Conclusie
1.Overzicht
junctoart. 17(3)(b) Wet op de vennootschapsbelasting (Vpb) (technisch aanmerkelijk belang (a.b.)).
substance; hun (administratieve) taken zijn na hun verplaatsing naar Curaçao uitbesteed aan een trustkantoor. Zij houden certificaten van aandelen in de tussenhoudster [C] BV ([C]), die participeerde in [D] BV ([D]). [D] dreef een winstgevende onderneming. De aandelen [C] werden gehouden door een stichting administratiekantoor (STAK). In december 2015 heeft [C] haar belang in [D] verkocht aan een derde en in januari 2016 heeft zij de verkoopopbrengst uitgekeerd aan de STAK, die heeft dooruitgedeeld aan de certificaathouders. De belanghebbenden ontvingen aldus elk € 13.819.076. Zij hebben niet dooruitgedeeld.
BNB2020/80 volgt dat tegenbewijs beperkt blijft tot de ‘objectieve’ toets (kunstmatigheid). Is bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting verschuldigd, dan staat zijns inziens het ontgaansmotief vast. Dat aanvankelijk geen fiscaal motief voor de structuur bestond, heeft het Hof ten onrechte aangemerkt als zakelijke reden die de economische realiteit weerspiegelt, nu de belanghebbenden geen enkele zakelijke reden voor hun
substance-loze (voort)bestaan hebben aangevoerd. Het gaat om de situatie op het moment van uitkering; niet relevant is dat de houdsterstructuur destijds binnenlands gebruikelijk was; dat gegeven is niet het vereiste tegenbewijs van niet-kunstmatigheid.
X BV en TBG Ltdaf dat tussen een EU-lidstaat en zijn eigen LGO [1] (tussen Nederland en Curaçao) de vrijheid van kapitaalverkeer in beginsel net zo geldt als tussen EU-lidstaten en derde Staten, maar dat art. 66(2) LGO-Besluit 2013 Nederland wel toestaat het kapitaalverkeer met Curaçao te beperken “in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.” De vraag is dus of toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb in casu daadwerkelijk en evenredig misbruik bestrijdt, met name of die eis samenvalt met de criteria die het HvJ stelt voor weigering van EU-rechtelijke voordelen op basis van het algemene beginsel van EU-recht dat rechts-misbruik verboden is, onder meer in de arresten
Cadbury Schweppes,
Eqiom en Enka,
Deister en Juhleren
T Danmark en Y Denmark: voor het bewijs van misbruik is vereist (i) een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet wordt bereikt, en (ii) een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
X BV en TBG Ltd-criteria voor misbruikbestrijding samenvallen met de
Cadbury Schweppes-criteria voor misbruikbestrijding lijkt er één om prejudicieel voor te leggen aan het HvJ, maar de Nederlandse wetgever lijkt zelf al antwoord te hebben gegeven op die concordantievraag. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever wilde dat de misbruikrechtspraak van het HvJ tot richtsnoer wordt genomen “ook wat betreft de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen” en dat “als het gaat om de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen dan geldt hierbij dat deze in overeenstemming dient te zijn met de bepalingen in het EU-werkingsverdrag inzake het vrij verkeer van kapitaal dat ook relevant is in relatie tot derde landen. Daartoe behoort ook jurisprudentie inzake antimisbruik.” De wetsgeschiedenis vermeldt verder herhaaldelijk expliciet dat “voor de invulling van het ontgaanscriterium aansluiting (kan) worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (…) over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht.”
i.e.conform de arresten
Cadbury Schweppes,
Eqiom en Enka,
Deister en Juhleren
T Danmarken
Y Denmark. Ook als het antwoord op de concordantievraag niet al uit het nationale recht zou volgen, valt het EU-rechtelijke antwoord overigens te voorspellen omdat de rechtspraak van het HvJ er op wijst dat hij EU-rechtenbeperkende nationale maatregelen tot ‘daadwerkelijke en evenredige misbruikbestrijding’ geen verschillend effect zal willen geven afhankelijk van de vraag of het om verhoudingen tussen lidstaten, tussen lidstaten en derde landen, tussen lidstaten en eigen LGO of tussen lidstaten en andermans LGO gaat, noch afhankelijk van de vraag of het gaat om primair, secundair of ongeschreven EU-recht. Zijn rechtspraak wijst integendeel op convergerende uitleg van antimisbruikinstrumenten, ongeacht of die uit primair, secundair of ongeschreven EU-recht volgen. Het HvJ ziet geschreven antimisbruikbepalingen in secundair EU-recht als uitdrukking van het ongeschreven algemene beginsel van Unierecht dat rechtsmisbruik verboden is. Vereist zijn steeds: (i) objectieve strijd met doel en strekking van de ingeroepen regel (‘ondermijning’); (ii) de subjectieve bedoeling om oneigenlijk (kunstmatig) voordeel te verkrijgen dat niet voor de betrokkene bedoeld is; (iii) subsidiariteit en proportionaliteit van de antimisbruikmaatregel,
i.e.:(iii)(a) doelgeschiktheid van de belemmerende nationale maatregel en (iii)(b) niet verder gaand dan noodzakelijk om het misbruik te keren; en (iv) initiële bewijslast bij de nationale instantie die het voordeel wil weigeren wegens misbruik, waarbij (v) misbruikvermoedens op basis van wettelijke criteria toegestaan zijn, mits voldoende toegespitst op het te bestrijden misbruik en mits tegenbewijs van economische realiteit mogelijk is zonder belemmeringen. Ik baseer dat met name op de Grote-Kamerarresten
X BV en TBG Ltd(over de eigen LGO) en C-101/05
Skatteverket v A(over het kapitaalverkeer met derde landen) en op de arresten
T Denmark en Y Danmarken
Euro Park Service(over de verhouding tussen antimisbruikbepalingen in secundair EU-recht en het algemene beginsel van primair EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is).
