Conclusie
artikelen 2 en 6 van het Bewakingsvoorschrift 1946, Sterf. 63) niet in het ontwerp overgenomen. Wel is in artikel 25 voorzien Pro in een verplichting voor Nederlanders om bij het binnenkomen of verlaten van Nederland
desgevraagdaan een met de grensbewaking belaste ambtenaar de in hun bezit zijnde reis- en identiteitspapieren te vertonen en, indien hun Nederlanderschap daaruit niet voldoende blijkt, op andere wijze aannemelijk te maken dat zij Nederlander zijn. Andere verplichtingen, welke in het belang van de controle op vreemdelingen mede voor Nederlanders dienen te gelden, zijn opgenomen in de ontworpen artikelen 24 en 26—30.”
voor zover zulks voor de controle op vreemdelingen onontbeerlijk is”.
met het oog op controle in het belang van de grensbewaking”. Deze beperking uit art. 3.1 Vw 1966 is in artikel 46 van Pro de huidige Vreemdelingenwet onverkort gehandhaafd.
die de ambtenaar belast met de grensbewaking redelijkerwijs kan vorderen” (lid 3). Artikel 65 Vw Pro richt zich echter tot gezagvoerders van een vliegtuig en creëert nadrukkelijk geen verplichtingen voor anderen ten aanzien van medewerking aan een uitzetting. Er bestaat geen verband tussen artikel 65 Vw Pro en artikel 4.6 Vb, terwijl aan cliënten overtreding van deze laatste bepaling is tenlastegelegd. Artikel 4.6 Vb verplicht burgers inderdaad om aanwijzingen op te volgen van ambtenaren belast met grensbewaking, maar slechts voor zover die aanwijzingen gegeven worden in het kader van de uitoefening van hun taak. Het doel van deze taakuitoefening is daarin leidend en beperkend, wat betreft het soort aanwijzingen dat gegeven kan worden. En de delegatiebepaling, art. 46 Vw Pro, waarop deze aanwijzingsbevoegdheid is gebaseerd formuleert het doel van deze taakuitoefening als volgt: controle in het belang van de grensbewaking.
ter controle in het kader van de grensbewaking.”
Bewijsmotivering
de controleop vreemdelingen. De vordering van de Koninklijke Marechaussee om te gaan zitten op een stoel in een vliegtuig in verband met de uitzetting van een vreemdeling, is volgens de stellers van het middel niet als zodanig aan te merken.
Stb. 11 houdende nadere voorzieningen betreffende de grensbewaking. In deze wet staat in artikel 2: “Onze Minister van Justitie is bevoegd, in het belang van de grensbewaking, den toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van de bewakingsgebieden te regelen” en in artikel 3: “Overtreding van eene regeling, door Onzen Minister van Justitie krachtens artikel 2 vastgesteld Pro, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste honderd gulden.” Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in het Bewakingsvoorschrift van 11 februari 1920. [2] Artikel 10 van Pro dit Bewakingsvoorschrift van 1920 hield het volgende in:
Stb. 11) houdende nadere voorzieningen betreffende de grensbewaking, welke bij artikel 47 van Pro de Vreemdelingenwet wordt ingetrokken. (…)
“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Oplegging van straf
Ziliberberg; Rai and Evans; Berladir and Others, § 41; and
Primov and Others, § 118, all cited above). At the same time, the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see
Ezelin, § 53;
Galstyan, § 115; and
Barraco, § 44, all cited above). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see
Taranenko, cited above, § 88).
Steel and Others(cited above) the first and second applicants had obstructed a hunt and had impeded engineering work for the construction of a motorway, respectively. In
Drieman and Others(cited above), Greenpeace activists had manoeuvred dinghies in such a way as to physically obstruct whaling, forcing the whalers to abandon their lawful exploitation of the living resources in Norway’s exclusive economic zone. In these two cases, the Court considered that the inflicting of sanctions (in
Steel and Others, forty-four hours’ detention pending trial and sentencing to twenty-eight days’ imprisonment for the obstruction of the hunt and seventeen hours’ detention pending trial and sentencing to seven days’ imprisonment for the protest against the construction of the motorway; in
Drieman and Others, two days’ detention on remand, fines convertible into imprisonment in case of default on payment and confiscation of a dinghy) was a reaction proportionate to, inter alia, the legitimate aim of protecting the rights and freedoms of others. The Court considers that the same conclusion should a fortiori be reached in the present case, where the actions of the demonstrators had not been directly aimed at an activity of which they disapproved, but at the physical blocking of another activity (the use of highways by goods vehicles and private cars) which had no direct connection with the object of their protest, namely the government’s alleged lack of action vis-à-vis the decrease in the prices of some agricultural products.
