ECLI:NL:PHR:2023:767

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2023
Publicatiedatum
4 september 2023
Zaaknummer
21/03374
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 2 sub b Vreemdelingenwet 2000Art. 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 108 Vreemdelingenwet 2000Art. 10 EVRMArt. 11 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid KMar en proportionaliteit in strafzaak demonstratie in vliegtuig

De zaak betreft een verdachte die op 5 januari 2019 in een vliegtuig op Schiphol protesteerde tegen de uitzetting van een vreemdeling en weigerde te gaan zitten op aanwijzing van de Koninklijke Marechaussee (KMar). De verdachte riep andere passagiers op hetzelfde te doen, waardoor het vertrek van het vliegtuig werd belemmerd. De rechtbank sprak de verdachte vrij, maar het hof veroordeelde haar tot een voorwaardelijke geldboete.

De verdediging voerde in cassatie aan dat de KMar niet bevoegd was de aanwijzing te geven en dat de strafrechtelijke vervolging in strijd was met de rechten op vrijheid van meningsuiting en vergadering (artikelen 10 en 11 EVRM). De Procureur-Generaal betoogde dat de aanwijzingen binnen de wettelijke bevoegdheid van de KMar vielen en dat de inbreuk op de grondrechten proportioneel en noodzakelijk was.

De Hoge Raad bevestigt dat de aanwijzing om te gaan zitten binnen de reikwijdte van artikel 46 lid 2 Vreemdelingenwet Pro en artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit valt, omdat deze gericht was op het beheersbaar maken van de situatie ten behoeve van de grensbewaking en de uitzetting. De strafrechtelijke vervolging en sanctie zijn volgens de Hoge Raad proportioneel, noodzakelijk en verenigbaar met de EVRM-rechten, mede gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden.

De Hoge Raad wijst op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin wordt benadrukt dat vreedzame betogingen een grote mate van bescherming verdienen, maar dat ernstige belemmering van rechtmatige activiteiten en escalatie van wanordelijkheden tot strafrechtelijke sancties kunnen leiden. De verdachte had gelegenheid haar mening te uiten, maar haar handelen ging verder door het vertrek van het vliegtuig te belemmeren.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het vonnis van het hof, waarmee de voorwaardelijke geldboete is gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete wegens het niet opvolgen van aanwijzingen van de KMar tijdens een protest in een vliegtuig.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03374
Zitting5 september 2023
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 22 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "overtreding van een voorschrift, vastgesteld krachtens artikel 46, tweede lid, aanhef, en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
De zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte, met zaaknummer 21/03373. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink en J.R. Kramer, beiden advocaat te Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
4. De door het hof vastgestelde (en in cassatie niet bestreden) feiten laten zich als volgt samenvatten.
5. De verdachte bevond zich op 5 januari 2019 in een zich voor vertrek klaarmakend vliegtuig op Schiphol, waarin op dat moment een vreemdeling gedwongen werd uitgezet naar Soedan. Een drietal personen, onder wie de verdachte, was het niet eens met deze uitzetting en bleef staan in het gangpad van het vliegtuig. Zij riepen dat het onacceptabel was de vreemdeling uit te zetten en dat de Nederlandse Staat zich schuldig maakte aan het uitzetten van een vreemdeling naar oorlogsgebied. Ook riepen zij andere passagiers op om te gaan staan en zich te verzetten tegen de uitzetting van de vreemdeling. Een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee heeft deze personen, onder wie de verdachte, vervolgens meermalen gevorderd te gaan zitten op hun passagiersstoel. Zij gaven hieraan geen gehoor. Hierop zijn de verdachten aangehouden en opgehouden voor verhoor.
6. Ten laste van de verdachte is vervolgens wegens het zich ‘niet houden aan een door het grensbewaking belaste ambtenaar in het kader van de uitoefening van zijn taak gegeven aanwijzing, door geen gehoor te geven aan (meerdere) vorderingen op de stoel plaats te nemen’ een strafbeschikking van € 380,00 uitgevaardigd. De verdachte is hiertegen in verzet gegaan bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft de strafbeschikking vernietigd en de verdachte vrijgesproken, kort gezegd omdat naar diens oordeel geen sprake was van een aanwijzing van het lid van de Koninklijke Marechaussee als bedoeld in de wet, omdat deze niet viel binnen de hem op grond van de Vreemdelingenwet 2000 toegekende aanwijzingsbevoegdheid met het oog op de ‘controle met betrekking tot de grensbewaking’. Het Openbaar Ministerie is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Het hof heeft de verdachte wel veroordeeld, tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00 met een proeftijd van twee jaren.
7. In feitelijke aanleg is betoogd (i) dat geen sprake was van een ‘aanwijzing’ als bedoeld in de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit en (ii) dat de aanhouding, ophouding voor verhoor en veroordeling en sanctionering een ontoelaatbare inbreuk vormden op het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM Pro) en betoging (artikel 11 EVRM Pro). Beide verweren zijn door het hof verworpen. In cassatie wordt daartegen opgekomen.
Het eerste middel
8. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring en houdt in dat het oordeel van het hof dat de Koninklijke Marechaussee bevoegd was om de verdachte de aanwijzing te geven plaats te nemen op haar stoel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
9. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 5 januari 2019, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl zij zich bevond op of nabij een plaats waar een grensdoorlaatpost was gevestigd, zich niet heeft gehouden aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen, immers is aan verdachte meerdere malen gevorderd dat zij op een stoel plaats moest nemen en heeft zij, verdachte, hieraan geen gehoor gegeven.”
10. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnotities. Deze houden – voor zover van belang – in dat het volgende verweer is gevoerd (met weglating van voetnoten):
“Vrijspraak: aanwijzingen Kmar vallen buiten reikwijdte art. 4.6 Vreemdelingenbesluit jo. 46 Vreemdelingenwet
7. In eerste aanleg heb ik aan de hand van de wetsgeschiedenis toegelicht waarom het niet opvolgen door cliënten van de door de Kmar gegeven aanwijzing buiten de reikwijdte valt van art. 4.6 Vb.
