Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank), bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
hof) in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van de rechtbank van 13 mei 2020.
bestreden arrest) heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd en [eiseres] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Grief 2: de waardering van de bewijsmiddelen
Naar het oordeel van het hof is er geen enkel concreet aanknopingspunt gegeven dat de schade die de kart bij de botsing heeft opgelopen, van invloed zou zijn geweest op de remvoering van de kart.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ2005/269. De toelichting wijst er op dat door het passeren van het aanbod tot het leveren van tegenbewijs, waarmee [eiseres] wél verdieping van het processuele debat voorstond, de herkansingsfunctie van het hoger beroep in het gedrang komt en dat het passeren van het bewijsaanbod in strijd is met het prognoseverbod.
Het subonderdeel bevat tevens de motiveringsklacht, voor het geval het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dat de beslissingen van het hof onbegrijpelijk zijn, omdat het hof in zijn arrest niet heeft vermeld of c.q. welke door [verweerder] in hoger beroep vermeend nader betrokken of nader uitgewerkte stellingen of welk in hoger beroep vermeend aangevuld of verschaft bewijs tot dit oordeel heeft geleid.
NJ2005/268. Het aanbod tot het leveren van aanvullend tegenbewijs mag dus ook op een andere wijze worden toegelicht dan door te specificeren dat en waarom een partij bepaalde getuigen wil doen horen.
Indien en voor zover het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn oordeel onbegrijpelijk, omdat [eiseres] het bewijsaanbod heeft toegelicht, zelfs gespecificeerd. Het subonderdeel verwijst naar en parafraseert uit het aanbod tot aanvullend tegenbewijs, zoals dat in de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel is gedaan.
NJ2005/269, m.nt. W.D.H. Asser onder
NJ2005/270) lijkt te worden afgeleid, dat alleen hogere eisen aan de motivering van de betwisting kunnen worden gesteld naar aanleiding van stellingen en bewijsmateriaal van de wederpartij in hoger beroep. Dit arrest ziet op het geval dat het debat zich (ook) in hoger beroep verder ontwikkeld heeft. De stelplicht en motiveringsplicht kunnen zich evenwel gedurende het gehele debat in eerste aanleg en nadien in hoger beroep ontwikkelen, waarbij het debat in hoger beroep kan worden aangemerkt als voortzetting van het debat in eerste aanleg. Bij voortzetting van het geding in hoger beroep moet daarom bij bepaling van de omvang van de stelplicht en motiveringsplicht ten aanzien van de betwisting de ontwikkeling van het debat in eerste aanleg in aanmerking worden genomen, [10] met dien verstande dat aan de stellingen en betwisting geen onredelijke eisen moeten worden gesteld. [11]
NJ2005/268, m.nt. W.D.H. Asser (onder
NJ2005/270) dat in subonderdeel 1.2 wordt aangehaald, waarin in eerste aanleg reeds in het kader van door een partij te leveren tegenbewijs getuigen zijn gehoord en het bewijsaanbod dat die partij vervolgens in appel doet, is gericht op het leveren van aanvullend tegenbewijs. In een zodanige situatie mag van die partij worden verwacht dat zij dit bewijsaanbod nader toelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom zij (bepaalde) getuigen (opnieuw) wil doen horen. [18] Volgens Asser strekt deze regel ertoe dubbel werk te voorkomen. [19] Genoemde nadere toelichting hoeft niet te worden gegeven wanneer een partij in eerste aanleg de gelegenheid heeft gehad om tegenbewijs te leveren en daarvan geen gebruik heeft gemaakt, gelet op de herkansingsfunctie die het hoger beroep heeft. [20]
subonderdeel 1.1zo moet worden gelezen dat het beoogt te klagen dat het hof het passeren van het aanbod om de monteur te doen horen heeft gebaseerd op een waardering van het al voorhanden bewijsmateriaal, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in r.o. 3.7.4, eerste en tweede opsommingsteken, grief 2 van [eiseres] verworpen voor zover die zag op de waardering van de bewijsmiddelen. In r.o. 3.7.4, derde opsommingsteken noemt het hof dat en waarin de betwisting van [eiseres] tekortschiet.
subonderdeel 1.1af.
subonderdeel 1.2is mijns inziens tevergeefs voorgesteld. [eiseres] is in eerste aanleg niet opgedragen tegenbewijs te leveren, maar heeft wel de mogelijkheid benut om in de contra-enquête getuigen te horen. Het lijkt me in het belang van een goede proceseconomie dat ook in een dergelijk geval van de partij die nader tegenbewijs aanbiedt mag worden gevergd dat hij dit bewijsaanbod nader toelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom hij (bepaalde) getuigen (opnieuw) wil doen horen. Dat de overwegingen van de Hoge Raad op dit onderwerp de mogelijkheid openlaten dat het aanbod tot het leveren van aanvullend tegenbewijs ook op andere wijze mag worden toegelicht dan door te specificeren dat en waarom een partij bepaalde getuigen wil doen horen, zoals het subonderdeel aanvoert, wil niet zeggen dat dat ook in het onderhavige geval zou mogen. Ik zie daarvoor in het onderhavige geval geen aanleiding. Hierop strandt de rechtsklacht.