Lucas(cited above), where the applicant blocked a public road in order to protest against the retention of a nuclear submarine, and
Barraco(cited above), concerning the applicant’s participation in a form of protest resulting in a severe slowing-down of the flow of traffic. As in
Steel and Othersand
Drieman and Others(both cited above), the Court found that the sanctions imposed on the applicants (four hours’ detention in a police van and a fine of 150 pounds sterling in Lucas, and a three-month suspended prison sentence and a fine of 1,500 euros in
Barraco) were “necessary in a democratic society” within the meaning of Article 11 § 2 of the Convention. The Court further notes that in
Barracothe disruption to traffic lasted only five hours (as opposed to more than forty-eight hours in the present case) and that only one highway (as opposed to three) had been affected.
As can be seen from the above case-law, the intentional serious disruption, by demonstrators, to ordinary life and to the activities lawfully carried out by others, which disruption was more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place, might be considered a “reprehensible act” within the meaning of the Court’s case-law(see paragraph 149 above). Such behaviour might therefore justify the imposition of penalties, even of a criminal nature.
Taranenko/Rusland [59] was sprake van een protestactie tegen de president van het land waarbij de receptie van een overheidsgebouw werd geblokkeerd en de demonstranten zichzelf opsloten in een kantoorruimte, alwaar ook vernielingen plaatsvonden. Dit leidde tot een overheidsoptreden waarbij de betrokkene, die zelf als standpunt innam dat zij niet deelnam aan de protestactie maar slechts de gebeurtenissen observeerde, was aangehouden en in voorarrest was geplaatst. Zij werd aanvankelijk beschuldigd van een poging tot ondermijning van de staat en veroordeeld wegens deelname aan massale wanordelijkheden tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar. Het Hof oordeelde dat zowel het verwijderen van de betrokkene uit het overheidsgebouw als de aanhouding gerechtvaardigd was (§ 79). De duur van het voorarrest en de opgelegde sanctie waren naar het oordeel van het Hof echter niet proportioneel (§ 95). In het licht van het voorgaande, kwam het Hof tot de conclusie dat de beperking niet noodzakelijk was in een democratische samenleving. [60]
De klachten in cassatie
Sergey Kuznetsov t. Rusland [66] en
Oya Ataman t. Turkije [67] en
Balҫik t. Turkije [68] . In de eerste zaak ging het om een zeer korte vermeende obstructie door enkele personen die vroeg in de ochtend voor de ingang van een gerechtsgebouw waren gaan staan. Na een verzoek daartoe door de gerechtsbode en een politieagent, hadden zij zich meteen verplaatst naar een plek op de stoep onder aan de trap. Er was niet vastgesteld dat zij de toegang tot de ingang hadden beperkt. Het Hof achtte de oplegging van een administratieve boete, hoe laag ook, niet noodzakelijk in een democratische samenleving. In de andere twee zaken was een protestmars georganiseerd tegen plannen voor bepaalde justitiële inrichtingen, zonder voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten. Ook was het plan om een
statementte maken voor de pers. De mars begon om 12.00 uur ’s middags, maar werd na een half uur beëindigd door de politie met behulp van pepperspray, nadat aan het verzoek de mars te beëindigen geen gehoor was gegeven. De betrokkenen werden aangehouden en een aantal uren opgehouden op het politiebureau. De betrokkenen dienden een klacht in over het optreden van de overheid, maar die werd niet in behandeling genomen. Het Hof overweegt hierover als volgt (onderstreping PG):
there is no evidence to suggest that the group in question represented a danger to public order, apart from possibly disrupting traffic. There were at most fifty people, who wished to draw attention to a topical issue.
The Court observes that the rally began at about 12 noon and ended with the group’s arrest within half an hour. It is particularly struck by the authorities’ impatience in seeking to end the demonstration, which was organised under the authority of the Human Rights Association.
police’s forceful interventionwas disproportionate and was not necessary for the prevention of disorder within the meaning of the second paragraph of Article 11 of the Convention.
Sergey Kuznetsov t. Ruslandniet is vastgesteld dat de rechten van anderen zijn belemmerd, terwijl de betogers zich meteen op verzoek hebben verplaatst naar een andere locatie waar zij nog steeds hun rechten konden uitoefenen. In de andere twee zaken ging het om ‘forceful’ ingrijpen door de politie in een vreedzame protestmars.