i.e.van de vraag of de belanghebbenden onderdeel zijn van een kunstmatige constructie met als (hoofd)doel ontwijking van Nederlandse dividend- of inkomstenbelasting bij hun aandeelhouders. De Inspecteur stelt dat art. 10(8) BRNC wordt uitgeschakeld door art. 22 BRNC Pro omdat art. 17(b)(c) Wet Vpb van toepassing is. Dan rust de bewijslast dat aan de misbruikcriteria is voldaan op de Inspecteur. De voor misbruik vereiste strijd met doel en strekking van de wet (het ‘objectieve element’ van het HvJ) is een rechtsvraag die niet aan bewijslevering is onderworpen. Aan bewijslevering en daarmee aan bewijslastverdeling is alleen onderworpen het ‘subjectieve element’,
i.e.de vraag of de belastingplichtige ‘de bedoeling’ had om alleen ‘formeel’ aan de voorwaarden te voldoen door ‘kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.’
Euro Park Service, Eqiom en Enka,en
Deister en Juhler. De Staatssecretaris meent dat het Hof ten onrechte ook tegenbewijs heeft toegelaten bij de ‘subjectieve toets’ (hoofddoel belastingontwijking), hoewel uit de wetsgeschiedenis en uit HR
BNB2020/80 zou volgen dat als bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting is verschuldigd, alleen nog tegenbewijs kan worden geleverd bij de ‘objectieve toets’ (kunstmatigheid). Die beperking van tegenbewijslevering lijkt mij onverenigbaar met het EU-recht. Het enkele wegdenk-criterium is in het licht van de rechtspraak van het HvJ een (veel) te vaag en algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de belanghebbenden zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst onvoldoende op misbruik van de BRNC of het vrije kapitaalverkeer om dat vrije kapitaalverkeer te belemmeren met een automatische omkering van de bewijslast. Dat zou teveel afbreuk doen aan doel en strekking van de vrijheid van kapitaalverkeer.
voornaamste doel(subjectief element) heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de belastingwetgeving
ondermijnt(objectief element) en daarom kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie. Uit onder meer de arresten
De Peyper,
San Giorgio,
Weber’s Wine Worlden
Meilicke IIvolgt verder dat eenzijdige bewijsbelasting en uitsluiting van bepaalde (tegen)bewijsmiddelen of -mogelijkheden in strijd kan komen met het beginsel van effectiviteit van EU-recht. Uitsluiting van tegenbewijs tegen de vooronderstelling van een ontwijkingshoofddoel enkel op basis van het wegdenk-criterium lijkt mij niet verenigbaar met dat effectiviteitsbeginsel van ’s Hofs
Rewe/Comet-doctrine.
leveringbetreft vastgesteld dat de belanghebbenden noch met de verkoop van [D], noch met de uitkering van de verkoopopbrengst hebben geanticipeerd, gespeculeerd, gestructureerd of geconstrueerd op resultaten van de zich al vele jaren voortslepende onderhandelingen over de BRNC en dat bij het ontstaan van de structuur, de emigratie van vader en de verkoop van [D] op geen moment sprake was van antifiscaal handelen of nalaten. De Staatssecretaris bestrijdt dat niet, maar acht dat niet van belang omdat zijns inziens tegenbewijs uitsluitend kan slagen als het bestaan van de belanghebbenden
op het moment van uitkeringzakelijke redenen heeft, dat wil zeggen: als zij op dat moment een onderneming drijven of een schakelfunctie vervullen. Dit betoog miskent mijns inziens dat tegenbewijs van ontbreken van antifiscale bedoelingen EU-rechtelijk niet beperkt mag worden tot uitsluitend een momentopname of tot alleen bepaalde gevallen (actieve onderneming of ‘schakelfunctie’). Het Hof heeft verder als niet weersproken aangemerkt dat de belanghebbenden de uiteindelijk gerechtigden tot het dividend zijn, rechtens en feitelijk zelfstandig beslissingsbevoegd zijn met betrekking tot de ontvangen opbrengst en daarover vrijelijk kunnen beschikken en dat zij het niet hebben uitgekeerd aan hun aandeelhouders. De Staatssecretaris bestrijdt dat dat niet weersproken zou zijn, maar kon op uw zitting niet aangeven uit welk processtuk dat blijkt. De stelling dat de belanghebbenden nauwelijks
substancehebben – dat heeft de Inspecteur inderdaad gesteld – hoefde het Hof niet op te vatten als een weerspreking van die niet als zodanig ingenomen stellingen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
private equitybedrijf, is in 2011 [C] BV opgericht. De belanghebbenden hebben hun belang in [D] toen overgedragen aan [C], die gehouden wordt door een stichting administratiekantoor (STAK). Aan de persoonlijke houdsters van de familieleden zijn toen certificaten van aandelen uitgereikt. De belanghebbenden zijn elk voor 11,11% gerechtigd tot het economisch belang dat door de STAK wordt gehouden.