8. Deze bepaling luidt als volgt: “Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.” (onderstreping, KZ)
9. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 46 lid 2 van Pro de Vreemdelingenwet. Die luidt, voor zover relevant, als volgt: “(2) Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: (...) b. de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking." (onderstreping, KZ)
10. Deze bepaling delegeert de bevoegdheid om (bij AMvB) verplichtingen te scheppen “waaraan personen zijn onderworpen”, maar beperkt deze bevoegdheid tegelijkertijd tot verplichtingen die nodig zijn “met het oog op controle in het belang van de grensbewaking” (onderstreping, KZ).
11. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de invoering van de voorgangers van artikel 46 Vw Pro en 4.6 Vb, slechts beperkte mogelijkheden werden voorzien voor het opleggen van verplichtingen aan Nederlandse staatsburgers in het kader van de grensbewaking.
12. In de Nota van Toelichting bij het Vb 1966 is daarover het volgende opgenomen:
“Uitgaande van de gedachte dat Nederlanders in beginsel slechts aan speciale verplichtingen met oog op de grensbewaking dienen te zijn onderworpen, voor zover zulks voor de controle op vreemdelingen onontbeerlijk is, is de thans voor Nederlanders bestaande verplichting om via doorlaatposten in en uit te reizen en om bij uitreis steeds een geldig grensoverschrijdingsdocument bij zich te dragen (
artikelen 2 en 6 van het Bewakingsvoorschrift 1946, Sterf. 63) niet in het ontwerp overgenomen. Wel is in artikel 25 voorzien Pro in een verplichting voor Nederlanders om bij het binnenkomen of verlaten van Nederland
desgevraagdaan een met de grensbewaking belaste ambtenaar de in hun bezit zijnde reis- en identiteitspapieren te vertonen en, indien hun Nederlanderschap daaruit niet voldoende blijkt, op andere wijze aannemelijk te maken dat zij Nederlander zijn. Andere verplichtingen, welke in het belang van de controle op vreemdelingen mede voor Nederlanders dienen te gelden, zijn opgenomen in de ontworpen artikelen 24 en 26—30.”
13. Ik wijs in het bijzonder op de eerste zin van dit citaat, waarin wordt benadrukt dat Nederlanders in beginsel slechts aan speciale verplichtingen worden onderworpen met het oog op de grensbewaking, “
voor zover zulks voor de controle op vreemdelingen onontbeerlijk is”.
14. De bevoegdheid tot het scheppen van verplichtingen voor Nederlanders bij AMvB is, vermoedelijk om die reden, in artikel 3.1 Vw 1966 al beperkt tot verplichtingen “
met het oog op controle in het belang van de grensbewaking”. Deze beperking uit art. 3.1 Vw 1966 is in artikel 46 van Pro de huidige Vreemdelingenwet onverkort gehandhaafd.
15. In de aanvullende appelschriftuur wijst de officier van justitie op artikel 65 van Pro de Vw (huidig), kennelijk als grondslag voor de aanwijzingen die de leden van de Kmar gaven aan cliënten. Volgens deze bepaling kan de uitzetting van een vreemdeling per vliegtuig worden uitgevoerd (lid 1) en zijn gezagvoerders van een vliegtuig waarmee zo’n uitzetting wordt uitgevoerd, verplicht daaraan alle medewerking te verlenen “
die de ambtenaar belast met de grensbewaking redelijkerwijs kan vorderen” (lid 3). Artikel 65 Vw Pro richt zich echter tot gezagvoerders van een vliegtuig en creëert nadrukkelijk geen verplichtingen voor anderen ten aanzien van medewerking aan een uitzetting. Er bestaat geen verband tussen artikel 65 Vw Pro en artikel 4.6 Vb, terwijl aan cliënten overtreding van deze laatste bepaling is tenlastegelegd. Artikel 4.6 Vb verplicht burgers inderdaad om aanwijzingen op te volgen van ambtenaren belast met grensbewaking, maar slechts voor zover die aanwijzingen gegeven worden in het kader van de uitoefening van hun taak. Het doel van deze taakuitoefening is daarin leidend en beperkend, wat betreft het soort aanwijzingen dat gegeven kan worden. En de delegatiebepaling, art. 46 Vw Pro, waarop deze aanwijzingsbevoegdheid is gebaseerd formuleert het doel van deze taakuitoefening als volgt: controle in het belang van de grensbewaking.
16. Het feit dat de officier van justitie niet artikel 46, maar artikel 65 Vw Pro aanhaalt, biedt daarom juist steun aan de stelling van de verdediging dat de aanwijzing die de Kmar gaf aan cliënten, buiten de reikwijdte valt van artikel 46 Vw Pro en artikel 4.6 Vb. De officier van justitie concludeert in haar appelschriftuur dat uit artikel 65 Vw Pro volgt dat een uitzetting niet moet kunnen worden belemmerd door passagiers van een vliegtuig. Artikel 65 rept Pro echter niet over het voorkomen van belemmering van uitzettingen. Maar zelfs uitgaande van de juistheid van de stelling dat burgers uitzettingen niet zouden mogen belemmeren, betekent dat nog niet dat een poging een uitzetting te belemmeren (voor zover daar al sprake van was in deze zaak) kwalificeert als een strafbare overtreding van artikel 4.6 Vb.
17. De vraag naar de bevoegdheid van de Kmar om de Vreemdelingenwet te handhaven, dient te worden onderscheiden van de vraag naar de strafbaarheid van het handelen van cliënten. Voor de beantwoording van deze laatste vraag dient enkel te worden gekeken naar het tenlastegelegde artikel 4.6 Vb, en naar artikel 46 Vw Pro, dat de grondslag biedt voor de in artikel 4.6 geformuleerde aanwijzingsbevoegdheid. Nu artikel 46 Vw Pro het doel waarvoor verplichtingen kunnen worden opgelegd aan burgers expliciet beperkt, is het niet-opvolgen van aanwijzingen die buiten dit doel vallen, niet strafbaar o.g.v. artikel 4.6 Vb.
