ECLI:NL:PHR:2023:631

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2023
Publicatiedatum
27 juni 2023
Zaaknummer
21/02742
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 81 ROArt. 3.35 Activiteitenregeling milieubeheerBesluit bodemkwaliteit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling valsheid in geschrift en gebruik valse inspectierapporten lekdetectiesysteem

De zaak betreft het opmaken en gebruik van valse inspectierapporten door een bouwbedrijf met betrekking tot het lekdetectiesysteem van een dubbelwandige tankinstallatie voor diesel en benzine. In de periode 2008 tot en met 2017 zijn inspectierapporten valselijk opgemaakt met logo's van erkende inspectiebedrijven, terwijl deze bedrijven geen controles hadden uitgevoerd.

De rapporten werden door het bouwbedrijf opgesteld en naar het installatiebedrijf gestuurd om te bewijzen dat de verplichte jaarlijkse controles hadden plaatsgevonden. De verdediging voerde aan dat de documenten geen bewijsbestemming hadden en dat er geen opzet was tot valsheid, omdat men in de veronderstelling verkeerde dat het bouwbedrijf zelf de controles mocht uitvoeren.

Het hof verwierp deze verweren en stelde vast dat de rapporten materieel vals waren en bestemd waren om als bewijs te dienen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Het opzet is voldoende bewezen geacht, mede gezien de aard van de gegevens in de rapporten en het gebruik daarvan in het maatschappelijk verkeer.

De veroordeling betreft valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik van valse documenten, waarbij het hof ook een geldboete oplegde. De Hoge Raad acht de motivering van het hof toereikend en ziet geen reden tot vernietiging van het arrest.

Uitkomst: Het bouwbedrijf is veroordeeld voor valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik van valse inspectierapporten met een geldboete van €15.000,- waarvan €7.500,- voorwaardelijk.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02742 E
Zitting23 mei 2023

