Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Zie het schadeonderbouwingsformulier inclusief de bijlagen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
29 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een gewapende overval op een supermarkt waarbij de verdachte meerdere medewerkers, waaronder de benadeelde partij, met een vuurwapen bedreigde. De benadeelde partij vorderde immateriële schadevergoeding wegens geestelijk letsel veroorzaakt door de overval.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor het toekennen van immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106.b BW, waarbij geestelijk letsel niet per se een psychiatrisch erkend ziektebeeld hoeft te zijn en ook niet uitsluitend door een psychiater of psycholoog vastgesteld hoeft te worden. Het hof had vastgesteld dat de benadeelde PTSS-achtige klachten had en EMDR-therapie had ondergaan, en dat de bedreigingen ernstig en intimiderend waren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat sprake is van een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ en wijst de immateriële schadevergoeding van € 2.500 toe. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd van 30 maanden (waarvan 6 voorwaardelijk) naar 29 maanden (waarvan 6 voorwaardelijk).
Het beroep van de verdachte wordt verder verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft behalve voor de strafduur. De uitspraak benadrukt het belang van concrete onderbouwing van geestelijk letsel en de mogelijkheid tot vergoeding ook zonder formele psychiatrische diagnose.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de immateriële schadevergoeding van € 2.500 en vermindert de gevangenisstraf tot 29 maanden vanwege termijnoverschrijding.