Conclusie
[verweerder 1],
[verweerster 2]
[verweerder 3]
[verweerster 4]
[eiser]respectievelijk [verweerders]
1.Feiten en procesverloop
- i) [verweerders] hebben in 2006 gezamenlijk de eigendom verkregen van de percelen aan de [a-straat 1/1a] te [plaats] , kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummers [001] en [002] en [003] .
- ii) Perceel [003] grenst aan een perceel aan de [a-straat 2/4] te [plaats] , destijds kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummer [004] . Dit perceel [004] is in 2009 in eigendom verworven door [de pojectontwikkelaar] (hierna:
- iii) [verweerders] hadden een strook grond van ongeveer 1,35 meter breed en 46 meter lang in gebruik op de grens van hun perceel [003] met het perceel [004] van [de pojectontwikkelaar] . Deze strook behoorde volgens een kadastrale inmeting, uitgevoerd in opdracht van [de pojectontwikkelaar] , tot het kadastrale perceel van [de pojectontwikkelaar] . Daarover is een geschil ontstaan. Bij vonnis in kort geding van 21 april 2011
een perceel bouwgrond zoals op bijgevoegde tekeningen is aangeduid, plaatslijk bekend te [plaats] , aan de [a-straat] , kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] , nummer [004] , gedeeltelijk groot circa 0 hectare 11 are 80 centiare en nader in te meten door kadaster (...).
- vi) Na het sluiten van deze koopovereenkomst heeft [de pojectontwikkelaar] de schutting geplaatst zoals is aangegeven op haar situatietekening van 10 mei 2011.
- vii) Bij notariële akte van 12 augustus 2011
- de achterzijde van het perceel is 15.24 m1 breed;
de strook.
[eiser] heeft verweer gevoerd.
Over de erfgrens is bij kortgedingvonnis van 21 april 2011 in een geschil tussen [verweerders] en [de pojectontwikkelaar] beslist dat die op dat moment gelijk was aan de kadastrale grens. Volgens [eiser] is dit nog altijd zo en wordt de erfgrens tussen de percelen van partijen gevormd door de kadastrale grens die op 15 november 2017 opnieuw is aangewezen (rov. 5.3).
De juridische erfgrens wordt bepaald door wat daarover vermeld staat in de notariële akte van levering, die moet worden uitgelegd naar objectieve maatstaven [11] (rov. 5.4). De onderhavige akte moet objectief bezien aldus worden uitgelegd dat [de pojectontwikkelaar] en [eiser] bedoeld hebben dat het te leveren perceel reikte
tot aan de schutting(waarbij de schutting nog op het aan [eiser] te leveren perceel staat); dat is door [eiser] ook erkend. [eiser] is daarom geen eigenaar geworden van de strook tussen de schutting en de kadastrale grens (rov. 5.5-5.6).
Dat betekent nog niet dat die strook aan [verweerders] toebehoort. Vast staat dat de erfgrens van het perceel van [verweerders] op 21 april 2011 gelijk was aan de kadastrale grens. Dat [de pojectontwikkelaar] heeft toegestemd in plaatsing van de schutting op zijn grond, op enige afstand van de kadastrale grens, maakt nog niet dat [verweerders] eigenaar zijn geworden van de strook; aan de eisen voor overdracht (art. 3:84 BW Pro) is niet voldaan. Een nieuwe erfgrens van het perceel van [verweerders] is dus niet tot stand gekomen; ook zij zijn geen eigenaar geworden van de strook (rov. 5.7).
Nu niet is komen vast te staan dat één van partijen eigenaar is geworden van de strook, is deze vermoedelijk nog altijd eigendom van [de pojectontwikkelaar] (rov. 5.8).
Nu de vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op eigendom van de strook, worden deze afgewezen (rov. 5.9). De tegenvordering van [verweerders] tot het kadastraal laten vastleggen van de erfgrens ter plaatse van de schutting zal alleen al worden afgewezen omdat die erfgrens weliswaar de erfgrens is van het perceel van [eiser] , maar niet is komen vast te staan dat dit ook de erfgrens is van het perceel van [verweerders] Die ligt nog altijd op de kadastrale grens (rov. 5.13).
het verstekvonnis). [12] In dit verstekvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [eiser] om voor recht te verklaren dat [eiser] eigenaar is van de strook grond tussen de westelijke kadastrale grens van perceel [sectie] [007] en de schutting op het erf van [eiser] toegewezen.
Het geschil in het kort
Slot
2.Bespreking van het cassatiemiddel
De rechtsklacht
p. 3, ‘Klachten’, 2e alinea) dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de vordering van [eiser] af te wijzen op de grond dat (a) de akte waarbij [de pojectontwikkelaar] (thans) perceel [sectie] [007] aan [eiser] heeft geleverd moet worden uitgelegd aan de hand van objectieve maatstaven (waarbij geen acht mag worden geslagen op gegevens die voor derden niet uit of aan de hand van de ingeschreven akte kenbaar zijn en waarbij de partijbedoeling niet relevant is voor zover die niet uit de akte blijkt) en (b) de leveringsakte, uitgelegd conform deze maatstaf, niet tot het oordeel leidt dat [de pojectontwikkelaar] de strook grond aan [eiser] heeft geleverd.