BNB2020/80 (
Luxemburgse tussenhoudster), [3] uit welk arrest zij het volgende gevolg trok:
NLF2022/20) was het daarmee eens:
NTFR2022/226) vroeg zich af of het gaat om de motieven ten tijde van het opzetten van de structuur of die ten tijde van de dividenduitkering:
BNB2020/80, [5] concluderende dat – behoudens tegenbewijs – aan die toets werd voldaan:
BNB2020/80 volgt, moet art. 17(3)(b) Wet Vpb zo worden toegepast dat geen inbreuk op het Unierecht wordt gemaakt. Het Unierecht brengt volgens het Hof mee dat de belanghebbende de gelegenheid moet krijgen om aannemelijk te maken dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit maar bedoeld is om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen. [6] Het Hof overwoog over het door de belanghebbende aangevoerde tegenbewijs als volgt:
5.15.3. Belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat zij de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenduitkering, dat zij rechtens en feitelijk zelfstandig beslissingsbevoegd is met betrekking tot de ontvangen opbrengst en daarover vrijelijk kan beschikken en dat zij de ontvangen opbrengst niet heeft uitgekeerd aan haar aandeelhouder. Van een doorstroomvennootschap in de zin van het arrest T Danmark en Y Denmark is dus geen sprake. De substance van belanghebbende is weliswaar zeer beperkt, maar dit brengt op zichzelf niet mee dat belanghebbende geen reële betekenis heeft.
5.15.4. Evenmin was op het moment van de verplaatsing van de feitelijke leiding sprake van het ‘tussenschuiven’ van belanghebbende om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. Dividenden uitgekeerd door [C] aan belanghebbende waren immers, onder de tot 2016 geldende BRK, onderworpen aan dividendbelasting naar een tarief van 15%. Pas vanaf de inwerkingtreding van de BRNC per 1 januari 2016 zijn dividenden uitgekeerd door [C] aan belanghebbende op grond van artikel 10, lid 8, BRNC in beginsel vrijgesteld van Nederlandse belastingheffing. Anders dan onder de BRK, kent deze bepaling immers een exclusief heffingsrecht toe aan Curaçao ter zake van dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een lichaam is dat inwoner is van Curaçao en waarvan de aandelen voor ten minste 50% in bezit zijn van een natuurlijk persoon die inwoner is van Curaçao, mits dat lichaam onmiddellijk ten minste 10% bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt. De dividenduitkering houdt verband met de verkoop van de onderneming eind 2015. Gelet op het tijdsverloop tussen het opzetten van de structuur (2007), de verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende naar Curaçao (2011) en de dividenduitkering (2016) is echter niet aannemelijk dat de structuur is vormgegeven met het oog op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting ten aanzien van de dividenduitkering. Voor zover belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in een gunstiger positie terecht is gekomen, is dit het gevolg van de vervanging van de BRK door de BRNC, maar dit biedt geen grond voor de conclusie dat de structuur (volstrekt) kunstmatig is en dat hiermee is beoogd de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan.”
NLF2023/3) becommentarieerde ‘s Hofs uitspraak als volgt:
FutD2022-3170 betwijfelt de cassatiekansen van de Staatssecretaris:
3.Het geding in cassatie
BNB2020/80 (zie 7.1 hieronder) volgt dat als bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting is verschuldigd, de mogelijkheid van tegenbewijs beperkt is tot de objectieve toets van kunstmatigheid;
(ii) het aanvankelijk ontbreken van een fiscaal motief voor de structuur ten onrechte aanmerkt als een geldige zakelijke reden die de economische realiteit weerspiegelt, hoewel de belanghebbenden geen enkele zakelijke reden voor
substanceloze (voort)bestaan hebben aangevoerd;
(iii) ten onrechte het destijds gebruikelijke van de toenmalige binnenlandse houdsterstructuur kennelijk als zakelijke reden/tegenbewijs heeft aanvaard, hoewel het gaat om de kunstmatigheid op het moment van de uitkering.
(i) uit het enkele gegeven dat bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting verschuldigd zou zijn, heeft opgemaakt dat zij hun a.b.’s in [C] hielden met als (een) hoofddoel heffing van inkomsten- of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (r.o. 5.6). Dat is onjuist omdat die uitleg van de 'wegdenkgedachte' op tekst noch geschiedenis van de wet kan worden gebaseerd, maar slechts is terug te voeren op een aantekening van de redactie van Vakstudie Nieuws, wat geen rechtsbron is;
(ii) uit de enkele gegevens dat de belanghebbenden geen materiële onderneming dreven, geen wezenlijke functie als top- of tussenhoudsters vervulden op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein voor de groep en slechts beperkt
substancehadden, een constructie heeft afgeleid die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (r.o. 5.11). Dat is onjuist omdat de wetsgeschiedenis geen uitputtende catalogus bevat van wat als 'zakelijke redenen' kan gelden, terwijl de redenen voor een persoonlijke houdsterstructuur die binnenslands niet als oneigenlijk gelden, dat niet worden door het enkele feit dat een houdster mee-emigreert met haar enige bestuurder, die om niet-fiscale redenen emigreert.
BNB2020/80 (zie 7.1 hieronder) en met de wetsgeschiedenis. Ook onderdeel (ii) (ontbreken van ‘zakelijke redenen’: kunstmatige constructie) bestrijdt volgens de Staatssecretaris een voldoende gemotiveerd oordeel over feiten. ‘s Hofs oordeel dat de belanghebbenden behoudens tegenbewijs aan de ‘objectieve’ toets voldoen, acht de Staatssecretaris in overeenstemming met de wettekst en wetsgeschiedenis.