18. Ambtenaren belast met grensbewaking hebben geen onbeperkte bevoegdheid om een ieder – inclusief staatsburgers – aanwijzingen te geven voor zover zij dat nodig achten. De aanwijzingsbevoegdheid uit artikel 4.6 Vb mag enkel worden uitgeoefend met het oog op controle in het belang van de grensbewaking. Alleen als de aanwijzingen van de Kmar binnen deze reikwijdte vallen, mogen zij die geven en kan het niet opvolgen van een dergelijke aanwijzing strafbaar zijn op grond van artikel 4.6 Vb.
19. De aanwijzing van de Kmar aan cliënten om op hun stoel plaats te nemen, was niet gericht op controle in het belang van de grensbewaking, maar op het uitvoeren van een uitzetting. Deze aanwijzing valt daarom buiten de reikwijdte van de artikel 46 Vw Pro en 4.6 Vb. Cliënten dienen daarom te worden vrijgesproken.
20. Ten overvloede merk ik op dat deze opvatting nader steun vindt in de wetsgeschiedenis. Uit de nota van toelichting op Artikel 24 Vb Pro 1966 (huidig artikel 4.6 Vb), blijkt namelijk dat het doel van deze bepaling was om de kring van personen aan wie aanwijzingen gegeven kunnen worden, uit te breiden van grenspasssanten, naar een ieder die zich ophoudt nabij een doorlaatpost. Ik citeer de Nota van Toelichting:
“Artikel 24. Dit artikel is niet alleen van toepassing op grenspassanten, doch aan de hand hiervan kan ook worden opgetreden jegens personen die zich, zonder Nederland in of uit te reizen, op voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost zouden ophouden.”
Waar de rest van de in de titel opgenomen verplichtingen zich enkel richt tot grenspassanten, schept deze bepaling een bredere bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan anderen. Maar niet blijkt dat het doel waarvoor aanwijzingen mogen worden gegeven, wordt uitgebreid. Het beperkte doel waarvoor uit hoofde van deze bepaling verplichtingen mogen worden opgelegd aan personen, blijft beperkt door de delegatiebepaling - artikel 3.1 Vw 1966 en 46 Vw - namelijk alleen voor verplichtingen
ter controle in het kader van de grensbewaking.”
11. Het bestreden arrest houdt – voor zover van belang – als reactie op het gevoerde verweer het volgende in:

Bewijsmotivering
Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. (…) Subsidiair vielen de aanwijzingen van de escortcommandant van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) niet binnen de hem toegekende aanwijzingsbevoegdheid met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking.
Oordeel van het hof
(…)
Ten aanzien van het subsidiaire verweer strekkende tot vrijspraak zijn de volgende bepalingen van belang:
Artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), bepaalt: ‘Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking..’
Op basis van artikel 46, tweede lid is, voor zover van belang, in het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) opgenomen:
Artikel 4.1:
‘1. Grensbewaking als bedoeld in artikel 46 van Pro de Wet wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en uitreizen van personen via een buitengrens.
2. Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit Nederland bestemd is.’
Artikel 4.6: ‘Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.’
De verdediging stelt dat de vorderingen van de KMar aan de verdachte, inhoudende dat zij moest gaan zitten, niet waren gericht op controle in het belang van de grensbewaking, maar op het onbelemmerd uitvoeren van een uitzetting. Naar het oordeel van het hof gaat de verdediging daarmee uit van een onjuiste interpretatie van de zinsnede 'controle in het belang van de grensbewaking’. Voorop staat dat de Kmar belast is met de opsporing van strafbare feiten op Schiphol, zijnde een grensdoorlaatpost als genoemd in artikel 4.6 Vb. Verder geldt op basis van het hiervoor vermelde artikel 4.1, lid 2, Vb dat sprake was van uitreizen nu de verdachte zich aan boord bevond van een luchtvaartuig dat zou vertrekken naar Kenia. De Kmar, belast met grensbewaking op Schiphol, was daarom bevoegd de verdachte aanwijzingen te geven in het kader van de uitoefening van haar taak.
Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat de KMar zich in de onderhavige zaak niet bezighield met ‘controle’, wordt overwogen dat ook dit betoog niet kan slagen. Artikel 46, lid 2 Vw geeft de bevoegdheid om regels te stellen over verplichtingen waaraan personen moeten voldoen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheden van de Kmar op Schiphol beperkt zijn tot ‘controle’. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat hiermee wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking. De aanwijzingen van de KMar in de onderhavige zaak vallen daarom binnen de hiervoor beschreven reikwijdte van artikel 46, lid 2 Vw en het daarop gebaseerde artikel 4.6 Vb, zodat het verweer van de verdediging wordt verworpen.”
12. Het middel valt in drie deelklachten uiteen.
13. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de Koninklijke Marechaussee bevoegd was de aanwijzing te geven onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de nota van toelichting op artikel 24 Vb Pro 1966 (de voorloper van art. 4.6 Vb 2000) volgt dat de Koninklijke Marechaussee alleen aanwijzingen kan geven in het kader van
de controleop vreemdelingen. De vordering van de Koninklijke Marechaussee om te gaan zitten op een stoel in een vliegtuig in verband met de uitzetting van een vreemdeling, is volgens de stellers van het middel niet als zodanig aan te merken.
14. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat uit artikel 46, tweede lid, Vw 2000 niet kan worden afgeleid dat de bevoegdheden van de Koninklijke Marechaussee zijn beperkt tot controle onjuist dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. Daaraan wordt ten grondslag gelegd dat uit de tekst van deze bepaling niet anders kan worden afgeleid dan dat bij AMVB regels worden gesteld met slechts het oog op ‘de controle’. Daarnaast wordt aangevoerd dat de nota van toelichting bij artikel 24 Vb Pro 1966 inhoudt dat de verplichtingen waaraan Nederlanders op grond van deze bepalingen kunnen worden onderworpen, slechts gelden in het kader van ‘de controle’ op vreemdelingen.
15. De derde klacht komt erop neer dat het oordeel van het hof dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat met de verplichtingen waaraan personen kunnen worden onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Hierbij wordt betoogd dat er geen valide aanknopingspunten zijn voor een dergelijke ruime interpretatie van de wet.
16. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
17. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
Artikel 108, eerste en derde lid, Vreemdelingenwet (Vw) 2000, voor zover van belang:
Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft overtreding van bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften vastgesteld bij of krachtens de Schengengrenscode, overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens de artikelen (…) 46, tweede lid, aanhef, en onder b, (…).
3. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
Artikel 46 Vw Pro 2000:
1. Met het toezicht op de naleving en de uitvoering van de Schengengrenscode en de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking zijn belast:
a. de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee;(…)
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:(…)
b. de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking.
Artikel 4.1 Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000:
Grensbewaking als bedoeld in artikel 46 van Pro de Wet wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en uitreizen van personen via een buitengrens.
Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit Nederland bestemd is.
Artikel 4.6 Vb 2000:
Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.
18. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat zij, terwijl zij zich bevond op of nabij een plaats waar een grensdoorlaatpost was gevestigd, zich niet heeft gehouden aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen door geen gehoor te geven aan de vorderingen dat zij op een stoel plaats moest nemen. Het middel stelt de vraag aan de orde of de betrokken ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee in het kader van hun taakuitoefening bevoegd waren tot het geven van een dergelijke aanwijzing. Als dat antwoord ontkennend luidt, zou de verdachte moeten worden vrijgesproken.
19. Artikel 108, eerste lid, Vw 2000 bepaalt dat strafbaar is overtreding van een voorschrift krachtens artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, Vw 2000. De laatstgenoemde bepaling houdt in dat bij AMVB regels worden gesteld omtrent de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen ‘met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking’. De artikelen 4.1 en 4.6 Vb 2000 komen erop neer dat een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, zich houdt aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen en dat grensbewaking wordt uitgeoefend met het oog op het in- en uitreizen van Nederland.
20. Voor een goed begrip van de achtergrond van de relevante bepalingen, is het van belang de wetsgeschiedenis kort toe te lichten.
21. De voorloper van artikel 108 Vw Pro 2000 is te vinden in artikel 44 Vw Pro 1966; de voorloper van artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in artikel 3, eerste lid, onder b, Vw 1966. [1] De wet van 1966 strekte mede ter vervanging van de Wet van 10 januari 1920,
Stb. 11 houdende nadere voorzieningen betreffende de grensbewaking. In deze wet staat in artikel 2: “Onze Minister van Justitie is bevoegd, in het belang van de grensbewaking, den toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van de bewakingsgebieden te regelen” en in artikel 3: “Overtreding van eene regeling, door Onzen Minister van Justitie krachtens artikel 2 vastgesteld Pro, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste honderd gulden.” Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in het Bewakingsvoorschrift van 11 februari 1920. [2] Artikel 10 van Pro dit Bewakingsvoorschrift van 1920 hield het volgende in:
“Artikel 10. Nederlanders, die trachten van uit het bewakingsgebied over de grenzen te gaan, moeten hun paspoorten en andere bescheiden, die zij bij zich dragen, die omtrent hunne identiteit licht kunnen verschaffen, aan de met de grensbewaking belaste personen vertoonen, indien zulks door dezen mocht worden gevorderd.”
22. Het Bewakingsvoorschrift is vervangen door de Bewakingsvoorschriften van 1939 [3] en 1946. [4] In 1939 hield artikel 15 van Pro het Bewakingsvoorschrift in:
“Nederlanders, die zich van uit het bewakingsgebied buitenslands begeven, zijn gehouden op eerste vordering van een met de politiaire grensbewaking belast ambtenaar hun identiteitspapieren te vertoonen.”
23. In 1946 is deze bepaling verplaatst naar artikel 19 en Pro inhoudelijk niet gewijzigd.
24. Het Bewakingsvoorschrift is nadien opgenomen in de regelgeving ter uitvoering van de Vreemdelingenwet 1966. De memorie van toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Vw 1966 [5] houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Het ontwerp strekt mede tot vervanging van de reeds genoemde wet van 1920, betreffende de grensbewaking. Hoewel de bevoegdheden tot controle aan de grens en de daarmede samenhangende verplichtingen (aanmelden bij een doorlaatpost, vertonen van reispapieren e.d.) ook op Nederlanders betrekking hebben, leek het toch, gezien het nauwe verband met de toelating van vreemdelingen, het eenvoudigst en meest overzichtelijk de enkele bepalingen die hiervoor nodig zijn in dit ontwerp op te nemen. (Vgl. de artikelen 3, 6, 7 en 44).
(…)
Artikel 3. (…) De verplichtingen bij grenscontrole (melden bij een doorIaatpost, vertonen van identiteitspapieren, verstrekken van inlichtingen e.d.) moeten uiteraard mede voor Nederlanders gelden; vandaar dat hier algemeen van „personen" wordt gesproken.”
25. De voorloper van artikel 4.1 Vw 2000 is artikel 19 Vb Pro 1966; die van 4.6 Vw 2000 is artikel 24 Vb Pro 1966. [6] De nota van toelichting [7] houdt over deze bepalingen, voor zover van belang, het volgende in:
“De bepalingen van dit hoofdstuk strekken tot uitvoering van artikel 3, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Artikel 19 van Pro het ontwerpbesluit geeft onder meer aan op welk doel de uitoefening van de grensbewaking is gericht. (…) Voorts hebben de ontworpen artikelen 22—32 betrekking op verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen; door deze bepalingen wordt uitvoering gegeven aan artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet. (…)
Aangezien, zoals hierboven betoogd, de inhoud van de ontworpen artikelen voor een belangrijk deel bepaald wordt door uit overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen, welke ook thans reeds voor Nederland gelden, wijken de in het ontwerp opgenomen bepalingen op het stuk van de grensbewaking — behoudens twee hieronder te vermelden uitzonderingen — slechts op enkele detailpunten van technische aard af van de momenteel geldende voorschriften, vastgesteld krachtens de wet van 10 januari 1920 (
Stb. 11) houdende nadere voorzieningen betreffende de grensbewaking, welke bij artikel 47 van Pro de Vreemdelingenwet wordt ingetrokken. (…)
In artikel 19, eerste lid, van het ontwerp is dan ook volstaan met het geven van een functionele omschrijving van de grensbewaking, waarbij het essentiële element is, dat er voor de uitoefening van de grensbewakingstaak steeds een relatie moet zijn met het Nederland in- of uitreizen van personen.
