Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
17 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen buren over de erfgrens en de vraag of een schuur gedeeltelijk op het perceel van de buren staat. [Eisers] vorderen een verklaring voor recht over de erfgrens en verwijdering van de schuur, terwijl [verweerder] stelt dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de betwiste strook grond.
De rechtbank wees de vorderingen van [eisers] af en kende [verweerder] eigendom toe. Het hof bevestigde dit oordeel, stellende dat [verweerder] en zijn rechtsvoorgangers de grond gedurende twintig jaar exclusief in bezit hadden gehad, onderbouwd met verklaringen van omwonenden. [Eisers] betwistten dit met fotomateriaal en reconstructies, maar werden niet toegelaten tot tegenbewijs.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [eisers] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist en dat het hof onterecht het bewijsaanbod van [eisers] heeft gepasseerd. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de regels omtrent mondelinge behandeling bij comparitie na aanbrengen niet van toepassing zijn. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.