X BV en TBG Ltd(zie 7.3 hieronder) af dat misbruikbestrijding in de verhouding tot een LGO verder kan gaan dan in een intra-EU-situatie. De parlementaire geschiedenis van art. 17(3)(b) Wet Vpb zegt inderdaad expliciet dat die bepaling moet worden uitgelegd conform de misbruikrechtspraak van het HvJ, maar zijn standpunt is daarmee niet in strijd, nu
X BV en TBG Ltdimmers HvJ-rechtspraak is die uitlegt hoe een lidstaat antimisbruikbepalingen in verhouding tot de LGO moet toepassen. De Staatssecretaris ziet dat arrest als het enige relevante, en hij leidt er uit af dat in LGO-verhoudingen lidstaten verder kunnen gaan in misbruikbestrijding dan in intra-EU-gevallen. Hij meent overigens dat het in casu niet om (vrijgemaakt) kapitaalverkeer gaat, maar om vestiging, die niet vrijgemaakt is in verhouding tot derde landen.
4.De Belastingregeling, de wet, het kapitaalverkeer en het LGO-Besluit
2. Deze dividenden mogen echter ook in het land waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van dat land worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een inwoner van het andere land is, mag de aldus geheven belasting 15 percent van het brutobedrag van de dividenden niet overschrijden.
3. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid, zijn dividenden bedoeld in het eerste lid slechts in het andere land belastbaar, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden:
(…).
(…).
(…).
carve outom onbeperkte toepassing van landelijke antimisbruikinstrumenten mogelijk te maken:
fraus legisen van bepalingen zoals art. 17(3)(b) Wet Vpb toe, [10] behalve als de belastingplichtige kwalificeert onder de LOB-
safe harboursvan art. 10(3) en/of (5) BRNC. Onze belanghebbenden vallen niet onder die leden 3 of 5 van art. 10 BRNC Pro, zodat Nederland art. 17(3)(b) Wet Vpb jegens hen kan toepassen met voorbijgaan aan daaraan in de weg staande bepalingen in de BRNC.
1. Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven naar het
2. Het belastbare Nederlandse bedrag is het in een jaar genoten Nederlandse inkomen
3. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:
a. (…);
b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde beleggingsinstelling, indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:
1° een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;
2° een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen;
c (…).
substancevoorwaarden stelde voor vrijwaring van toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb:
fraus legis, art. 17(3)(b) Wet Vpb of een andere antimisbruikbepaling van toepassing is, in welk geval art. 22 BRNC Pro de BRNC in zoverre uitschakelt.
BNB2020/80 (zie 7.1 hieronder), dat het belastingjaar 2012 betrof. Art. 17(3)(b) Wet Vpb luidde destijds (van 2012 t/m 2015) als volgt:
3. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:
a. (…);
b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap (…) indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming;
c (…).”
Principal Purpose Testopgenomen. Die legt geen directe relatie meer met bepalingen zoals art. 17(3) Wet Vpb. Volgens het voorstel kan de (Nederlandse) inspecteur de voordelen van (in dit geval) de BRNC (lage of geen dividendbelasting) weigeren als het verkrijgen van dit voordeel een van de voornaamste redenen was voor een constructie. [12]
Lopende betalingen en kapitaalverkeer1. Er worden geen beperkingen opgelegd aan betalingen in vrij converteerbare munt op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen onderdanen van de Unie en van de LGO.
2. De lidstaten en de autoriteiten van de LGO leggen, wat transacties op de kapitaalrekening van de betalingsbalans betreft, geen beperkingen op aan het vrije verkeer van kapitaal voor directe investeringen in vennootschappen die in overeenstemming met de wetten van de gastlidstaat, het gastland of het gastgebied zijn opgericht en verbinden zich ertoe geen beperkingen op te leggen aan de liquidatie of repatriëring van deze investeringen en alle daaruit voortvloeiende opbrengsten.
3. De Unie en de LGO kunnen mutatis mutandis de in de artikelen 64, 65, 66, 75 en 215 van het VWEU bedoelde maatregelen treffen overeenkomstig de daarin bepaalde voorwaarden.
4. De autoriteiten van de LGO, de betrokken lidstaat en de Unie stellen elkaar onmiddellijk ervan in kennis wanneer zij deze maatregelen nemen, en voorzien zo spoedig mogelijk in een tijdschema voor de opheffing ervan.
X BV en TBG Ltdis gewezen onder de voorganger van het LGO-Besluit 2013. Tot 2014 was het geciteerde art. 59 (kapitaalverkeer) vervat in art. 47 van Pro het LGO-Besluit 2001, [16] dat inhoudelijk dezelfde strekking had en als volgt luidde:
X BV en TBG Ltdaan de orde was, luidde (tot 2014) als volgt:
5.Wets- en Regelingsgeschiedenis
I.0 Inleiding
De behandeling van deelnemingsdividenden
Antimisbruik (artikel 22)
(…).
Misverstand 1: De wetsgeschiedenis is leidend bij de interpretatie van de misbruiktoets
Deister Holding & Juhler Holding, in strijd met de anti- misbruikbepaling van de MDR. Bovendien is bij deze uitleg sprake van een onweerlegbaar vermoeden en ook om die reden is, net als de regeling in
Deister Holding & Juhler Holding, sprake van strijd met de MDR.”