Uitgaande van de gedachte dat Nederlanders in beginsel slechts aan speciale verplichtingen met het oog op de grensbewaking dienen te zijn onderworpen, voor zover zulks voor de controle op vreemdelingen onontbeerlijk is, is de thans voor Nederlanders bestaande verplichting om via doorlaatposten in en uit te reizen en om bij uitreis steeds een geldig grensoverschrijdingsdocument bij zich te dragen (artikelen 2 en 6 van het Bewakingsvoorschrift 1946, Stcrt. 63) niet in het ontwerp overgenomen. Wel is in artikel 25 voorzien Pro in een verplichting voor Nederlanders om bij het binnenkomen of verlaten van Nederland desgevraagd aan een met de grensbewaking belaste ambtenaar de in hun bezit zijnde reis- en identiteitspapieren te vertonen en, indien hun Nederlanderschap daaruit niet voldoende blijkt, op andere wijze aannemelijk te maken dat zij Nederlander zijn. Andere verplichtingen, welke in het belang van de controle op vreemdelingen mede voor Nederlanders dienen te gelden, zijn opgenomen in de ontworpen artikelen 24 en 26—30.
In het algemeen is er bij het opstellen van de ontworpen artikelen naar gestreefd om, rekening houdende met de eisen welke — mede ter voldoening aan internationale verplichtingen — aan een doelmatige grenscontrole moeten worden gesteld, de verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen tot een noodzakelijk minimum te beperken en — waar mogelijk — faciliteiten te verlenen ter bevordering van een soepele en vlotte gang van zaken bij de uitoefening der controle.
Toelichting op de artikelen
Na hetgeen in het algemeen gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk is opgemerkt, meent de ondergetekende met een summiere toelichting op de onderscheidene artikelen, die overwegend van technische aard zijn, te kunnen volstaan.
Artikel 19. De gegeven omschrijving bevat drie elementen. In de eerste plaats moet grensbewaking, wat de materiële inhoud betreft, strekken ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet. In de tweede plaats laat de gegeven omschrijving de mogelijkheid open om grensbewakingscontrole uit te oefenen niet alleen ten aanzien van vreemdelingen maar ook op Nederlanders. Tenslotte moet de uitoefening van de controle rechtstreeks verband houden met het in- en uitreizen van personen. Volgens het ontwerp-artikel wordt de grensbewaking uitgeoefend „met het oog op” het Nederland in- en uitreizen van personen. Deze omschrijving heeft de strekking om buiten twijfel te stellen dat grensbewakingscontrole ook kan worden uitgeoefend ten aanzien van personen van wie niet vaststaat of zij Nederland in- of uitreizen doch ten aanzien van wie hiervan wel het vermoeden bestaat; dit vermoeden kan bijvoorbeeld gegrond zijn op de wijze waarop of de omstandigheden waaronder deze personen zich in het grensgebied ophouden. Het tweede lid geeft een voor een richtige uitoefening van de grensbewakingstaak noodzakelijke uitbreiding aan het begrip uitreizen.
(…)
Artikel 24. Dit artikel is niet alleen van toepassing op grenspassanten, doch aan de hand hiervan kan ook worden opgetreden jegens personen die zich, zonder Nederland in of uit te reizen, op voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost zouden ophouden.”
26. Niet bestreden is dat de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee als zodanig met grensbewaking waren belast. De uitzetting moet in dat kader worden bezien. Evenmin is bestreden dat Schiphol als grensdoorlaatpost moet worden aangemerkt. [8] Op grond van art. 4.6 Vb 2000 dient een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd zich te houden aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen. De aanwijzing aan verdachte om te gaan zitten moet worden bezien met het oog op het belang in het kader van de grensbewaking de uitzetting te kunnen effectueren. Daarmee valt de gegeven aanwijzing binnen het bereik van art. 4.6 Vb 2000.
27. Het middel berust op een restrictieve uitleg van art. 4.6 Vb 2000, waarbij de reikwijdte van de bepaling is beperkt tot aanwijzingen in het kader van de reguliere grenscontrole bij doorlaatposten. Ik deel deze uitleg niet.
28. Voor een wetshistorische uitleg moet worden aangesloten bij de parlementaire behandeling van de Vw en het Vb van 1966. Tijdens de invoering van de Vw 1966 is primair aandacht besteed aan ‘reguliere’ verplichtingen bij een doorlaatpost, zoals het melden bij een doorIaatpost, het vertonen van identiteitspapieren en het verstrekken van inlichtingen. Daar staat tegenover dat in de toelichting bij artikel 24 Vb Pro 1966 (thans art. 4.6 Vb 2000) in algemene termen is opgemerkt dat dit artikel niet alleen van toepassing is op grenspassanten, maar dat aan de hand hiervan ook kan worden opgetreden jegens personen “die zich, zonder Nederland in of uit te reizen, op voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost zouden ophouden”. Uit de geciteerde passage wordt duidelijk dat aanwijzingen ook betrekking kunnen hebben op personen die zich op voor de uitoefening van bevoegdheden door ambtenaren belast met de grensbewaking, waartoe de uitoefening van de bevoegdheid tot uitzetting behoort, hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost ophouden. Een redelijke uitleg van de wet brengt mee dat dergelijke aanwijzingen ook kunnen strekken ter voorkoming dat personen verhinderen dat de ambtenaren met grensbewaking belast de uitzetting van een vreemdeling effectueren, waardoor ook de controle op het daadwerkelijk verlaten van Nederland wordt belemmerd.
