Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 februari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of klager rechtsgeldig afstand had gedaan van een inbeslaggenomen geldbedrag van €7.560,- dat was gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. De Rechtbank Rotterdam had klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag omdat hij volgens de rechtbank schriftelijk en vrijwillig afstand had gedaan van het geldbedrag.
Klager stelde dat hij geen afstand wilde doen en dat de afstandsverklaring in afwezigheid van zijn raadsman was afgelegd, terwijl hij de consequenties niet kon overzien. De rechtbank oordeelde echter dat klager voldoende duidelijk was geïnformeerd en zijn wil tot afstand in vrijheid had kunnen bepalen. Dit bleek uit het verhoor en de afstandsverklaring die klager ondertekende ten overstaan van een opsporingsambtenaar.
De Hoge Raad toetste de beslissing van de rechtbank en concludeerde dat het oordeel niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting bevatte. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee dat de afstandsverklaring rechtsgeldig was en dat klager niet-ontvankelijk was in zijn beklag over het beslag op het geldbedrag.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat klager rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen geldbedrag.