CONCLUSIE

P.C. Vegter
In de zaak

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
De economische kamer van het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 23 juni 2021 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de verdachte wegens 1. "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, 3 en 4: “de voortgezette handeling van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon”, veroordeeld tot een geldboete van € 15.000,-, waarvan € 7.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Er bestaat samenhang met de zaak 21/02739 E. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
[verdachte] BV plaatste in 2007 een dubbelwandige tankinstallatie voor opslag van diesel en benzine op het bedrijfsterrein te [vestigingsplaats] . Ter voorkoming van bodemverontreiniging bijvoorbeeld ten gevolge van lekken zijn er controles van deze installatie voorgeschreven. Zo is een verplichting neergelegd in artikel 3.35 Activiteitenregeling milieubeheer tot het uitvoeren van jaarlijkse controle door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. De veroordeling voor feit 1 ziet op het ontbreken van die controles. Het hof heeft bewezen verklaard dat in de periode van 1 januari 2008 - 31 december 2017 de controles niet hebben plaatsgevonden en tevens vastgesteld dat dit feit nog niet strafbaar was gesteld in de periode van 1 januari 2008 - 1 december 2013 en daarom in zoverre een ontslag van alle rechtsvervolging uitgesproken. Tegen de beslissing van het hof over het eerste feit richt het cassatiemiddel van verdachte zich niet, zodat er gelet op de bewezenverklaring van kan worden uitgegaan dat er in de periode 1 januari 2008 - 31 december 2017 geen controles hebben plaatsgevonden. Het middel richt zich tegen de veroordeling wegens het opmaken van geschriften waaruit zou blijken dat er wel jaarlijkse controle heeft plaatsgevonden en het gebruik daarvan. [1]
5. Het middel richt zich daarmee tegen het onder 3 en 4 bewezenverklaarde, nu uit de bewijsvoering mede gelet op hetgeen daaromtrent door de verdediging is aangevoerd, niet kan worden afgeleid dat enig geschrift vals is opgemaakt en dat van dat valse geschrift gebruik is gemaakt.
6. Ten laste van de verdachte is onder 3 en 4 bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 april 2018 te [vestigingsplaats] :
-Inspectierapport met inspectiedatum 10-07-2008 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2009 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 13-07-2010 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2011 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 15-06-2012 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 11-07-2013 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2014 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2015 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2016 en
-Inspectierapport met inspectiedatum 23-08-2017,
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat zij:
- de inspectierapporten met inspectiedatum 10-07-2008 en 07-07-2009 en 13-07-2010 en 26-08-2011 en 15-06-2012 in strijd met de waarheid heeft opgemaakt als zijnde opgemaakt door [A] met het logo van [A] , terwijl in werkelijkheid [A] geen controle van het lekdetectiesysteem, althans van de lekcontrolebescherming, had verricht, en
- de inspectierapporten met inspectiedatum 11-07-2013 en 26-08-2014 en 26-08-2015 en 07-07-2016 en 23-08-2017 in strijd met de waarheid heeft opgemaakt als zijnde opgemaakt door Ingenieursbureau [B] B.V. met het logo van Ingenieursbureau [B] B.V., terwijl in werkelijkheid [B] B.V. geen controle van het lekdetectiesysteem, althans van de lekcontrolebescherming, had verricht.
zij in de periode van 1 januari 2018 tot en met I 7 april 2018 te [vestigingsplaats] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten:
- Inspectierapport met inspectiedatum 10-07-2008 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2009 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 13-07-2010 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2011 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 15-06-2012 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 11-07-2013 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2014 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2015 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2016 en
- Inspectierapport met inspectiedatum 23-08-2017,
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat genoemde rapporten werden overgelegd ten behoeve van het bewijs van uitgevoerde gecertificeerde controles van het lekdetectiesysteem, en bestaande die valsheid hierin dat telkens opzettelijk
- de inspectierapporten met inspectiedatum 10-07-2008 en 07-07-2009 en 13-07-2010 en 26-08-2011 en 15-06-2012 valselijk en in strijd met de waarheid waren opgemaakt als zijnde opgemaakt door [A] met het logo van [A] , terwijl in werkelijkheid [A] geen controle van het lekdetectiesysteem, althans van de lekcontrolebescherming, had verricht en