29. Het hof heeft geoordeeld dat de Koninklijke Marechaussee bevoegd was de aanwijzing om te gaan zitten in het vliegtuig te geven, omdat sprake was van grensbewaking in de zin van uitreizen op een grensdoorlaatpost. Daarbij heeft het hof overwogen dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat met de verplichtingen waaraan personen kunnen worden onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking. Het hof oordeelt dat de aanwijzingen van de Koninklijke Marechaussee in de omstandigheden van het geval vallen binnen de reikwijdte van artikel 46 lid 2 Vw Pro 2000. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
30. Het middel faalt.
Het tweede middel
31. Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM Pro) en op betoging (artikel 11 EVRM Pro) noodzakelijk was in een democratische samenleving en in verhouding stond tot het gediende doel onbegrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd.
32. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnotities. Deze houden – voor zover van belang – in dat is bepleit dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat een veroordeling van de verdachte strijdig zou zijn met het recht op vrijheid van meningsuiting en de vergadervrijheid, zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM. Volgens de verdediging zijn een vervolging en veroordeling niet noodzakelijk in een democratische samenleving. Daartoe werd opgemerkt dat het ging om een vreedzaam, geweldloos protest van zeer korte duur dat geen schade of wanorde heeft aangericht of inbreuk heeft gemaakt op rechten van de vliegmaatschappij, het cabinepersoneel of andere passagiers. Ook was er (nog) geen dringende noodzaak de verdachten te verwijderen, omdat het vliegtuig op dat moment nog niet op het punt van vertrekken stond. De gevolgen van het optreden van de Koninklijke Marechaussee waren voor de verdachte verstrekkend, aldus de verdediging: zij is op gewelddadige wijze uit het vliegtuig verwijderd, heeft haar vlucht gemist en heeft bijna vier uur in een politiecel verbleven. Strafrechtelijke veroordeling en bestraffing zouden volgens de verdediging disproportioneel zijn.
33. Het hof heeft in het bestreden arrest als volgt gerespondeerd op het hiervoor samengevatte verweer:

“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep beargumenteerd dat de verdachte door te worden verwijderd uit het vliegtuig, te worden opgehouden voor onderzoek en vervolgens te worden beboet, op ontoelaatbare wijze is beknot in haar recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en vereniging zoals omschreven in de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Aan die constatering wordt door de verdediging het gevolg verbonden dat artikel 4.6. Vb in het onderhavige geval via de band van artikel 94 van Pro de Grondwet buiten toepassing dient te worden gelaten, wat ertoe leidt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van het feit.
Oordeel van het hof
Juridisch kader
(…)
Uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat een beroep op een in het EVRM vervat recht volgens een bepaalde methodiek dient te worden beoordeeld. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat sprake is van een inbreuk op een recht, i.c, het recht uit artikel 10 dan Pro wel 11 van het EVRM. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de inbreuk bij wet is voorzien, een legitiem doel (zoals opgesomd in de tweede leden van de genoemde artikelen) dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Ter beantwoording van die laatste vraag dient te worden gewogen of de inbreuk voldeed aan een dringende maatschappelijke behoefte en of is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Beoordeling van het verweer
Inbreuk op het recht van vrije meningsuiting/vergadering
Beoordeeld wordt of in het onderhavige geval sprake is van een inbreuk op het aan de verdachte toekomende recht van vrijheid van meningsuiting dan wel vergadering. Het hof is van oordeel dat geen inbreuk is gemaakt op dit recht door de aanwijzingen van de KMar aan de verdachte dat zij op haar stoel moest plaatsnemen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zich wenste uit te spreken tegen de uitzetting van een vreemdeling naar Soedan, omdat zij meende dat dit land onveilig was en de uitzetting van de vreemdeling naar die regio gepaard zou gaan met een groot risico voor de veiligheid van de vreemdeling. Dit had zij kunnen doen óók indien zij gevolg had gegeven aan de aanwijzingen van de KMar. Na het plaatsnemen op een stoel kon de verdachte zich nog steeds uitspreken en haar mening geven. Voor zover het verweer luidt dat met het geven van de aanwijzingen reeds inbreuk werd gemaakt op de vrijheid van meningsuiting/vergadering, wordt het verweer verworpen.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat de genoemde rechten werden beperkt toen de verdachte fysiek uit het vliegtuig werd verwijderd en werd opgehouden voor verhoor. Het hof constateert dat die inbreuk is voorzien bij wet, te weten bij artikel 108 Vw Pro, waarin op de overtreding van voorschriften vastgesteld bij of krachtens artikel 46, tweede lid, Vw (waaronder artikel 4.6. Vb) straf is gesteld. Verder diende de inbreuk een legitiem doel, te weten het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Hierbij is van belang dat de verdachte zich ophield in een vliegtuig dat werd gereed gemaakt voor vertrek vanuit een internationale luchthaven met aan boord een vreemdeling die onder begeleiding van een viertal escorts van de KMar zou worden uitgezet. De verdachte volgde aanwijzingen van de Kmar niet op en voorkomen moest worden dat zich tijdens de vlucht ongeregeldheden zouden voordoen. De vraag die zich vervolgens aandient is of de inbreuk noodzakelijk was in een democratische samenleving. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Noodzakelijk in een democratische samenleving
Als algemeen uitgangspunt hanteert het hof dat (vreedzame) betogingen en demonstraties die tot doel hebben een discussie aan te zwengelen over bepaalde maatschappelijke of politieke vraagstukken een grote mate van bescherming verdienen (vgl. EHRM 2 januari 2002, Stankov and the United Macedonian Organisation Hinden v. Bulgaria). Verder maakt het feit dat bepaalde betogingen of demonstraties veiligheidsrisico’s met zich meebrengen niet dat elke inperking op die rechten is geoorloofd. Tot slot is van belang de vraag of een inbreuk ook proportioneel is. Bij beantwoording van de vraag of de gewraakte inbreuk proportioneel was, is onder meer van belang of de betogers/demonstranten de gelegenheid hebben gehad op vreedzame wijze te demonstreren of anderszins hun mening te uiten (vgl. EHRM 18 juni 2019, Chernega and others v. Ukraine).
