ECLI:NL:PHR:2023:578

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
23/00816
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 RvArt. 420 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie tegen aanvullend arrest over terugvordering proceskosten en wettelijke rente

In deze zaak is cassatie ingesteld tegen een aanvullend arrest van het hof waarin Bear Brothers werd veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van €1.390,- aan proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, dat zij onverschuldigd had ontvangen van [verweerster]. Dit aanvullende arrest volgde op een eerder arrest van 30 augustus 2022, dat eveneens in cassatie is bestreden en vernietigd. Het hof had de terugvordering van proceskosten en rente over het hoofd gezien bij het eerste arrest, maar erkende dit in het aanvullende arrest.

De kern van het geschil betreft de vraag of Bear Brothers rente verschuldigd is over het terug te betalen bedrag en of het aanvullende arrest in stand kan blijven nu het eerdere arrest is vernietigd. De Hoge Raad concludeert dat het aanvullende arrest eveneens vernietigd moet worden, omdat het onlosmakelijk verbonden is met het vernietigde arrest van 30 augustus 2022.

De Hoge Raad stelt voor de zaak zelf af te doen en wijst de vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, toe. Tevens wordt de vordering van Bear Brothers tot terugbetaling van een bedrag dat zij op grond van het aanvullende arrest aan [verweerster] heeft betaald, toegewezen. Hiermee wordt de procedure afgerond met een eigen beslissing van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het aanvullende arrest en doet de zaak zelf af door toewijzing van de terugvordering van proceskosten en wettelijke rente.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00816
Zitting9 juni 2023
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
Bear Brothers B.V.
advocaat: mr. A.C. van Schaick
tegen
[verweerster] B.V.
advocaat: mr. M. Littooij