- de inspectierapporten met inspectiedatum 11-07-2013 en 26-08-2014 en 26-08-2015 en 07-07-2016 en 23-08-2017 valselijk en in strijd met de waarheid waren opgemaakt als zijnde opgemaakt door Ingenieursbureau [B] B.V. met het logo van Ingenieursbureau [B] B.V., terwijl in werkelijkheid [B] B.V. geen controle van het lekdetectiesysteem, althans van de lekcontrolebescherming, had verricht en telkens opzettelijk de bovengenoemde, valse documenten voor gebruik voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat die documenten bestemd waren voor zodanig gebruik als echt en onvervalst.”
7. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een installatiecertificaat ( [001] ) met registratienummer [002] , doorgenummerde pagina’s 104-105) Dit certificaat houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
(…)
2. Een proces-verbaal met nummer PL0900-2018185686-6 van 28 augustus 2018, in de wettelijke
vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 23 - 27. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 juli 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Ik ben indirect bestuurder van [verdachte] B.V. Er is een ondergrondse opslagtank op het terrein aanwezig. Deze tank is geïnstalleerd door installatiebedrijf [C] in 2007. U vertelt mij dat het sinds november 2007 verplicht is dat het lekdetectiesysteem op dubbelwandige tanks door een gecertificeerd bedrijf volgens normdocument [001] wordt gekeurd. [verdachte] is niet gecertificeerd voor de [001] . Onze werkplaatschef [betrokkene 2] deed jaarlijks de controles van het lekdetectiesysteem. De controles werden vastgelegd door [betrokkene 2] op een invulformulier en daarna in de map gedaan. U vraagt mij hoe het kan dat op de inspectierapporten het logo van [A] staat die door [A] pas wordt gebruikt sinds 1 januari 2017. Wij hebben de inspectierapporten in het klad doorgestuurd naar [C] voor de herkeuring. Wij kregen toen de opmerking dat er geen goed kenmerk op stond, waaruit zij konden opmaken welke keuring het precies was geweest. Ik heb vervolgens zelf nieuwe rapporten opgemaakt. Ik heb deze rapporten in het voorjaar van 2018 opgemaakt. De handtekening op de rapporten is van mij. U merkt op dat ik alle rapporten van 2008 -2017 naar [betrokkene 3] van [C] B.V. heb gestuurd en vraagt mij met welk doel. Omdat de eerder opgestuurde kladjes niet goed waren. Daarom heb ik de andere rapporten opgestuurd. U vraagt mij waarom op alle rapporten van 2008 - 2017 dezelfde waarden staan. Ik heb het grafiekje gekopieerd en kennelijk is dat gewoon op elk rapport blijven staan.
3. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 maart 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op mijn bedrijf vinden jaarlijks heel veel controles plaats en die worden allemaal bijgehouden.
Ik ben degene bij het bouwbedrijf die het overzicht houdt op dit soort administratieve kwesties.
4. Een proces-verbaal met nummer PL0900-2018185686-4 van 28 augustus 2018, in de wettelijke
vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 21-22. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 juli 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :
Ik ben werkzaam als projectleider bij [C] B.V. afdeling installatie. Begin dit jaar werd met mij contact opgenomen door [betrokkene 1] van [verdachte] met het verzoek tot herkeuring van de dubbelwandige ondergrondse tank die wij daar geïnstalleerd hebben. Een gemiddelde keuring kost rond de € 10.000,-. Ik heb toen aangegeven dat deze keuring niet noodzakelijk is als hij van de afgelopen tien jaar kon aantonen dat de tank en het lekdetectiesysteem jaarlijks zijn geïnspecteerd. Vervolgens stuurde [betrokkene 1] mij een aantal rapporten op, waaruit zou moeten blijken dat de tank jaarlijks gekeurd zou zijn. Aan die rapporten viel mij een aantal zaken op. De rapportnummers ontbraken, er was opvallend kopieer- en plakwerk en het betroffen handgeschreven rapporten, terwijl deze gedigitaliseerd horen te zijn. Ik heb gevraagd aan [betrokkene 1] of de rapporten klopten, wat hij bevestigde. Ik heb de rapporten vervolgens doorgestuurd naar [A] , omdat op de rapporten van de jaren 2008 tot en met 2012 hun logo stond vermeld. Ik heb daarop bericht ontvangen van [A] waarin werd medegedeeld dat de rapporten niet van hen afkomstig waren.
5. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 maart 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Dat een tabel uit het inspectierapport van [B] uit 2018 in de door mij opgestelde documenten terecht is gekomen komt door knippen en plakken. Het klopt dat er ook een 1 tabel in staat met bevindingen van [B] over 2018 ten aanzien van de kathodische bescherming; die is met plakken meegenomen. Ik heb het logo gebruikt. Ik heb “bevindingenlek controle bescherming” er zelf in gezet.
6. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
lk heb de rapporten opgemaakt. Dat deed ik op basis van de notities van de jaarlijkse controles die worden bewaard. In verband met een herinspectie moesten we stukken doorsturen. Installatiebedrijf [C] heeft toen gevraagd of het niet overzichtelijker kon, of er geen overzicht gemaakt kon worden wie wat gedaan heeft in welk jaar. Dat heb ik gedaan. Ik heb voor het gemak het logo met telefoonnummer in de rapporten geplakt. U, jongste raadsheer, vraagt mij wat de afkorting ‘mV’ in de door mij opgemaakte rapporten betekent. Dat is gewoon een kopie van een diagrammetje. Het is denk ik van een rapport over de kathodische bescherming overgenomen. [betrokkene 2] deed bij ons de jaarlijkse controle van de lekdetectie. [betrokkene 2] was een werknemer van het bouwbedrijf. [betrokkene 2] is niet van [A] of [B] .