Op grond van de voornoemde uitgangspunten, toegepast op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat de inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting/vergadering van de verdachte in het onderhavige geval noodzakelijk was in een democratische samenleving en bovendien de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreed. Daartoe wordt overwogen dat de verdachte gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken tegen de uitzetting van de vreemdeling. Immers verhinderde de vordering plaats te nemen op een passagiersstoel in het vliegtuig niet dat zij haar mening kon geven. Het handelen van de verdachte ging echter verder dan het geven van ruchtbaarheid aan een standpunt, nu zij, door niet te gaan zitten, het gereed maken voor vertrek van het vliegtuig belette, zodat de uitzetting (nog) niet kon worden bewerkstelligd. Dat anderen ook (nog) stonden en het vliegtuig dus sowieso niet kon vertrekken op het moment dat zij uit het vliegtuig werd verwijderd, doet daar niet aan af. Immers gaat het om de bedoeling van dat staan waarbij van belang is dat uit het proces-verbaal 5 januari 2019 van [verbalisant] volgt dat de vrouwen, waaronder de verdachte, medepassagiers opriepen ook te gaan staan. Het hof gaat ervan uit dat dit kennelijk als doel had de uitzetting te vertragen, bemoeilijken en/of voorkomen. Dat de verdachte vervolgens door de KMar is aangehouden en meegenomen, waarna zij is verhoord, is niet disproportioneel, gelet op de context waarin het voorgevallene zich afspeelde. Ook de hoogte van de aan de verdachte opgelegde strafbeschikking maakt niet dat het optreden van de Kmar niet proportioneel was.
Sinds de aanslagen op 11 september 2001 in New York en Washington zijn de beveiligingsmaatregelen die gelden op internationale luchthavens aangescherpt. Onrust op een luchthaven kan leiden tot paniek wat vervolgens gevaar voor personen en goederen kan veroorzaken, zeker als die onrust of paniek ontstaat aan boord van een vliegtuig. Daarmee strookt dat de opsporingsambtenaren van de KMar ten behoeve van de veiligheid van personen in staat zijn reeds in een vroeg stadium in te grijpen ter voorkoming van wanordelijkheden. In het onderhavige geval was een aantal ambtenaren van de KMar belast met het effectueren van een gedwongen uitzetting, waartegen de vreemdeling zich verzette. Het is van belang dat burgers in een dergelijke situatie luisteren naar en gehoor geven aan de aanwijzingen die de KMar geeft ter beheersing van de situatie zodat escalatie kan worden voorkomen en ieders veiligheid kan worden gewaarborgd. Gelet daarop is ook niet onredelijk dat de verdachte, toen zij weigerde te gaan zitten, is verwijderd uit het vliegtuig en gedurende ongeveer vier uur is vastgehouden voor verhoor. In het kader van een zorgvuldige taakuitoefening diende de KMar immers te beoordelen in hoeverre de acties van verdachte onderdeel uitmaakten van een georganiseerde actie, zodat een inschatting kon worden gemaakt van de eventuele veiligheidsrisico’s tijdens de vlucht. Dat dit laatste een doel van het uitgevoerde onderzoek was, volgt ook uit de vragen die blijkens het proces-verbaal van verhoor van 5 januari 2019 aan de verdachte zijn gesteld.
Conclusie
Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat de onderhavige inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering van de verdachte noodzakelijk was in een democratische samenleving en bovendien in verhouding stond tot het gediende doel. Het verweer wordt verworpen. Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van liet bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
(…)

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300 subsidiair 6 dagen hechtenis.
De verdediging heeft het hof verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte een betrokken burger is die haar mening over de uitzetting van vreemdelingen naar Soedan wenste te uiten en dat geen sprake was van baldadigheid. Verder zou het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden, nu het openbaar ministerie geen strafvervolging heeft ingesteld tegen een medeverdachte wiens situatie identiek was aan die van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft aan boord van een vliegtuig waarin zich een vreemdeling bevond die gedwongen werd uitgezet, geweigerd te voldoen aan aanwijzingen van de KMar. Daardoor heeft zij onrust veroorzaakt bij personen die zich aan boord van het vliegtuig bevonden. De verdachte stopte niet met haar handelen waardoor gedwongen verwijdering uit het vliegtuig noodzakelijk was om een veilige vlucht te kunnen waarborgen. Dit neemt het hof de verdachte kwalijk.
Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is in het onderhavige geval geen sprake, nu het openbaar ministerie de redenen voor de seponering van de op de zaak van de verdachte gelijkende zaak reeds ter terechtzitting in eerste aanleg heeft toegelicht en daaruit volgde dat het dossier in die zaak niet compleet was. Voor zover de verdediging heeft bepleit dat deze omstandigheid in strafmatigende zin moet meewegen, wordt dat verweer verworpen.
Gelet op alle omstandigheden van het geval, en het feit dat de verdachte met haar handelen bedoelde bij te dragen aan een maatschappelijk debat, acht het hof een onvoorwaardelijke strafoplegging, niet passend. Wel zal het hof overgaan tot de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden in het vervolg opnieuw dergelijke feiten te plegen.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.”
