ECLI:NL:PHR:2023:75
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake afstandsverklaring inbeslaggenomen geldbedrag
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beklag van klager tegen de niet-teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 25.024,50 ongegrond. Klager was op 23 mei 2020 aangehouden en het geld werd toen in beslag genomen in een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. Na zijn vrijspraak op 17 juni 2020 werd geen beslissing genomen over het geldbedrag. Klager stelde dat hij geen afstand had gedaan van het geld, maar de rechtbank oordeelde dat tijdens een verhoor op 24 mei 2020 klager duidelijk en ondertekend afstand had gedaan van het bedrag, in aanwezigheid van zijn advocaat.
De Hoge Raad overwoog dat de hoogte van het geldbedrag niet relevant is voor de rechtsgeldigheid van de afstandsverklaring. Van belang is dat de beslagene bekend is met de aanspraken die hij prijsgeeft en dat zijn wil tot afstand duidelijk blijkt. De rechtbank had vastgesteld dat dit het geval was. De overige klachten van klager over het niet instellen van hoger beroep en de motivering van de rechtbank waren niet doorslaggevend. De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep faalt en wees het af.
De uitspraak bevestigt dat een ondertekend proces-verbaal van verhoor waarin afstand wordt verklaard, voldoende kan zijn om rechtsgeldige afstand van inbeslaggenomen goederen aan te nemen, ook bij een aanzienlijk geldbedrag. Het belang van strafvordering stond teruggave niet in de weg en de procedurele waarborgen waren gewaarborgd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat klager rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen geldbedrag.