7-17:
[AG, PV: elf rapporten, waarvan de eerste vijf met een logo van [A] , en de volgende vijf met een logo van Ingenieursbureau [B] BV]”
8. Voorts heeft het hof, mede gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, nog het volgende overwogen:
“De raadsman heeft bepleit dat de ten laste gelegde documenten niet valselijk zijn opgemaakt nu in één opslag duidelijk is dat de documenten niet zijn opgemaakt door [A] of Ingenieursbureau [B] B.V. (hierna: [B] ), dat daarmee de bewijsbestemming van de documenten ontbreekt en dat de verdachte bovendien geen opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van inspectierapporten.
Uit het dossier blijkt dat aan [C] B.V. (hierna: [C] ) een aantal documenten zijn overhandigd (p. 70 t/m 79 van het dossier) nadat [C] in verband met de herkeuring van de ondergrondse opslagtank had verzocht om een overzicht van de bij het bouwbedrijf uitgevoerde inspecties en controles. De verdachte heeft deze documenten opgemaakt na 1 januari 2017 en naar [C] gestuurd. De documenten zijn ieder genaamd ‘inspectierapport’ en zijn voorzien van logo’s van [A] of [B] . De rapporten zijn door de verdachte getekend en vermelden naast de inspectiedatum als naam van de inspecteur: ‘ [betrokkene 2] ’. Verder bevatten de ‘rapporten’ onder het kopje ‘bevindingen lek controle bescherming’ allen een tabel met gelijkluidende controleresultaten die overeenkomt met een tabel uit het inspectierapport van [B] uit 2018 waarin bevindingen met betrekking tot de kathodische bescherming worden gerapporteerd. Voorts wordt in de rapporten als ‘opdrachtgever’ ‘ [verdachte] ’ vermeld en bevatten de rapporten handgeschreven opmerkingen, zoals in het ‘rapport’ met datum 10-7-2008
waarin onder ‘opmerkingen’ is vermeld dat ‘de klant’ bekend is met de alarmwerking.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij op verzoek van [C] een overzicht wilde maken van de uitgevoerde controles, dat [betrokkene 2] geen inspecteur bij [A] of [B] is, maar een werknemer van het bouwbedrijf en dat [A] en [B] geen controles van het lekdetectiesysteem hebben uitgevoerd.
Door de verdediging is aangevoerd dat, zo begrijpt het hof, de documenten geen bewijsbestemming hebben. Gelet op de lay-out van de documenten is volgens de verdediging in één oogopslag duidelijk dat deze niet zijn opgemaakt door [A] of [B] en dat ze geen bewijsbestemming hebben. Dit verweer wordt verworpen. De documenten zijn opgesteld en toegestuurd aan [C] nadat bleek dat de eerder door het bouwbedrijf toegezonden kladjes niet goed waren. Aan de getekende documenten met meetresultaten en voorzien van logo’s van inspectiebedrijven pleegt in het maatschappelijk verkeer betekenis te worden toegekend voor het bewijs van uitgevoerde inspecties.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het bouwbedrijf valselijk inspectierapporten heeft opgemaakt. Daarmee heeft het bouwbedrijf kennelijk de indruk willen wekken dat jaarlijks (ook) lekdetectiecontroles in de zin van de Armb zijn verricht. De documenten zijn opgestuurd naar [C] om als bewijs te dienen voor de stelling dat de rechtens vereiste controles over de jaren 2008 tot en met 2017 hadden plaatsgehad. Daarmee heeft het bouwbedrijf opzettelijk gebruik gemaakt van de rapporten en deze tevens voorhanden gehad.”
9. Het middel klaagt over het ontbreken van een (toereikende) beslissing op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat zich richt tegen het bewijs van (1) de valsheid van de opgemaakte en gebruikte geschriften, (2) de bewijsbestemming van die geschriften en (3) de opzet tot opmaken en gebruik van een vals geschrift. Uit de samenvatting door het hof van hetgeen ter verdediging is aangevoerd heeft het hof afgeleid dat er inderdaad is opgekomen tegen het valse karakter, de bewijsbestemming en de opzet. Zie het citaat uit het bestreden arrest onder randnummer 8 hierboven en de reactie van het hof daarop. Niet valt in te zien dat een beslissing op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de valsheid en de bewijsbestemming ontbreekt. In zoverre faalt het middel.
10. Het komt voor wat betreft valsheid (en bewijsbestemming) dus aan op de motivering van verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. [2] De motivering van valsheid van de inspectierapporten is niet onjuist, niet ontoereikend en ook niet onbegrijpelijk. Voorop gesteld moet worden dat de bewezenverklaring van feit 1 in cassatie vaststaat: de jaarlijkse controle door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit heeft niet plaatsgevonden. De geschriften (bewijsmiddelen 7 t/m 17) houden telkens in dat [verdachte] BV opdracht tot controle heeft gegeven en dat er (uiteraard in dat verband) bevindingen zijn. Dat het geschrift inhoudt dat bedoeld Bouwbedrijf opdracht heeft gegeven tot inspectie die heeft geleid tot bevindingen kon het hof daaruit afleiden. Het is niet onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof de geschriften zo leest dat die bevindingen blijkens de daaronder geplaatste logo’s (met uitzondering van bewijsmiddel 17) zijn gedaan door of onder supervisie/verantwoordelijkheid van [A] of [B] . De bevindingen op verschillende data zijn bovendien identiek. Bij die stand van zaken kon het hof oordelen dat de geschriften (materieel) vals waren: er heeft immers geen controle/inspectie in opdracht van een gecertificeerde persoon of instantie als [A] of [B] plaatsgevonden en (of) de identieke bevindingen op verschillende data zijn volstrekt onaannemelijk.