NTFR2018/47 op HvJ
Deister en Juhler) betwijfelt de EU-rechtelijke houdbaarheid van de opvatting van de Staatssecretaris over de toepassing van de ‘subjectieve toets’ in art. 17(3)(b) Wet Vpb en diens opvolger art. 4(3) Wet DivB:
Deister en Juhler; PJW] gevolgen te hebben. Op basis van de parlementaire geschiedenis lijkt de staatssecretaris van mening dat indien het wegdenken van een tussenhoudster tot een hogere Nederlandse belastingclaim zou leiden, automatisch niet is voldaan aan de subjectieve toets. Buiten de objectieve toets (waar louter gekeken wordt naar substance) heeft de belastingplichtige in dat geval geen mogelijkheid om andere redenen (bijvoorbeeld van organisatorische of economische aard) aan te dragen voor diens structuur. Dit lijkt moeilijk te verenigen met de onderhavige zaak en de zaak Eqiom.”
7.Rechtspraak over art. 17(3)(b) Wet Vpb en over het kapitaalverkeer EU-LGO
BNB2020/80 (
Luxemburgse tussenhoudster) [40] betrof een in Nederland gevestigde houdstervennootschap (de belanghebbende) die in 2012 indirect beheerst werd door een natuurlijke persoon die in Zwitserland woonde. In 2010 werd de feitelijke leiding van de belanghebbende verplaatst naar Luxemburg, waar zij werd bestuurd door een trustkantoor. Zij had geen kantoorruimte en geen personeel. In 2011 was haar Nederlandse dochter een kasgeldvennootschap geworden. In 2012 ontving de belanghebbende van die Nederlandse dochter circa € 24 miljoen aan dividend. In geschil was de toepassing van de antimisbruikbepaling in art. 17(3)(b) Wet Vpb zoals die toen luidde (zie daarvoor 4.7 hierboven). De belanghebbende wenste vrijstelling van dividendbelasting; de Inspecteur meende dat belanghebbendes rol en verplaatsing naar Luxemburg voornamelijk dienden om belasting ten laste van de uiteindelijk gerechtigde te ontwijken. U overwoog als volgt:
Cadbury Schweppes,
Eqiom en Enka,
Deister en Juhleren
T Danmark, verwijs ik naar de gemene bijlage bij de twee conclusies van 26 mei 2023 [41] over de vraag of de opvolger van het litigieuze art. 17(3)(b) Wet Vpb, de antimisbruikbepaling in art. 4(3) Wet Divb (zie 5.7 hierboven), de vrijstelling van inhouding van dividendbelasting onthoudt aan twee familiehoudsters in België wegens misbruik.
X BV en TBG Ltd [42] voor het HvJ betroffen dividenduitkeringen door in Nederland gevestigde vennootschappen aan moedervennootschappen gevestigd op de toenmalige Nederlandse Antillen waarop 8,3% Nederlandse dividendbelasting was ingehouden die niet zou zijn ingehouden als de moeders in Nederland waren gevestigd. Uw prejudiciële verwijzing betrof onder meer de vraag of het vrije kapitaalverkeer ex art. (thans) 63 VwEU ook geldt tussen een lidstaat en zijn
eigenLGO, dus binnen één Staat. U vroeg dat omdat het HvJ in een eerder arrest in de zaak
Prunus [43] voorbij was gegaan aan het LGO-Besluit en had geoordeeld dat het vrije kapitaalverkeer ex art. (thans) 63 VwEU jegens derde landen ook geldt in de verhouding tussen een lidstaat (Frankrijk) en de LGO van een
anderelidstaat (het VK), zodat in die verhoudingen de LGO gelden als derde staten voor de toepassing van het vrije kapitaalverkeer. Op uw vraag of dit dan ook geldt in de verhouding tussen een lidstaat en zijn
eigenLGO, overwoog het HvJ als volgt over de verhouding tussen art. (thans) 63 VwEU en de boven (4.11) geciteerde art. 47 (kapitaal- en betalingsverkeer) en art. 55 (misbruikvoorbehoud) LGO-Besluit 2001, de voorgangers van de in onze zaken toepasselijke en in 4.10 hierboven geciteerde art. 59 (kapitaal- en betalingsverkeer) en art. 66 (misbruikvoorbehoud) van het LGO-Besluit 2013:
Prunus(equal protection of free movement between the EU and its OCTs and between the EU and third States), however this time not by equating OCTs to third States, as in
Prunus. Indeed, that would sit uneasily with the preamble to the OCT Association Decision, which explicitly states that the OCTs are
notthird States. Instead, the Court interpreted Art. (now) 59 of the OCT Association Decision as wide as possible, preferably as having the same width as Art. (now) 63 TFEU; see points 48 and 49 [van
X BV en TBG Ltd; PJW], in which the Court speaks of ‘a particularly wide scope, close to the scope’ of Art. (now) 63 TFEU and states that Art. (now) 59 of the OCT Decision prohibits restrictions ‘along the lines’ of the prohibition in Art. (now) 63 TFEU. We conclude that the Court has come ‘close to’ interpreting Art. 59 of Pro the OCT Association Decision as having the
samesubstance as Art. 63 TFEU Pro. That would be a welcome simplification and clarification of the capital movement status of the OCTs: capital movement to and from the OCTs will be treated in principle as comparable to the treatment of third State capital movement, i.e. ‘along the lines’ of Art. 63 TFEU Pro.”
vestiginggaat in plaats van
kapitaalverkeer. Nu vestiging
nietis vrijgemaakt in derde-landenverhoudingen, zou daardoor beroep op vrij (kapitaal)verkeer in casu uitgesloten zijn. In geval van (overwegend) vestiging geldt uitsluitend het vestigingsregime, dat niet is geliberaliseerd jegens derde landen, aldus de Staatssecretaris.
