Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2023:651

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
3 juli 2023
Zaaknummer
22/00157
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 318 SvArt. 328 SvArt. 330 SvArt. 415 SvArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens verzuim hof te beslissen op verzoek schouw bij onbruikbaar maken beschoeiing

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van een goed dat aan een ander toebehoort, namelijk beschoeiing. Het hof legde geen straf op en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de schadevordering. Tijdens het hoger beroep had de verdediging een verzoek ingediend tot het houden van een schouw ter plaatse, bedoeld om de feitelijke situatie beter te kunnen beoordelen.

Het hof heeft echter nagelaten om op dit verzoek te beslissen, hetgeen een formeel verzuim oplevert dat leidt tot nietigheid van het arrest. De procureur-generaal concludeert dat dit verzuim voldoende is voor vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag voor een nieuwe behandeling, waarbij het verzoek tot schouw alsnog moet worden beoordeeld.

De overige middelen van cassatie behoeven geen bespreking nu het eerste middel slaagt. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het betrekking heeft op de tenlastelegging en strafoplegging, met terugwijzing van de zaak, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het niet beslissen op het verzoek tot schouw en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00157

Zitting4 juli 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 13 januari 2022 door het gerechtshof Den Haag in de zaak met parketnummer 10-263971-20 veroordeeld wegens onder 1 en 2 telkens “medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken”. Het hof heeft de verdachte met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Er bestaat samenhang met de zaak tegen [medeverdachte] (22/00159). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het ter terechtzitting door de verdediging gedane verzoek tot het houden van een schouw.
5. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overlegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotitie. Deze houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Ik ben persoonlijk ter plaatste gaan kijken omdat de situatie mij onvoldoende duidelijk werd uit het PV. Dit bezoek was zeer verhelderend. Reden waarom ik Uw Hof heb verzocht (afgewezen voorzittersbeslissing) en hierbij opnieuw verzoek eveneens in het kader van een descente de situatie ter plaatste te gaan bekijken. Voor een goede beoordeling van de vragen artt. 348 en 350 Sv is van belang te weten hoe de feitelijke situatie is. Er zijn foto’s gevoegd aan het dossier, maar deze zijn onvoldoende verhelderend. Vandaar het verzoek om een schouw ex artt. 318/309 jo. 340 Sv.”
6. Hiermee heeft de raadsvrouw van de verdachte een verzoek gedaan tot het houden van een schouw als bedoeld in art. 318 in Pro samenhang met art. 328 Sv Pro, dat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek vereist. [1] Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch de uitspraak van het hof houdt evenwel een beslissing in op dit verzoek. Dit verzuim heeft op grond van art. 330 in Pro samenhang met art. 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg.
7. Het middel slaagt.

Het tweede en derde middel

8. Nu het eerste middel slaagt en dit de onder 11 nog te noemen beslissing meebrengt, behoeven het tweede en derde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad daarover anders mocht oordelen, ben ik graag tot nader concluderen bereid.

Slotsom

9. Het eerste middel slaagt en het tweede en derde middel behoeven geen bespreking.
10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 10-263971-20 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:635, r.o. 2.5.