11. Dan de motivering van de bestemming van de geschriften tot bewijs. In een arrest uit 2017 overwoog de Hoge Raad [3] :
“2.4.2. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden "bestemd (...) om tot bewijs van enig feit te dienen" zijn daarin klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 225 Sr Pro. In dat verband is vereist dat het gaat om een geschrift dat kan worden aangemerkt als een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr Pro (vgl. HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286, NJ 2009/56).”
12. In de bewijsconstructie van het hof ligt het volgende besloten. Alle in de bewijsmiddelen 7 t/m 17 opgenomen geschriften dragen volgens die bewijsmiddelen de titel: inspectierapport. Ze dienen er daarmee toe te bewijzen dat op de in het geschrift vermelde datum een inspectie met de gerapporteerde bevindingen door een gecertificeerde persoon of instantie heeft plaatsgevonden. Vast staat dat het Bouwbedrijf die geschriften in de administratie voorhanden had en er bovendien ook gebruik van maakte. Nu een bedrijfsadministratie al kan worden aangemerkt als een samenstel van geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer bewijsbestemming van de daarin opgenomen gegevens wordt toegekend, is bewijsmotivering van het hof (onder meer inhoudende: “aan de getekende documenten met meetresultaten en voorzien van logo’s van inspectiebedrijven pleegt in het maatschappelijk verkeer betekenis te worden toegekend voor het bewijs van uitgevoerde inspecties”) niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend. [4]
13. Voor wat betreft het de laatste klacht over de motivering van de verwerping van voorgedragen standpunt inzake bewijs van opzet verwijst de steller allereerst naar hetgeen ter verdediging ten overstaan van het hof in hoger beroep blijkens de pleitnota is aangevoerd:
“26. Sub C] mede gelet op de bij cliënt bestaande onduidelijkheid over de wettelijke vereisten en het feit dat hij ervoor heeft gekozen om deze rapporten op te stellen en door te sturen naar [C] , volgt dat cliënt [gerechtvaardigd] in de veronderstelling verkeerde dat zijn bedrijf zelf het lekdetectiesysteem mocht controleren. Zijn keuze om in die rapporten een tabel op te nemen alsmede het logo van [A] / [B] kan [achteraf bezien] onhandig worden genoemd, maar geeft geen blijk van opzettelijke valsheid.”
14. De concrete klacht in de schriftuur van cassatie onder 10 is dan als volgt:
“Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is geweest van het opzettelijk opmaken van valse documenten en (in het vervolg daarvan) opzettelijk gebruik maken daarvan. Het hof heeft het verweer dat verzoeker (gerechtvaardigd) in de veronderstelling verkeerde dat het bouwbedrijf zelf het lekdetectiesysteem mocht controleren en hij dit vervolgens in de rapporten heeft willen zetten, niet althans onvoldoende besproken terwijl het opzet voorts niet zonder meer uit het dossier volgt. Het oordeel van het hof is in zoverre onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd.”
15. De enkele stelling dat iemand in de veronderstelling mocht verkeren dat zijn gedrag geoorloofd was, vormt geen betwisting van (kleurloos) opzet, maar slechts een nauwelijks onderbouwd begin van een beroep op rechtsdwaling (avas). Daarvoor kan het al niet gehouden worden gelet op de omstandigheid dat het woordje ‘gerechtvaardigd’ in de pleitnota tussen haakjes is gezet en er bovendien niet wordt vermeld waarom er daarvan sprake zou zijn. Hetgeen in de pleitnota over opzet naar voren werd gebracht leverde voor het hof geen responsieplicht op. De stelling dat het opzet niet bewezen kan worden is in het onderhavige geval weinig meer dan een blote ontkenning waarop het hof niet uitdrukkelijk gemotiveerd behoefde te beslissen. Gelet op de inrichting van het middel volsta ik ermee op te merken dat het opzet voldoende ligt besloten in de aard van de in de ‘inspectierapporten’ vermelde gegevens.
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie voor wat als belang voor het aantonen van jaarlijkse controle door een gecertificeerde installateur werd gezien bewijsmiddel 4.
2.Zie het standaardarrest: HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/293 m.nt. Buruma. Het in feitelijke aanleg ingenomen standpunt is vermeld onder nummer 2 van de schriftuur van cassatie en kan bezwaarlijk anders worden gelezen dan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
3.HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2958, NJ 2018/36.
4.HR 29 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8436,NJ 1985/6 m.nt. Van Veen.