Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
(…)
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens meermalen gepleegde mishandeling van het slachtoffer tussen oktober 2016 en april 2018. Het hof kende aan het slachtoffer een immateriële schadevergoeding van €1.250 toe wegens de psychische schade, waaronder een posttraumatische stressstoornis (PTSS), die het gevolg was van het bewezenverklaarde handelen.
De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de immateriële schade aan het slachtoffer toegekend kon worden, met name omdat er geen onafhankelijk psychiatrisch of psychologisch deskundigenoordeel was en het causale verband niet was vastgesteld. Ook stelde de verdediging dat de klachten van het slachtoffer niet objectief waren onderbouwd en deels van internet waren overgenomen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het bestaan van een aantasting in de persoon van het slachtoffer op andere wijze dan lichamelijk letsel, zoals bedoeld in artikel 6:106 BW Pro, terecht heeft aangenomen. Het hof heeft de klachten van het slachtoffer, waaronder PTSS, voldoende gemotiveerd en onderbouwd met medische verklaringen en slachtofferverklaringen. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en constateert ambtshalve dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, zonder dat dit leidt tot strafvermindering.
De Hoge Raad bevestigt daarmee de toekenning van de immateriële schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals door het hof bepaald.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de immateriële schadevergoeding van €1.250 wordt bevestigd.