Franked Investment Income (II) [46] van de Grote Kamer van het HvJ blijkt dat vestiging en kapitaalverkeer elkaar bij samenloop in derde-landenverhoudingen niet uitsluiten en dat een beroep op het vrije kapitaalverkeer in derde-landenverhoudingen (en daarmee volgens
X BV en TBG Ltdook in LGO-verhoudingen) alleen door vestiging wordt geblokkeerd als de beperkende nationale wetgeving (i) uitsluitend op groepsverhoudingen is gericht (dan gaat het inderdaad uitsluitend om vestiging; fiscale voorbeelden daarvan zijn
thin capregels,
earnings strippingregels,
arm’s length pricing, en fiscale-eenheidsregimes) of (ii) de markttoegang van derdelanders in de EU of andersom reguleert. Van geen van beide is sprake bij een belemmering zoals de dividendbelasting. Dividendbelasting wordt immers geenszins alleen in concernverhoudingen geheven. Evenmin reguleert de dividendbelasting enige markttoegang. De dividendbelasting is een generieke belasting, die aangrijpt onafhankelijk van de vraag of de dividendgerechtigde al dan niet invloed heeft op het beleid van de uitkerende vennootschap en die op geen enkele wijze markttoegang voor ondernemers of dienstverleners reguleert. [47]
Franked Investment Income (II)waaruit dat volgt, betrof een dividend ontvangen uit een derde land door een Britse moedervennootschap die de binnenslands geldende vrijstelling voor
franked investment incomewenste maar niet kreeg voor dividend uit derde landen. De Grote Kamer overwoog als volgt over de samenloop van het jegens derde landen vrijgemaakte kapitaalverkeer met de jegens derde landen
niet-vrijgemaakte vestiging:
X BV en TBG Ltd). Ik merk daarbij op dat met de term ‘belasting
ontduiking’ vooral belasting
ontwijkingbedoeld zal zijn. ‘Belastingontduiking’ zal wel een slechte vertaling zijn van de Franse taalversie ‘évasion fiscale’ (’s Hofs werktaal). De zaak
X BV en TBG Ltdging namelijk helemaal niet over ontduiking, en andere taalversies van het arrest hebben het over (
curs. PJW) “the objective of combating tax
avoidancein an effective and proportionate manner” en “einer wirksamen und verhältnismäßigen Verfolgung des Ziels der Bekämpfung der
Steuerumgehung”.
Cadbury Schweppes,
Eqiom en Enka,
Deister en Juhleren
T Danmark, besproken in de conclusies van 26 mei 2023 [48] over de opvolger van het litigieuze art. 17(3)(b) Wet Vpb, de antimisbruikbepaling in art. 4(3)(c) Wet Divb (zie 5.7 hierboven)). In de recentste van die zaken,
T Danmark en Y Denmark, herbevestigde het HvJ zijn ongeschreven misbruikleer als volgt:
X BV en TBG Ltd-criteria voor misbruikbestrijding samen met de
Cadbury Schweppes-criteria voor misbruikbestrijding?) lijkt er één om prejudicieel voor te leggen aan het HvJ omdat die nog niet door hem is beantwoord en het antwoord niet buiten elke twijfel volgt uit EU-wetgeving of bestaande rechtspraak van het HvJ.
i.e.conform de genoemde arresten
Cadbury Schweppes,
Eqiom en Enka,
Deister en Juhleren
T Danmarken
Y Denmark.
X BV en TBG Ltd(over de eigen LGO), uit het eveneens Grote-Kamerarrest
Skatteverket v. A [50] (over het kapitaalverkeer met derde landen) en uit
T Denmark en Y Danmarken
Euro Park Service(over de verhouding tussen antimisbruikbepalingen in secundair EU-recht en het algemene beginsel van primair EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is). Uit
Skatteverket v. Avolgt dat het vrije kapitaalverkeer met derde landen dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als het intra-EU-kapitaalverkeer, zij het dat (alleen) bij onvoldoende fiscale gegevensuitwisseling met derde landen meer of andere beperkingen dan intra-EU gesteld kunnen worden, c.q. dat in verband met die achterblijvende gegevensuitwisseling meer of andere rechtvaardigingen dan intra-EU mogelijk zijn voor verkeersbelemmeringen. In het geval van onze belanghebbenden is geen sprake van enig gegevensvergaringsprobleem in de verhouding met Curaçao, zodat – mede gezien
X BV en TBG Ltd– het dividendverkeer met Curaçao in beginsel dezelfde inhoud, reikwijdte en vrijheid kent als intra-EU. Beperkingen worden dan alleen gesteld door de antimisbruikbepaling in art. 66 LGO Pro-Besluit en het algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is. Uit
T Denmark en Y Danmarken
Euro Park Service(zie onderdeel 4.4 resp. 4.2 van de bijlage bij de genoemde conclusies van 26 mei 2023) leid ik vervolgens af dat het misbruikvoorbehoud in art. 66 LGO Pro-Besluit net zo als een misbruikvoorbehoud in een EU-Richtlijn beschouwd moet worden als uitdrukking van dat algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is en dus uitgelegd en toegepast moet worden conform ’s Hofs rechtspraak over (fiscaal) rechtsmisbruik, met name conform
Cadbury Schweppes,
Eqiom en Enka,
Deister en Juhleren
T Danmark.
Skatteverket v. A [51] overwoog de Grote Kamer van het HvJ als volgt over de verhouding tussen het kapitaalverkeer tussen lidstaten en tussen lidstaten en derde landen:
grandfather clausein (thans) art. 64(1) VwEU; PJW].
