Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
De zaak heeft samenhang met de cassatieprocedure met zaaknummer 23/00816, waarin gelijktijdig conclusie wordt genomen. [1]
2.Feiten
3.Procesverloop
Opmerkingen
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
“de clausule om meer- of minderwerk alleen bij extreme afwijkingen te verrekenen”ziet, zich met betrekking tot het project Haarlem niet voordoet. Dit had het hof moeten leiden tot het oordeel dat de vordering van [verweerster] moet worden afgewezen. Dat heeft het hof echter niet gedaan. In plaats daarvan heeft het hof overwogen dat [verweerster] heeft gevorderd dat Bear Brothers wordt veroordeeld tot betaling van € 17.365,- en dat ‘het verweer’ van Bear Brothers dat alleen bij een extreme afwijking van aantallen een verrekening mogelijk was, niet opgaat. Nadere verweren van Bear Brothers tegen de tegenvordering van [verweerster] zijn door het hof verworpen met de overweging dat sprake is van een nieuwe stellingname/nieuw verweer, waarmee de tweeconclusieregel is geschonden, en waaraan door het hof om die reden voorbij wordt gegaan (rov. 9.11.1). Dit is bepaald
unfairjegens Bear Brothers, aldus het middel. Dat geldt ook voor de overweging van het hof in rov. 9.12.2, dat Bear Brothers geen ondertekende werkbonnen in het geding heeft gebracht, of een schriftelijke verklaring van de hoofdopdrachtgever, waaruit zou blijken dat – zoals Bear Brothers in haar contra-memorie na enquête heeft gesteld – zij met de hoofdopdrachtgever had afgesproken dat zij ter compensatie van het minderwerk andere werkzaamheden zou uitvoeren en dat zij dat ook heeft gedaan.
“Zouden wij op de ruim 9.000 m2 voegwerk een verschil hebben van b.v. 50 m2 dan hadden wij niets gezegd maar in Haarlem is bijna 800 m2 minder gemaakt. Dit is een extreme afwijking dus die worden altijd meegenomen in een verrekening. Uw stelling dat het werk is afgekocht klopt niet.
”
“een afwijking die in de branche alleszins als extreem wordt aangemerkt”, omdat 8% van het opgedragen werk niet uitgevoerd behoeft te worden maar daarvoor wel moet worden betaald (onder 27). Verder is uiteengezet (onder 28-29) dat de winstmarges in de bouw flinterdun zijn en dat het betalen voor 8% niet uitgevoerd werk leidt tot een schadepost die alle winst (normaal tussen de 2 en 3% van de aanneemsom) doet verdampen en leidt tot een verlies voor de aannemer. Daarom is sprake van een extreme afwijking (onder 30). Voor zover nodig heeft [verweerster] aangeboden te bewijzen dat
“8% afwijking op een werk zoals dit een extreme afwijking is”(onder 31).
“dat in de branche van ondernemingen die actief zijn op het gebied van gevelonderhoud algemeen aanvaard wordt dat een afwijking van 8% tussen het aangenomen en het daadwerkelijk gerealiseerde werk als ‘extreem’ heeft te gelden.”
de situatie waarin de opdrachtgever de scope van het werk wijzigt en meer of minder verlangt dan het oorspronkelijke uitgangspunt. Voor die tweede situatie - die zich in dit geval voordeed - is de passage in de overeenkomst "geen mogelijkheid tot verrekening (tenzij extreme afwijkingen)”, volgens getuige [de vertegenwoordiger] , die de tekst heeft opgesteld, niet bedoeld.
[verweerster] meent dat tegen deze achtergrond reeds dadelijk duidelijk is dat de clausule waarop Bear Brothers zich beroept in dit geval niet aan verrekening in de weg staat en het bewijs in die zin dus is geleverd. De uitleg van getuige [de vertegenwoordiger] omtrent hetgeen hij bedoeld heeft is immers volstrekt logisch en het tegendeel is geheel niet logisch. Geen van de andere getuigen heeft een hiermee strijdige verklaring afgelegd of anderszins een uitleg gegeven waarom de bedoeling van [de vertegenwoordiger] anders zou zijn (begrepen). Dit had vooral voor getuige [de directeur-grootaandeelhouder] voor de hand gelegen, nu hij de ontvanger was van de opdracht met de ter discussie staande passage en hij als getuige heeft verklaard maanden nadat hij bij de verklaring van getuige [de vertegenwoordiger] aanwezig was en als vertegenwoordiger van Bear Brothers afschrift van het proces-verbaal had ontvangen.”
Hetgeen zij wel verklaren, is niet relevantnu uw Hof onder 6.13 en 6.14 heel duidelijk heeft vastgesteld dat sprake is van een vaste aanneemsom tussen partijen en alle reeds ingediende bewijzen door [verweerster] geen onderbouwing kunnen bieden voor haar stellingen en (financiële) tegenvallers voor rekening van [verweerster] komen als gevolg van de vaststaande vaste aanneemsom.
Enkel de vraag over of 8% algemeen aanvaard als extreme afwijking wordt beschouwd, stond nog open.
Maar ook daarnaast is het onjuist en niet gestaafd door andere feiten.Immers, van een beding zoals [de vertegenwoordiger] stelt, was geen sprake. Er is enkel en alleen een vaste aanneemsom overeengekomen. Daarnaast stelt [verweerster] met deze verklaring nu ineens dat er sprake zou zijn van een gedurende het project deels ingetrokken opdracht aan Bear Brothers.
Dat betwist Bear Brothers. Er is verder ook geen enkel ander bewijs voorhanden waaruit zou blijken dat daarvan sprake is en laat staan dat Bear Brothers die verminderingen, dus wijziging van de vaste opdracht en aanneemsom, zou hebben geaccepteerd.”
