Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. F.M. Dekker,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. W.H van Hemel.
1.Inleiding en samenvatting
WOR) ter advisering aan de Ondernemingsraad had moeten worden voorgelegd. Genoemde bepaling voorziet in een adviesrecht voor de ondernemingsraad voor elk voorgenomen besluit tot het groepsgewijze werven of inlenen van arbeidskrachten.
ongewonegroepsgewijze aantrekking van arbeidskrachten. In dit geval is daar volgens de Ondernemingskamer geen sprake van, omdat al sinds geruime tijd het overgrote deel van de arbeid wordt geleverd door uitzendkrachten, het tweejaarlijks sluiten van raamovereenkomsten met uitzendbureaus na het volgen van een tender bestaande praktijk is, en de nieuwe raamovereenkomsten geen materiële wijzigingen kennen ten opzichte van de vorige. Daarom had de Ondernemingsraad geen adviesrecht. De Ondernemingsraad komt hiertegen op. Het is de eerste keer dat de Hoge Raad wordt verzocht te oordelen over art. 25 lid Pro 1, onder g, WOR.
2.Feiten
fulfilmentgenoemd.
fulfilmenten andere werkzaamheden voor het overgrote deel uitgevoerd door uitzendkrachten. Van de circa 9.500 mensen werkzaam bij AH eCommerce is ongeveer 90% uitzendkracht. [3] De uitzendkrachten worden ingehuurd via uitzendbureaus die – na het doorlopen van een tenderprocedure – met AH Online een raamovereenkomst sluiten, telkens voor de duur van twee jaren. In de maanden februari, maart en april 2022 heeft een tenderprocedure plaatsgevonden.
director fulfilmentbij AH eCommerce, de voorzitter van de Ondernemingsraad mondeling geïnformeerd over de afronding van de tenderprocedure en over het voornemen van AH Online om raamovereenkomsten aan te gaan met vier geselecteerde uitzendbureaus. Daarbij heeft [betrokkene 1] te kennen gegeven dat hij van mening is dat geen sprake is van een adviesplichtig besluit.
director labor relations, [betrokkene 2] , en de
director HR eCommerce. Aan de Ondernemingsraad is toen meegedeeld dat de raamovereenkomsten met de uitzendbureaus waren ondertekend en is gesproken over de vraag of het aangaan (of verlengen) van raamovereenkomsten met uitzendbureaus adviesplichtig is.
3.Procesverloop
Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 3, p. 38) is letter g opgenomen conform het SER-advies [
Advies over taak, samenstelling en bevoegdheden van ondernemingsraden, 1975, 14]
,en heeft dit onderdeel niet alleen betrekking op het inlenen of werven van werknemers op zichzelf, maar ook op het afsluiten van overeenkomsten op dit gebied, op grond waarvan later werknemers worden geworven of ingeleend, zoals de onderhavige raamovereenkomsten. Het woord
“groepsgewijze”slaat volgens de memorie van toelichting zowel op
“inlenen”als op
“werven”. Verder houdt de memorie van toelichting onder meer in:
Advies over taak, samenstelling en bevoegdheden van ondernemingsraden, 1975, 14, pagina 24) zou kunnen worden opgemaakt dat destijds onderscheid werd gemaakt tussen beide. Gelet op de ratio van de bepaling, aangehaald in het SER-advies –
omdat besluiten tot deze inlening of werving van grote invloed kunnen zijn op de werksituatie van het personeel, is overleg met de ondernemingsraad van bijzonder belang– is de Ondernemingskamer echter van oordeel dat de beschreven beperking ook dient te gelden voor het groepsgewijze inlenen van personeel. Als het gaat om een voor de onderneming gebruikelijke groepsgewijze aantrekking – via werving of inlening – van arbeidskrachten,
komt de ondernemingsraad geen adviesrecht toe, omdat in dat geval geen sprake is van een besluit tot een ongewone aantrekking, dat van grote invloed kan zijn op de werksituatie van het personeel: het is dan slechts meer van hetzelfde. Dit oordeel sluit aan bij een beschikking van de Ondernemingskamer uit 1999 (OK 7 januari 1999, JOR 1999/139). Daarin werd overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of een besluit tot het groepsgewijze inlenen van arbeidskrachten te gelden had als adviesplichtig,
“de binnen de onderneming gebruikelijke gang van zaken met betrekking tot dergelijke besluiten”relevant is.”