T Denmark en Y Danmarkoverwoog het HvJ dat als misbruik in de zin van secundair EU-recht is vastgesteld, daarmee ook beroep op de verkeersvrijheden, waaronder het kapitaalverkeer, is uitgesloten:
Euro Park Service: [52]
Cadbury Schweppes,
Eqiom en Enka,
Deister en Juhleren
T Danmark en Y Denmark, net zoals in de twee bij u aanhangige zaken met de nrs. 22/02691 en 22/02695 waarin ik op 26 mei 2023 concludeerde. [53] Daaraan doet niet af dat het in onze zaak gaat (i) over art. 17(1)(b) Wet Vpb) en niet over diens opvolger art. 4(3)(c) Wet Divb, (ii) niet om secundair EU-recht in een Richtlijn, maar om secundair EU-recht in het LGO-Besluit 2013 en (iii) niet om een intra-EU-geval van kapitaalverkeer, maar om een EU-LGO-geval.
X BV en TBG Ltd(6.3 hierboven) hoe dan ook
clairdat voor toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb op de gevallen van de belanghebbenden vereist is dat daarmee “de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking
daadwerkelijken
evenredigwordt nagestreefd.”
i.e.van de vraag of de belanghebbenden onderdeel zijn van een kunstmatige constructie met als (hoofd)doel ontwijking van Nederlandse dividend- of inkomstenbelasting bij hun aandeelhouders.
Emsland-Stärke, C-110/99, EU:C:2000:695, punten 52 en 53, en (…) O. en B., C-456/12, EU:C:2014:135, punt 58)”.
i.e.de vraag of de belastingplichtige ‘de bedoeling’ had om alleen ‘formeel’ aan de voorwaarden te voldoen door ‘kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.” Zoals uiteengezet in de genoemde conclusies van 26 mei 2023, valt dit EU-rechtelijke ‘subjectieve element’ van misbruik
nietsamen met wat de wetgever de ‘subjectieve toets’ in art. 17(3)(b) Wet Vpb noemt, maar omvat het mede hetgeen de wetgever de ‘objectieve’ toets noemt (kunstmatigheid). Dat kan ook niet anders, want
juistter zake van die ‘objectieve’ toets voorzag de wetgever tegenbewijsmogelijkheden, die alleen bij het
subjectieveelement (antifiscale bedoelingen) aan de orde kunnen zijn, nu rechtsvragen (strijd met doel en strekking van de wet; het
objectieveelement van het HvJ) niet aan bewijslevering zijn onderworpen, maar geheel ter beantwoording aan de rechter zijn.
clairuit de rechtspraak van het HvJ dat hij het niet evenredig acht – nl. niet
noodzakelijkvoor de bestrijding van misbruik – dat een belastingplichtige automatisch wordt uitgesloten van EU-voordelen (in casu: het vrije kapitaalverkeer) op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Eveneens disproportioneel en
overkillvindt hij dat de belastingplichtige moet bewijzen dat zich géén misbruik voordoet op basis van een rechtsvermoeden dat te vaag en te algemeen is om een veronderstelling van misbruik te rechtvaardigen. Dat volgt met name uit de arresten
Euro Park Service, Eqiom en Enka,en
Deister en Juhlerdie besproken worden in onderdeel 4 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 26 mei 2023 [55] in de bij u aanhangige zaken 22/02691 en 22/02695 over art. 4(3)(c) Wet Divb (weigering inhoudingsvrijstelling bij misbruik).
BNB2020/80 (zie 7.1 hierboven) zou volgen dat als bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting is verschuldigd, slechts tegenbewijs kan worden geleverd bij de ‘objectieve toets’ (kunstmatigheid). Volgens hem volgt uit de wetsgeschiedenis dat bij voldoening aan het wegdenkcriterium enkel om die reden de bewijslast al verschuift naar de belanghebbenden. Die beperking van tegenbewijslevering lijkt mij onverenigbaar met het EU-recht. Het enkele wegdenk-criterium is in het licht van de genoemde rechtspraak van het HvJ een (veel) te vaag en algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat daarom geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de belanghebbenden zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst onvoldoende op misbruik van de BRNC of het vrije kapitaalverkeer om dat vrije kapitaalverkeer te belemmeren met een automatische omkering van de bewijslast. Dat zou teveel afbreuk doen aan doel en strekking van de vrijheid van kapitaalverkeer.
Cadbury Schweppes(zie 4.1 van de bijlage bij de conclusies van 26 mei 2023). De nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (r.o. 117
T Danmark en Y Denmark; zie 4.5 van de bijlage bij de conclusies van 26 mei 2023). De rechter moet beoordelen of een concernstructuur “(…) als voornaamste doel (…) heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de (..) belastingwetgeving ondermijnt” en daarom “kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie” (onder meer r.o. 100 van
T Danmark en Y Denmark). Voor een “kunstmatige constructie” is dus zowel (door de fiscus aannemelijk te maken en aan tegenbewijs onderworpen) subjectief misbruikmotief vereist (“als voornaamste doel”) als niet aan bewijslevering onderworpen objectieve strijd met doel en strekking van de wet (“dat de strekking of het doel van de (..) belastingwetgeving ondermijnt”).
