ECLI:NL:HR:2023:1341

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
22/00157
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 318 SvArt. 328 SvArt. 340 SvArt. 348 SvArt. 350 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken beslissing op verzoek schouw in hoger beroep strafzaak

In deze strafzaak betrof het beroep in cassatie een arrest van het gerechtshof Den Haag over medeplegen van het onbruikbaar maken van beschoeiing, meermalen gepleegd. De verdediging had tijdens de terechtzitting in hoger beroep een verzoek gedaan tot het houden van een schouw, om de feitelijke situatie ter plaatse beter te kunnen beoordelen. Dit verzoek was gebaseerd op artikel 318 jo Pro. 328 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft echter nagelaten om uitdrukkelijk te beslissen op dit verzoek, terwijl dit volgens de Hoge Raad wel vereist was. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting, noch het arrest van het hof bevatten een beslissing op dit verzoek. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak voor hernieuwde behandeling.

De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen over de tenlasteleggingen en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en beslissing. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak terugverwezen wegens het ontbreken van een beslissing op het verzoek tot het houden van een schouw.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00157
Datum3 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 januari 2022, nummer 22-000935-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 10-263971-20 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op een verzoek dat de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan tot het houden van een schouw.
2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt in:
“Ik ben persoonlijk ter plaatse gaan kijken omdat de situatie mij onvoldoende duidelijk werd uit het PV. Dit bezoek was zeer verhelderend. Reden waarom ik Uw Hof heb verzocht (afgewezen voorzittersbeslissing) en hierbij opnieuw verzoek eveneens in het kader van een descente de situatie ter plaatse te gaan bekijken. Voor een goede beoordeling van de vragen artt. 348 en 350 Sv is van belang te weten hoe de feitelijke situatie is. Er zijn foto’s gevoegd aan het dossier, maar deze zijn onvoldoende verhelderend. Vandaar het verzoek om een schouw ex artt. 318/309 jo. 340 Sv.
Cliënten hebben mij ter plaatse precies kunnen uitleggen hoe de landerijen en de sloot lopen en welk deel eigendom is van wie. Door het kadaster waren ten tijde van mijn bezoek stokken in de sloot geplaatst om aan te duiden hoe de kadastrale verdeling loopt.”
2.3
Het verzoek dat de verdediging heeft gedaan, is een verzoek tot het houden van een schouw als bedoeld in artikel 318 in Pro samenhang met artikel 328 van Pro het Wetboek van Strafvordering, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en ook de uitspraak van het hof houden niet een beslissing in op dit verzoek. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 10-263971-20 en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 oktober 2023.