fulfilmentworden door Nederlandse arbeidskrachten niet aantrekkelijk gevonden. Ondanks intensieve campagnes lukt het niet werknemers in loondienst te werven. AH eCommerce is daarom vooral aangewezen op arbeidsmigranten en maakt gebruik van uitzendbureaus met specialistische kennis van landen als Polen en die ook voor huisvesting zorgen. Deze arbeidsmigranten willen bijna altijd tijdelijk werken; de gemiddelde doorlooptijd van hun werkzaamheden als uitzendkracht is minder dan een jaar. Er is daarom geen sprake van concurrentie met of verdringing van de vaste werknemers.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat klachten tegen het oordeel in rov. 3.4-3.6 dat het bestreden besluit niet onder het adviesrecht van art. 25 WOR Pro valt.
Onderdeel 2is gericht tegen het in rov. 3.7 vervatte oordeel.
om op die wijze voor de toekomst duidelijkheid te krijgen over zijn adviespositie bij dergelijke besluiten”. [7] In de procesinleiding is dat standpunt herhaald. [8]
art. 25 lid 1 WOR Prodient de ondernemingsraad in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen over bepaalde door de ondernemer voorgenomen besluiten. [10] Deze bepaling geeft de ondernemingsraad het
rechtom advies uit te brengen; verplicht is hij daartoe niet. De categorieën besluiten waarvoor het adviesrecht geldt, zijn in art. 25 lid 1 WOR Pro limitatief opgesomd. [11] Het gaat daarbij om besluiten van financieel-economische en bedrijfsorganisatorische aard. Het adviesrecht is een instrument waarmee de ondernemingsraad wezenlijke invloed [12] kan uitoefenen op de besluitvorming in de onderneming (vgl. art. 25 lid 2 WOR Pro). Op de verplichting voorgenomen besluiten als vermeld in art. 25 lid 1 WOR Pro ter advisering voor te leggen kent de WOR geen uitzondering.
in algemene zinbetrekking heeft op belangrijke beslissingen. Ik citeer uit de parlementaire geschiedenis (hier en hierna mijn onderstrepingen):
belangrijkeeconomische en bedrijfsorganisatorische
beslissingenvan de ondernemer, aangevuld met een beroepsrecht (artikel 26) tegen kennelijk onredelijke beslissingen.” [14]
belangrijke voorgenomen besluiten. Bij de totstandkoming van de WOR is door de minister aangegeven dat het daarbij gaat om datgene wat
voor de betrokken onderneming niet alledaagsis.”
Of een besluit belangrijk is hangt af van de gevolgen en de beweegredenen van het besluit.In de jurisprudentie is het begrip «belangrijk» behoorlijk uitgekristalliseerd. De reikwijdte van dit begrip valt af te leiden uit het feit dat
de term «belangrijk» wordt bepaald door de sociale, procedurele en economische/organisatorische factoren. Bij sociale factoren gaat het om de gevolgen voor de werknemers: wat zijn de gevolgen voor de werkgelegenheid en de werkzaamheden; en hoeveel werknemers worden door het besluit getroffen. Bij procedurele factoren wordt gekeken naar de frequentie waarmee dergelijke besluiten worden genomen, alsmede naar de geldingsduur van het besluit. Bij economisch/organisatorische factoren is van belang de vraag of het een kernactiviteit van de onderneming betreft, de verhouding van in te krimpen c.q. te wijzigen werkzaamheden op het totaal van werkzaamheden en in hoeverre de omzet en de toekomstige afzet door het besluit wordt beïnvloed. Er wordt dus mede gekeken naar de omvang en aard van de activiteiten van de onderneming.”
art. 26 lid 1 WOR Prokan de ondernemingsraad beroep instellen tegen een besluit van de ondernemer, hetzij wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de ondernemingsraad, hetzij wanneer feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, die, waren zij aan de ondernemingsraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht. Adviesrecht en beroepsrecht gaan dus samen, in die zin dat beroep alleen kan worden ingesteld tegen een besluit ten aanzien waarvan de ondernemingsraad adviesrecht toekomt. [22] Toetsingsmaatstaf is of de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen (art. 26 lid 4 WOR Pro). [23]
het SER-advies). [27] Dit advies is ook aangehaald in rov. 3.4 en 3.5 van de bestreden beschikking, hiervoor in 3.7 geciteerd.
De Raad vraagt zich echter af of deze twee begrippen voldoende duidelijk zijn.
