeel gerichte onderdeel 6.
zelfin hoger beroep met betrekking tot de oplevering van de woning stellingen heeft ingenomen die niet eenduidig zijn. Het hof heeft hierop ter zitting gewezen. [16] Zo staat in de memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep onder 65 (waarnaar het onderdeel in voetnoot 2 ook zelf verwijst):
definitieve oplevering in juni 2016 heeft plaatsgevondenen dat vanaf dat moment de vierde termijn en de meerwerken betaalbaar zijn […].”
onderdeel 4is gericht tegen de overweging dat partijen, duidelijker dan het geval was in de procedure bij de kantonrechter, in hoger beroep erover hebben getwist of oplevering van de woning heeft plaatsgevonden en zo ja, wanneer dat dan het geval is geweest (r.o. 7.24), en tegen het oordeel dat van oplevering op 6 mei 2014 nog geen sprake kan zijn geweest, omdat het werk op dat moment nog niet aan de overeenkomst beantwoordde (r.o. 7.25). Het onderdeel klaagt dat het hof met deze oordelen buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Ter toelichting wordt aangevoerd dat partijen daaromtrent in de processtukken niets hebben gesteld en dat met name de in onderdeel 1 “geciteerde passages” [22] uit de processtukken van [verweerder] geen andere conclusie toelaten dan dat ook hij de stelling heeft ingenomen dat op 6 mei 2014 de oplevering heeft plaatsgevonden. Daaraan doet, zo vervolgt het onderdeel, niet af dat nog een aantal zaken diende te worden afgerond en dat niet is gesteld of gebleken dat door RD Benelux aan [verweerder] een factuur voor meerwerk is gezonden (r.o. 7.25 slot).
NTBgoedgekeurd en in bedrijf.
overeengekomen(i) dat de levering en afwerking heeft plaatsgevonden, (ii) dat alle werken en leveringen conform de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst volgens de regelen der kunst zijn uitgevoerd en geleverd, en (iii) dat [verweerder] geen verdere aanspraken kon doen gelden, anders dan aanspraken die voortvloeien uit verborgen gebreken en/of garantie-aanspraken, zulks ongeacht de vraag of hetgeen op 6 mei 2014 heeft plaatsgevonden nu als oplevering moet worden geduid of niet en waaraan niet afdoet dat nog een 27-tal “(ondergeschikte) punten” diende te worden uitgevoerd. Het onderdeel doet een beroep op de Haviltex-maatstaf [24] en stelt dat het betreffende protocol niet anders kan worden begrepen dan dat partijen, en met name RD Benelux, daaruit konden en ook moesten afleiden “dat (op een 27-tal ondergeschikte punten na) levering en afwerking conform de aaneemovereenkomst hebben plaatsgevonden”. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat RD Benelux [verweerder] aan die overeenkomst mocht houden.
onderdelen 7 t/m 11bevatten klachten die zijn gericht tegen r.o. 7.26, 7.27, 7.28, 7.29, 7.33-7.63 (voor zover deze niet betrekking hebben op het in het protocol aangekruiste 27-tal punten), 7.64, 7.65 en het dictum. Als ik het goed zie, bouwen deze onderdelen uitsluitend (“Bij gegrondbevinding van (één van) voornoemde middelonderdelen”) voort op de klachten van de voorgaande onderdelen. Zij dienen daarvan dan ook het lot te delen. De onderdelen bevatten geen klachten die afzonderlijke bespreking behoeven.