Ter onderbouwing wordt aangevoerd (
1e alinea) dat een eigendomsgeschil tussen buren niet kan worden beslecht door de beslissing dat de naar objectieve maatstaven uitgelegde leveringsakte tussen eiser en diens rechtsvoorganger niet de conclusie rechtvaardigt dat de opgeëiste grond aan eiser is geleverd. Althans zou dit niet kunnen als (i) vaststaat dat de rechtsvoorganger van eiser eigenaar was van de opgeëiste grond en (ii) tussen die rechtsvoorganger en eiser vaststaat dat de opgeëiste grond aan eiser is overgedragen. Volgens het middel is het in dat geval aan gedaagde om te stellen en te bewijzen dat hij eigenaar is van de grond, bij gebreke waarvan de revindicatie en daarop gebaseerde vordering tot ontruiming van de strook grond moeten worden toegewezen.
toelichtingstrekt de rechtsklacht tot betoog dat het hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat het in het onderhavige eigendomsdispuut tussen [eiser] en [verweerder 1] (uitsluitend) gaat om de
uitleg– naar objectieve maatstaven – van de leveringsakte (rov. 5.8 jo. rov. 5.5) (
p.i. nr. 7 en 14). Daarmee zou het hof – naar ik begrijp: op een tweetal gronden – een
verkeerde maatstafhebben gehanteerd (vgl. repliek nr. 1).
henis, om een
bewijskwestiegaan (
p.i. nr. 8)
.Daarvan uitgaande zou het volgende hebben te gelden.
(a) Het verweer dat [verweerders] eigenaar van de strook zijn is definitief ongegrond gebleken (eindvonnis, rov. 5.7 (onbestreden)). Zelfs als [verweerders] als bezitter van de strook moeten worden aangemerkt, kunnen zij in dit geval geen beroep doen op het daaraan verbonden eigendomsvermoeden (art. 3:119 lid 2 BW Pro). Daarom had het hof moeten oordelen dat [eiser] het bewijs van zijn eigendom heeft geleverd en de vordering van [eiser] zonder meer moeten toewijzen (
p.i. nr. 9 jo. 4), althans hem conform zijn aanbod moeten toelaten tot het (nadere) bewijs van zijn eigendom (
p.i. nr. 14).
(b) Bij de beantwoording van de vraag of [eiser] het bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij eigenaar is van de strook komt relevantie toe aan zowel (i) de obligatoire relatie tussen [de pojectontwikkelaar] en [eiser] , (ii) het standpunt van [de pojectontwikkelaar] over de eigendom van de strook, als (iii) het verstekvonnis en de berusting daarin door [de pojectontwikkelaar] (
p.i. nrs. 11-13). Het hof heeft ten onrechte overwogen dat gegevens die voor derden niet kenbaar zijn, voor dat bewijs niet relevant zijn (rov. 5.6) en dat hetgeen [eiser] overigens heeft aangevoerd, geen bespreking behoeft omdat het niet tot een andere beslissing kan leiden (rov. 5.14) (
p.i. nr. 14).
p.i. nr. 10).
Eelder Woningbouw [15] is het vaste rechtspraak dat het voor de uitleg van de in de notariële leveringsakte vastgelegde goederenrechtelijke overeenkomst aankomt op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht, en dat deze partijbedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.
Eelder Woningbouwgeoordeeld dat deze leveringsakte aldus moet worden uitgelegd dat daarbij slechts een deel van perceel [004] is geleverd dat reikte tot en met de schutting, zodat [eiser] geen eigenaar van de achter die schutting gelegen strook is geworden (rov. 5.4-5.6).
De motiveringsklacht
p. 3, ‘Klachten’, 3e alinea) is de afwijzing van de vordering van [eiser] onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof de omstandigheden waarop [eiser] zich voor het overige tot bewijs van zijn eigendom heeft beroepen, heeft genegeerd en het [eiser] ten onrechte niet ten minste heeft toegelaten tot bewijs van zijn eigendom (rov. 5.14).
p.i., nrs. 11, 12, 13 en 16).
p.i., nr. 15) dat het oordeel van het hof in rov. 5.14 onbegrijpelijk is omdat de stelling van [eiser] dat, gelet op het onherroepelijke verstekvonnis, vast staat dat de strook in eigendom toebehoort aan [eiser] (MvG, grief 1, nr. 20) door [verweerders] niet is bestreden. Daarmee staat de overdracht aan [eiser] respectievelijk diens eigendom vast (art. 149 Rv Pro) en is de beslissing dat de strook niet aan [eiser] is overgedragen onbegrijpelijk en genomen met een ontoelaatbare overschrijding van de rechtsstrijd, aldus het middel.
onder 17bevat een voortbouwklacht, die het lot van de overige klachten deelt en geen nadere bespreking behoeft.