Wat de werving betreft meent de Raad dat het hier gaat om incidentele wervingscampagnes, derhalve om een voor het bedrijf ongewone groepsgewijze aantrekking van werknemers, waarbij wordt afgeweken van de vastgestelde hoofdlijnen van het aanstellingsbeleid in de onderneming; een toelichting van deze strekking in de memorie van toelichting komt de Raad gewenst voor. (Over de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het aanstellingsbeleid behoort de ondernemingsraad reeds thans te worden geraadpleegd: punt d van lid 1 van artikel 26 der Pro wet, alwaar wordt gesproken over “hoofdlijnen van het aanstellings-, ontslag- of promotiebeleid”. De Raad gaat ervan uit dat onder “aanstellingsbeleid” ook het “wervingsbeleid” van de onderneming moet worden verstaan.)
beleid, waaronder beleid omtrent het groepsgewijze
wervenvan arbeidskrachten, had de ondernemingsraad al een adviesrecht op grond van het toenmalige art. 26 lid Pro 1, onder d, WOR. [29] Daarom behoefde bij groepsgewijs werven overeenkomstig (de hoofdlijnen van) dat beleid voor een voor het bedrijf
gewonewervingscampagne niet (nogmaals) advies te worden gevraagd. Het adviesrecht zag alleen op de ongewone groepsgewijze aantrekking van werknemers. Ten aanzien van het groepsgewijze
inlenenvan arbeidskrachten hanteert de SER niet een vergelijkbare redenering. Op het eerste gezicht lijkt het er daarom op dat volgens de SER bij groepsgewijze inlening zonder uitzondering sprake zou moeten van een adviesrecht (“
telkens wanneer zulk een inlening wordt overwogen”).
werven(en niet het groepsgewijze
inlenen) geëxpliciteerd dat het om incidentele campagnes gaat: [30]
Het woord «groepsgewijze» slaat zowel op «inlenen» als op «werven».Het aantrekken van een individuele arbeidskracht of de tijdelijke individuele vervanging van een werknemer door een uitzendkracht valt niet onder deze bepaling. Wèl
heeft dit onderdeel uiteraard niet alleen betrekking op het inlenen of werven van werknemers op zichzelf, maar ook op het afsluiten van overeenkomsten op dit gebied, op grond waarvan later werknemers worden geworven of ingeleend.
Onder het «
groepsgewijze werven» van arbeidskrachten wordt verstaan: incidentele wervingscampagnes, waarbij wordt afgeweken van het gebruikelijke aanstellingsbeleid in de onderneming,
derhalve een voor de onderneming ongewone groepsgewijze aantrekking van werknemers.”
adviesrecht(toen art. 26 WOR Pro) naar art. 27 WOR Pro, dat voorziet in een
instemmingsrechtvan de ondernemingsraad met betrekking tot regelingen op het gebied van het sociale beleid in de onderneming. [31] Thans heeft de ondernemer op grond van art. 27 lid Pro 1, onder e, WOR [32] instemming nodig voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslag- of bevorderingsbeleid. Volgens Van het Kaar moeten onder aanstellingsbeleid onder meer regelingen met betrekking tot de aanstelling in tijdelijke of vaste dienst worden begrepen. [33] Volgens sommige auteurs heeft de ondernemingsraad ook instemmingsrecht als het gaat om beleid ter zake van inlening van arbeidskrachten. [34] Ik meen dit punt hier echter te kunnen laten rusten, enerzijds omdat AH Online zich niet heeft beroepen op beleid waarmee de Ondernemingsraad heeft ingestemd en anderzijds omdat de Ondernemingsraad er zelf van uitgaat dat van een instemmingsrecht op dit punt geen sprake is. [35]
de binnen de onderneming gebruikelijke gang van zaken met betrekking tot dergelijke besluiten” mede in aanmerking genomen. [38] Uit die uitspraak volgt echter niet duidelijk wat de precieze context van deze overweging is en op welke gebruikelijke gang van zaken de Ondernemingskamer daar het oog heeft. Mij lijkt dat het in die zaak ging om een situatie waarbij juist werd afgeweken van een gebruikelijke gang van zaken ten aanzien waarvan de ondernemingsraad op enige wijze dan ook inspraak heeft gehad. In ieder geval kan uit deze uitspraak niet in algemene zin worden afgeleid dat een besluit tot het groepsgewijze inlenen van arbeidskrachten
nietadviesplichtig is op de (enkele) grond dat ermee wordt aangesloten bij een gebruikelijk gang van zaken.