“dat een deel van het werk is vervallen”(geciteerd onder 4.8) is onvoldoende om aan te nemen (zoals [verweerster] in cassatie verdedigt) dat [verweerster] van meet af aan óók wijziging van de opdracht aan haar tegenvordering ten grondslag zou hebben gelegd. Dit geldt temeer nu [verweerster] , zo blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie, direct daarna aanhaakt bij de ‘extreme afwijking’ van de minderwerkclausule en stelt dat door de mindermeters de winst van 3% niet behaald kon worden.
nietde conclusie getrokken dat dit ertoe leidt dat de tegenvordering van [verweerster] strandt. In plaats daarvan heeft het hof de vordering toegewezen op de grondslag dat sprake was van een
wijziging van de opdracht die bij de totstandkoming van de opdracht niet was voorzien. In dat geval zou namelijk volgens het hof
altijdaanspraak bestaan op verrekening, dus ook in het voorliggende geval, waarin deze situatie naar ’s hofs oordeel aan de orde was.
enkel de vraag over of 8% algemeen aanvaard als extreme afwijking geldt, nog open stond.” Van het ‘ondubbelzinnig instemmen’ met een verruiming van de rechtsstrijd is derhalve zeker geen sprake geweest. [14]
dat het bewijs is geleverd”. De beslissing van het hof dat aan het minderwerk een wijziging van de opdracht ten grondslag lag en dat de vraag welke afwijking als extreem kan worden beschouwd daarmee zijn relevantie heeft verloren, sluit dus ook niet aan op de stellingname van [verweerster] (de rechtsfeiten die zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd).
equality of arms– dat het hof enerzijds de rechtsstrijd ten gunste van [verweerster] verlegt, maar anderzijds Bear Brothers niet in de gelegenheid stelt haar verweer daarop aan te passen. Het hof werpt Bear Brothers immers de tweeconclusieregel tegen (rov. 9.11.1) en overweegt bovendien dat Bear Brothers haar verweer tegen de gewijzigde stellingname van [verweerster] onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsstukken (rov. 9.11.2). Dat is inderdaad bepaald
unfair. Als de tweeconclusieregel door het hof aan
[verweerster]zou zijn tegengeworpen, [16] zou mede dit punt daarvoor redengevend zijn geweest, namelijk dat Bear Brothers zich niet naar behoren heeft kunnen verdedigen tegen de gewijzigde stellingname van [verweerster] . Bear Brothers mocht er bij het inrichten van haar verweer in beginsel van uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door de memorie van grieven is vastgelegd. [17]
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
daaromop grond van de minderwerkclausule kon worden verrekend. Door op grond van de gewijzigde stellingname van [verweerster] de tegenvordering toe te wijzen, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. In de stellingen van [verweerster] was (tot en met de getuigenverhoren) niet te lezen dat [verweerster] haar tegenvordering in verband met het project Haarlem ook bedoelde te baseren op de grondslag dat sprake is geweest van een intrekking door de opdrachtgever van een deel van de opdracht (terwijl zij daar kennelijk wel mee bekend was). Noch Bear Brothers noch het hof hoefde te begrijpen dat [verweerster] ook deze stelling aan haar tegenvordering ten grondslag wilde leggen. Daarop stuiten de klachten af.
‘een verschil’in gemaakte meters. Daarmee is op zichzelf niet gezegd dat zonder meer vaststaat dat sprake is van een verschil van (specifiek) 755 vierkante meters. In zoverre faalt de klacht dus.
ookvan toepassing is wanneer sprake is van minderwerk vanwege het intrekken van een deel van de opdracht, en dat [verweerster] deze vorm van minderwerk als alternatieve grondslag aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.
“de opdrachtgever de scope van het werk wijzigt en meer of minder verlangt dan het oorspronkelijke uitgangspunt”. [verweerster] stelt nu voor het eerst in cassatie dat de minderwerkclausule ook bedoeld is voor deze situatie. Een dergelijke stelling kan echter niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. Daarmee kan de klacht niet slagen.
groterwas geweest dan bij de berekening van de aanneemsom begroot, Bear Brothers dit als meerwerk voor eigen rekening had moeten uitvoeren, zonder recht op een aanvullende vergoeding, en zou dat als voordeel ten bate van [verweerster] hebben gestrekt. Ten slotte overweegt het hof (iii) dat naar algemeen spraakgebruik een afwijking van 8% wellicht als fors, maar niet als “extreem” te kwalificeren is.
“Zou bij nameten zijn gebleken dat het werk (…) groter was geweest”, slechts een hypothetische situatie aanduidt, kennelijk bedoeld als voorbeeld van een geval waarin verrekening van
meerwerkníet mogelijk zou zijn geweest. Daarmee berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest, zodat het subonderdeel in zoverre faalt vanwege gebrek aan feitelijke grondslag.
Haviltex-maatstaf miskend.
Haviltex-maatstaf toegepast en is geenszins sprake van een louter taalkundige uitleg.
6.Slotsom
“dat de clausule om meer of minderwerk alleen bij extreme afwijkingen te verrekenen ziet op het geval waarin bij de uitvoering van een werk binnen de grenzen van een aangenomen opdracht blijkt dat extra (of minder) kosten gemaakt moeten worden dan bij de totstandkoming van de opdracht was voorzien”. Evenmin is (met succes) bestreden de overweging dat
“dat geval […] zich met betrekking tot het project Haarlem echter niet voor[doet]”(vgl. onder 5.10-5.12).