1.Inleiding en samenvatting

Het cassatieberoep in deze zaak is gericht tegen een arrest dat het hof op 6 december 2022 op de voet van art. 32 Rv Pro heeft gewezen in aanvulling op een eerder gewezen arrest van 30 augustus 2022. Tegen dat laatste arrest is eveneens cassatieberoep ingesteld (zaaknummer 22/03667). [1] In die zaak is geconcludeerd tot vernietiging en afdoening door de Hoge Raad.
In het nu voorliggende aanvullende arrest is Bear Brothers veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [verweerster] op grond van het vernietigde vonnis méér aan Bear Brothers heeft voldaan dan waartoe zij op grond van het arrest van 30 augustus 2022 gehouden is (namelijk: een bedrag van € 1.390,- aan proceskosten), vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof had deze vordering over het hoofd gezien bij het wijzen van zijn arrest van 30 augustus 2022.
Nu het arrest van 30 augustus 2022 niet in stand kan blijven, leidt dat ook tot vernietiging van het aanvullende arrest van 6 december 2022. Evenals in de andere procedure kan de Hoge Raad ook deze zaak zelf afdoen, namelijk door de gevorderde terugbetaling alsnog af te wijzen. Ook de in cassatie ingestelde vordering tot terugbetaling van hetgeen uit hoofde van het aanvullende arrest door Bear Brothers aan [verweerster] is betaald, kan worden toegewezen.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Voor wat betreft de feiten en het procesverloop tot aan het eindarrest van het hof van 30 augustus 2022 wordt verwezen naar de conclusie in de zaak met nummer 22/03667. [2]
2.2
Nadat het hof op 30 augustus 2022 eindarrest had gewezen, heeft mr. Littooij bij brief van 19 oktober 2022 namens [verweerster] geconstateerd dat [verweerster] in het petitum in de memorie van grieven heeft gevorderd dat Bear Brothers bij vernietiging van het bestreden vonnis zal worden veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [verweerster] op grond van het bestreden vonnis aan Bear Brothers heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tussen partijen is een discussie ontstaan over de vraag of Bear Brothers bij terugbetaling rente verschuldigd is over het aan [verweerster] per saldo terug te betalen bedrag. In het eindarrest heeft het hof weliswaar beslist dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen, maar het hof heeft niet gemotiveerd waarom de gevorderde terugbetaling van het onverschuldigd betaalde en de daarover te rekenen wettelijke rente wordt afgewezen. Het hof heeft kennelijk verzuimd om op deze vordering te beslissen en [verweerster] verzoekt om een aanvulling van het arrest van 30 augustus 2022 op de voet van art. 32 Rv Pro, in die zin dat het hof deze vordering alsnog zal toewijzen, voor zover mogelijk met bepaling van 18 april 2018 als datum waarop de verrekening van vorderingen heeft plaatsgevonden.
2.3
Bear Brothers heeft bij brief van haar advocaat van 15 november 2022 aangevoerd dat het hof alle vorderingen van [verweerster], voor zover niet toegewezen, heeft afgewezen, nu in het dictum van het arrest van 30 augustus 2022 is bepaald dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Van een verzuim om op dit onderdeel van het gevorderde te beslissen is dan ook geen sprake.
2.4
In het aanvullende arrest van 6 december 2022 [3] overweegt het hof dat inderdaad over het hoofd is gezien dat [verweerster] ook een vordering had ingesteld tot terugbetaling van een uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg (mogelijk) onverschuldigd betaald bedrag. Tegen die vordering is door Bear Brothers inhoudelijk geen verweer gevoerd (rov. 3.2). Het arrest van 30 augustus 2022 behoeft aanvulling, in die zin dat Bear Brothers zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [verweerster] op grond van het vernietigde vonnis meer aan Bear Brothers heeft voldaan dan waartoe zij op grond van het arrest van 30 augustus 2022 is gehouden. [verweerster] heeft hierover de wettelijke rente gevorderd vanaf het moment van betaling tot aan het moment van terugbetaling. Omdat [verweerster] de renteschade pas is gaan lijden door de betaling, komt haar de wettelijke rente toe vanaf die dag van betaling en zal ook dat onderdeel aldus (en zoals gevorderd) worden toegewezen (rov. 3.3). Voor zover [verweerster] in haar brief van 19 oktober 2022 anders heeft verzocht, wordt dat afgewezen.
2.5
Vervolgens heeft het hof in het dictum van het aanvullende arrest Bear Brothers veroordeeld om aan [verweerster] terug te betalen al hetgeen [verweerster] op grond van het vernietigde vonnis meer aan Bear Brothers heeft betaald dan waartoe zij op grond van dit arrest is gehouden, vermeerderd met de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf de dag van betaling aan Bear Brothers tot aan de dag van terugbetaling aan [verweerster].
2.6
Bear Brothers heeft tijdig [4] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 6 december 2022. Bear Brothers heeft afgezien van een schriftelijke toelichting. [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Beide partijen hebben vervolgens arrest gevraagd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt, kort gezegd, dat wanneer het arrest van 30 augustus 2022 in cassatie wordt vernietigd, ook het arrest van 6 december 2022 dient te worden vernietigd.
3.2
In de zaak met zaaknummer 22/03667 wordt heden geconcludeerd tot vernietiging. Als gevolg daarvan kan onder meer het oordeel van het hof met betrekking tot de door het hof uitgesproken proceskostenveroordeling (rov. 9.14 en 9.15 van het eindarrest van 30 augustus 2022) niet in stand blijven. Daarmee kan ook het hiermee samenhangende arrest van 6 december 2022 niet in stand blijven. Dit betekent dat de klacht slaagt.
3.3
Uit de toelichting die in de procesinleiding is gegeven blijkt dat de vordering van [verweerster] tot terugbetaling van hetgeen zij ten onrechte aan Bear Brothers heeft voldaan, betrekking heeft op een bedrag van € 1.390,- (vermeerderd met € 113,29 aan wettelijke rente). Dit bedrag is het verschil tussen de proceskostenveroordeling die de rechtbank heeft uitgesproken (veroordeling van [verweerster] in de proceskosten in conventie en reconventie, in totaal € 4.815,70) en de proceskostenveroordeling die het hof in zijn eindarrest van 30 augustus 2022 heeft uitgesproken (veroordeling van [verweerster] in de proceskosten in eerste aanleg in conventie maar compensatie van de proceskosten in reconventie).
3.4
In de conclusie in de samenhangende zaak met zaaknummer 22/03667 is voorgesteld dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet op de voet van art. 420 Rv Pro door het oordeel van de rechtbank waarbij de tegenvordering van [verweerster] met betrekking tot het project Haarlem is afgewezen, te bekrachtigen. Dit heeft ook gevolgen voor de proceskostenveroordeling die het hof heeft uitgesproken. [verweerster] geldt dan immers in eerste aanleg ook in reconventie als de hoofdzakelijk in het ongelijk te stellen partij, zodat er geen grond meer is voor compensatie van kosten. Hiermee ligt het in de rede dat de Hoge Raad ook de onderhavige zaak zelf afdoet. De Hoge Raad kan de vordering van [verweerster] tot terugbetaling door Bear Brothers van al hetgeen [verweerster] op grond van het vernietigde vonnis meer aan Bear Brothers heeft betaald dan waartoe zij op grond van het arrest van het hof van 30 augustus 2022 gehouden is, alsnog afwijzen.
3.5
Bear Brothers vordert in haar procesinleiding tevens dat [verweerster] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 1.503,29, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2023 tot de dag der algehele voldoening. Dit bedrag heeft zij op grond van het aanvullende arrest van 6 december 2022 betaald aan [verweerster].
3.6
Deze vordering is ook toewijsbaar. Als de Hoge Raad de aanvullende uitspraak van 6 december 2022 vernietigt en de zaak zelf afdoet, kan een vordering tot terugbetaling van hetgeen waartoe een partij in de bestreden uitspraak is veroordeeld, worden toegewezen. [5] De Hoge Raad kan derhalve [verweerster] veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 1.503,29, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2023 tot de dag der algehele voldoening.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en afdoening door de Hoge Raad als hiervoor onder 3.4 en 3.6 is vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

2.Zie de conclusie die eveneens heden wordt genomen met zaaknummer 22/03667, ECLI:NL:PHR:2023:577, onder 3.1-3.17.
3.Hof ’s-Hertogenbosch 6 december 2022, zaaknummer 200.259.962/01 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
4.De procesinleiding is op 2 maart 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
5.HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:483,