kanzijn voldaan aan de criteria van een geringe wijziging van het aanstellingsbeleid dat ter instemming aan de ondernemingsraad voorgelegd dient te worden. Nekeman noemt dit instemmingsrecht haast onvermijdelijk indien en voor zover de ondernemingsraad bij het aangaan van raamovereenkomsten geen adviesrecht toekomt, aangezien de ondernemingsraad anders geen invloed meer kan uitoefenen bij het aanstellen van arbeidskrachten die in het geval van AH eCommerce voor 90% het werk doen. Dit zou in strijd zijn met een belangrijke functie van de ondernemingsraad als inspraak- en medezeggenschapsorgaan bij de werving en selectie van personeel. [40]
Waadi) in werking getreden. Daarmee is de vergunningsplicht komen te vervallen. Ook is de zogeheten ‘loonverhoudingsnorm’ (gelijke beloningsvoorschrift) geïntroduceerd: [49] art. 8 lid 1 Waadi Pro bepaalt dat uitzendkrachten recht hebben op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als ‘vast personeel’ in gelijke of gelijkwaardige functies met betrekking tot onder meer het loon en overige vergoedingen. Die bepaling strekt ertoe te voorkomen dat de arbeidsvoorwaarden van ingeleende arbeidskrachten een verstorende invloed hebben op het bij de inlener vigerende systeem van arbeidsvoorwaarden. [50] Het doel is dus gelegen in het voorkomen van oneerlijke loonconcurrentie en verdringing van ‘eigen’ werknemers. Ingevolge art. 8 lid 4 Waadi Pro kan bij CAO worden afgeweken van art. 8 lid Pro 1. [51]
past [het] niet bij deze ontwikkeling om de rol van de ondernemingsraad te beperken tot het aantrekken van eigen personeel en de ondernemingsraad geen inspraak te geven over het aantrekkingsbeleid ten aanzien van ingeleend personeel.” [56] Daarin kan een reden zijn gelegen om het adviesrecht ten aanzien van het groepsgewijze inlenen van arbeidskrachten niet beperkt op te vatten.
rov. 3.4 en 3.5vervatte oordeel dat het voor de toepasselijkheid van het adviesrecht van art. 25 lid Pro 1, onder g, WOR moet gaan om een afwijking van het gebruikelijke aantrekkingsbeleid, dus een voor de onderneming
ongewonegroepsgewijze inlening van arbeidskrachten. In rov. 3.4 wordt geoordeeld dat het criterium ‘ongewoon’ ook van toepassing is op het adviesrecht ten aanzien van groepsgewijze inlening. In rov. 3.5 wordt in algemene zin geoordeeld dat als het voorgenomen besluit aansluit bij een gebruikelijke gang van zaken in de onderneming, aan de ondernemingsraad geen adviesrecht toekomt omdat in dat geval geen sprake is van een besluit tot een ongewone aantrekking. Volgens het subonderdeel is dit oordeel rechtens onjuist, omdat de ondernemingsraad een adviesrecht toekomt ten aanzien van elk voorgenomen besluit tot het groepsgewijze
inlenenvan arbeidskrachten, ongeacht of die inlening ‘gewoon’ of ‘ongewoon’ is.
ditgeval en concludeert de Ondernemingskamer dat het voorgenomen besluit niet een ongewone groepsgewijze aantrekking van arbeidskrachten behelst.
Subonderdeel 1.2komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen dat oordeel op.
ongewonegroepsgewijze inlening van arbeidskrachten. Onder het kopje ‘
wetsgeschiedenis’wijst de Ondernemingsraad erop dat in het SER-advies deze beperking alleen betrekking heeft op het groepsgewijze
werven, en niet op groepsgewijze
inleningvan arbeidskrachten. Ten aanzien van die laatste categorie werd in het SER-advies overwogen dat “
telkens wanneer zulk een inlening wordt overwogen de ondernemingsraad moet worden gehoord” (zie het slot van het citaat weergegeven in 4.15).