De Peyper, [57] San Giorgio, [58] Weber’s Wine World [59] en
Meilicke II [60] volgt verder dat eenzijdige bewijsbelasting en uitsluiting van bepaalde (tegen)bewijsmiddelen of -mogelijkheden in strijd kan komen met het beginsel van (procedurele) effectiviteit van EU-recht. Uitsluiting van tegenbewijs tegen de vooronderstelling van een ontwijkingshoofddoel enkel op basis van het wegdenk-criterium lijkt mij niet verenigbaar met dat effectiviteitsbeginsel van ’s Hofs
Rewe/Comet-doctrine. [61]
vast staatdat het bestaan en de gerechtigdheid van de belanghebbenden als hoofddoel belastingontwijking hebben en de (tegen)bewijslast volledig naar hen verschuift en dat zij daar alleen aan kunnen voldoen door zakelijke redenen te bewijzen voor hun
voortbestaan
ten tijde van de dividenduitkering. Voor zover de parlementaire geschiedenis van art. 17(3)(b) Wet Vpb die interpretatie al steunt (de belanghebbenden bestrijden dat omdat die geschiedenis volgens hen – tot aan de Nota n.a.v. het Verslag in de Eerste Kamer – alleen het omgekeerde zegt, nl. dat als zonder tussenkomst van het buitenlandse lichaam géén hogere belastingclaim bestaat, géén sprake is van het ontgaan van belasting), acht ik die geschiedenis onverenigbaar met (i) het vereiste van
daadwerkelijken
evenredigemisbruikbestrijding (HvJ
X BV en TBG Ltd), (ii) de in 5.6 en 9.8 hierboven aangehaalde vermelding in de parlementaire geschiedenis dat de vrije bewijsleer geldt en de initiële bewijslast bij de Inspecteur ligt, (iii) de meermalen herhaalde vermelding in die parlementaire geschiedenis dat óók in verhouding tot derde landen de toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb moet aansluiten bij de misbruikrechtspraak van het HvJ, en (iv) de bewijslastverdelingeisen die die rechtspraak stelt, met name de arresten
Euro Park Service, Eqiom en Enka,en
Deister en Juhler. Daaruit volgt dat het enkele feit dat de aandeelhouders bij rechtstreekse ontvangst van een dividend niet dezelfde aanspraak op vrijstelling van dividendbelasting(vervangende heffing) zouden hebben als de dividendontvangende vennootschap, geen bewijs van misbruik is, noch een misbruikvermoeden rechtvaardigt dat de bewijslast volledig doet verschuiven en waarbij maar beperkt tegenbewijs wordt toegelaten, nl. alleen tegen kunstmatigheid ten tijde van de dividenduitkering, maar niet tegen het (daarmee onweerlegbare) vermoeden dat een van de hoofddoelen van de structuur is de ontwijking van belasting bij de aandeelhouders. Mij lijken die twee (ontwijkingshoofddoel en kunstmatigheid) overigens moeilijk van elkaar te (onder)scheiden. Wat daarvan zij: het wegdenk-criterium zonder tegenbewijsmogelijkheid is EU-rechtelijk een te mechanische en te vage (algemene) toets voor de vaststelling van individuele motieven en ook voor volledige omkering van de bewijslast.
X BV en TBG Ltd(zie 6.3 hierboven): een dividendbelasting(vervangende heffing) op uitgaand dividend die in een vergelijkbaar binnenslands geval niet geheven wordt, kon ook onder de BRK al niet zonder schending van het vrije derde-landenkapitaalverkeer onthouden worden aan met ingezeten vrijstellingsgerechtigden vergelijkbare inwoners van Curaçao, behalve in geval van “daadwerkelijke en evenredige” misbruikbestrijding, waarbij de bewijslast ter zake van misbruik op de fiscus zou hebben gerust.
leveringbetreft onder meer overwogen (r.o. 5.15.2 t/m 5.15.4) dat bij het ontstaan van de structuur, de emigratie van vader en de verkoop van [D] op geen enkel moment sprake was van antifiscaal handelen of nalaten. De Staatssecretaris bestrijdt dat niet, maar acht dat niet van belang omdat zijns inziens tegenbewijs uitsluitend kan slagen als het bestaan van de belanghebbenden
op het moment van uitkeringzakelijke redenen heeft, dat wil zeggen: als zij op dat moment een onderneming drijven of een schakelfunctie vervullen (wat dat ook moge zijn). Dit betoog miskent mijns inziens dat tegenbewijs van ontbreken van antifiscale bedoelingen EU-rechtelijk niet beperkt mag worden tot uitsluitend een momentopname of tot alleen bepaalde gevallen (actieve onderneming of ‘schakelfunctie’).
substancehebben – dat heeft de Inspecteur inderdaad wel gesteld – hoefde het Hof niet op te vatten als weerspreking van deze stellingen (zie r.o. 5.15.3 Hof).
nietvrijelijk over het ontvangen dividend konden beschikken.
private equityfonds en waren ter zake van die zak geld verder op hun handen gaan zitten. Weliswaar was ook in die zaken het bestaan en de rol van de belanghebbenden aanvankelijk zakelijk verklaarbaar en later (na verkoop van de onderneming) niet meer, maar anders dan in de huidige Haagse zaken, achtte het Hof Amsterdam aannemelijk dat het bestaan van de belanghebbenden c.q. hun formele bezit van de zak geld misbruikelijk
gehandhaafdwas door de familieleden
omoneigenlijk te profiteren van de MDR voor passieve belegging van familievermogen. Dergelijke achtergronden of omstandigheden zijn bij onze belanghebbenden gesteld noch gebleken.
private equityfonds het aanzien van een deelnemingsverhouding te geven, maar in de eerste plaats is ontstaan doordat twee landen, Curaçao en Nederland, hebben besloten om hun heffingsrechten anders dan voorheen te verdelen.