van grote invloed” kunnen zijn op de werksituatie van het personeel. Wat betreft het adviesrecht moet daarom geen onderscheid tussen beide begrippen worden gemaakt. [58] Voorts kan aan de zojuist geciteerde slotzin niet de betekenis worden gegeven die de Ondernemingsraad daaraan toekent, namelijk dat ieder besluit aangaande het groepswijze
inlenenvan arbeidskrachten adviesplichtig zou zijn. Daargelaten dat die zin niet is opgenomen in de memorie van toelichting, ziet de geciteerde zin op situaties waarin niet eerder op dezelfde schaal groepsgewijze inlening had plaatsgevonden en dat daardoor bijzondere problemen zouden kunnen ontstaan. [59] Dat in het SER-advies van inmiddels bijna 50 jaar geleden geen aandacht is besteed aan de situatie waarin met een voorgenomen besluit tot inlening zou worden aangesloten bij al eerder gevoerd beleid daarover, is niet verbazingwekkend gezien de beperkte schaal waarop toen ruimte was voor uitzendwerk. [60]
het wettelijk systeem’), dat het oordeel van het hof dat alleen een voorgenomen besluit tot
ongewonegroepsgewijze inlening van arbeidskrachten onder het adviesrecht valt, een
hiaat in de medezeggenschapdoet ontstaan omdat de ondernemingsraad dan geen inspraak heeft op ‘gewone’ groepsgewijze inleningen. [61] Niet valt in te zien waarom bij een groepsgewijze werving de ondernemingsraad altijd inspraak zou verdienen, maar een groepsgewijze inlening van arbeidskrachten alleen als het om een incidentele, voor de onderneming ongewone inlening gaat en niet om een ‘gewone’ groepsgewijze inlening.
maatschappelijke (on)wenselijkheid’), dat het invoeren van het adviesrecht niet past in de huidige maatschappelijke tendens flexibele arbeid terug te dringen. [63] De beperkte uitleg waar de Ondernemingskamer van is uitgegaan, zou de ondernemingsraad “
iedere invloed op deze thema’s ontnemen”. AH Online moet uitleggen waarom niet meer werk met eigen personeel wordt uitgevoerd. De inzet van ingeleende arbeidskrachten mag niet leiden tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden.
inleninghet onderscheid tussen ‘gewone’ en ‘ongewone’ aantrekking van arbeidskrachten kan worden gemaakt en om redenen van consistentie moet worden gemaakt.
ongewone’gevallen van groepsgewijze inlening kent mijns inziens een procedureel en een materieel aspect, die met elkaar samenhangen.
beleidvan de ondernemer ten aanzien van het groepsgewijze aantrekken van de noodzakelijke aantallen arbeidskrachten. Een adviesplicht voor een besluit dat louter toepassing geeft aan dat beleid, is in beginsel zinledig. Er is dan immers niets nieuws om over te adviseren. [67] Uit de gedingstukken blijkt niet dat er in dit geval eerder zo’n inspraakmoment is geweest. AH Online beroept zich op een bestendige praktijk en stelt niet dat die praktijk voortbouwt op een besluit dat na inspraak van de Ondernemingsraad tot stand is gekomen. Ik stel vast dat anderzijds de Ondernemingsraad niet betoogt dat van een ‘gewoon’ besluit nooit sprake
kanzijn als de ondernemingsraad over het betrokken onderwerp niet eerder inspraak heeft gehad.
isvoldaan als een voorgenomen besluit tot groepsgewijze inlening voor de betrokken onderneming als ‘ongewoon’ is aan te merken. Daarentegen is aan de voorwaarde van ‘belangrijkheid’ (of ‘ingrijpendheid’) van het besluit in beginsel niet voldaan als een voorgenomen besluit tot groepsgewijze inlening voor de betrokken onderneming niet ‘ongewoon’ (en dus ‘gewoon’) is. Dat laatste kan echter anders zijn indien aannemelijk is dat een ‘gewone’ groepsgewijze inlening om een andere, objectieve reden toch ‘belangrijk’ is, bijvoorbeeld een externe reden. De wens van de ondernemingsraad dat de verhouding eigen werknemers versus uitzendkrachten wordt bijgesteld, wat daar verder ook van zij, kan er mijns inziens op zichzelf
niettoe leiden dat een voorgenomen besluit, dat de voortzetting vormt van een gangbare praktijk (en van het daaraan grondslag liggende beleid), ‘belangrijk’ wordt in de hier bedoelde zin.
ongewonegroepsgewijze inlening plaatsvindt (rov. 3.4) en dat geen adviesrecht bestaat indien, kort gezegd, sprake is van ‘meer van het zelfde’ (rov. 3.5). Ik concludeer dat de klachten van subonderdeel 1.1 niet tot cassatie kunnen leiden.