Het juridisch kader
34. Artikel 10 EVRM Pro luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
35. Artikel 11 EVRM Pro luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
36. Artikel 10 EVRM Pro strekt ter bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting en “constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and for the development of every man.” [9] Het EHRM benadrukt dat “all means of expression are included in the ambit of Article 10”. [10] Om te beoordelen of een gedraging onder de bescherming van artikel 10 EVRM Pro valt, legt het EHRM, in de woorden van AG Hofstee [11] , zowel een objectieve als een subjectieve toets aan: “An assessment must be made of the nature of the act or conduct in question, in particular of its expressive character seen from an objective point of view, as well as of the purpose or the intention of the person performing the act or carrying out the conduct in question”. [12] Voorbeelden van gedragingen die in dit verband onder artikel 10 EVRM Pro vielen zijn het uitdelen van folders en omhoog houden van spandoeken [13] , het met verf besmeuren [14] of aankleden [15] van een standbeeld en het bakken van een ei op een ‘eternal flame’ van een herdenkingsmonument [16] . Ook gedragingen “that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote” en “those that offend, shock or disturb” vallen onder het bereik van deze bepaling. [17]
37. Artikel 11 EVRM Pro waarborgt het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging (betoging). Ook de vergadervrijheid moet worden beschouwd als een van de fundamenten van een democratische samenleving en daarom mag dit recht volgens het Hof niet restrictief worden geïnterpreteerd. [18] Onder de reikwijdte van deze bepaling vallen allerhande samenkomsten: privaat en publiek, statisch en dynamisch, politiek en niet-politiek. [19] Een duidelijk voorbeeld is een georganiseerde vreedzame demonstratie of protestmars, al is de bescherming van artikel 11 EVRM Pro daartoe niet beperkt. [20] Blokkadeacties vormen volgens het EHRM niet de kern van de vergadervrijheid, maar kunnen daar wel onder vallen. [21] Van belang is dat het niet slechts gaat om de uiting van een persoonlijke opvatting, maar om het doelbewust gezamenlijk uitbrengen daarvan (‘to do so together with others’). [22] Solo demonstraties vallen om die reden niet onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM Pro, maar wel onder die van artikel 10 EVRM Pro. [23] De vergadervrijheid omvat ook het recht op vrije keuze van de tijd, plaats en wijze van de samenkomst, binnen de grenzen van het tweede lid van artikel 11 EVRM Pro. [24] Een belangrijke begrenzing is dat artikel 11 EVRM Pro alleen het recht op vreedzame vergaderingen (‘peaceful assembly’) beschermt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat de notie van ‘peaceful assembly’ niet demonstraties die worden gehouden met ‘violent intentions’. Een samenkomst “where the organisers and participants have such intentions, incite violence or otherwise reject the foundations of a democratic society”, wordt niet beschermd door artikel 11 EVRM Pro. [25] De enkele omstandigheid dat er een risico bestaat op ongeregeldheden tijdens een betoging betekent echter niet dat aan die betoging de bescherming van artikel 11 EVRM Pro komt te ontvallen. [26] Dat is evenmin het geval als enkele deelnemers aan de demonstratie gewelddadige intenties hebben of als er ‘marginal or sporadic’ gewelddadig of ander strafbaar gedrag wordt vertoond. [27] Ook voor artikel 11 EVRM Pro geldt dat demonstraties “that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote” en “those that offend, shock or disturb” bescherming genieten. [28]
38. Vaak wordt gelijktijdig een beroep gedaan op de artikelen 10 en 11 EVRM, omdat de rechten sterk met elkaar zijn verweven. Welke bepaling centraal staat, hangt af van de omstandigheden van het geval. [29] De ene bepaling wordt veelal in het licht van de andere bepaling bezien. Het Hof ziet het recht op vrijheid van vergadering in het licht van de vrijheid van meningsuiting, “where the aim of the exercise of freedom of assembly is the expression of personal opinions”. [30] Artikel 11 EVRM Pro wordt vaak gezien als een lex specialis van artikel 10 EVRM Pro. [31]
39. Het recht op vrijheid van meningsuiting en het echt op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging zijn geen van beide absoluut en zijn dus onderworpen aan mogelijke beperkingen. [32] Een beperking (“restriction” of “interference”) kan bestaan uit maatregelen die niet alleen voor of tijdens een samenkomst zijn genomen, maar kan ook maatregelen behelzen die dateren van na de beëindiging van de samenkomst. [33] Een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vergadervrijheid kan bijvoorbeeld zijn: een verbod tot deelname aan een protest, een reisverbod, iemand doen verwijderen uit een ruimte, de beëindiging van een demonstratie, een arrestatie, voorarrest, een sanctie (administratief, disciplinair en/of strafrechtelijk) en/of detentie wegens het uiten van persoonlijke opvattingen en/of deelnemen aan een demonstratie. [34]
40. Het Hof legt bij de beoordeling of een beperking van de rechten als gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 EVRM toelaatbaar was de toets aan of (i) de beperking was voorzien bij de wet, (ii) een gerechtvaardigd doel diende en (ii) noodzakelijk was in een democratische samenleving. [35] In aansluiting daarop houdt de vaste rechtspraak van de Hoge Raad in dat de in artikel 10 en Pro artikel 11 EVRM Pro gegarandeerde rechten op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering en betoging aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg staan als de veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en Pro artikel 11 lid 2 EVRM Pro toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van die vrijheden vormt. [36]
41. Voor de eerste stap is vereist dat er een wettelijke basis is van voldoende kwaliteit ten aanzien van toegankelijkheid en voorzienbaarheid van de gevolgen. [37] Bij de tweede stap kan als gerechtvaardigd doel bijvoorbeeld worden gedacht aan het voorkomen van wanorde of het beschermen van de rechten van anderen. [38]
42. Bij de derde stap van een noodzakelijke [39] beperking in een democratische samenleving stelt het Hof voorop dat de staten een ‘certain’ maar ‘not unlimited’ margin of appreciation genieten en dat het aan het Hof is om een eindoordeel te geven over de verenigbaarheid van de beperking met de bepalingen van het EVRM. Het Hof beziet de bestreden beperking ‘in the light of the case as a whole’. [40] Bij deze stap vereist het Hof dat de beperking aan een “pressing social need” beantwoordde en toetst het Hof in het bijzonder “whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were relevant and sufficient”. [41] Bij deze proportionaliteitseis moet een evenwicht worden gevonden tussen het beschermde recht enerzijds en andere belangen, waaronder de bescherming van andermans rechten, anderzijds. Zo weegt bij de beoordeling van een beperking van een protest in een privaat gebouw ook het eigendomsrecht van de andere partij mee. [42] Iedere demonstratie in een publieke ruimte kan een zekere mate van ‘disruption to ordinary life, including disruption to traffic’ met zich brengen. Dat enkele feit geeft nog geen rechtvaardiging voor beperking van het demonstratierecht, omdat de overheid voor vreedzame betogingen ‘a certain degree of tolerance’ in acht dient te nemen. [43] De vraag in welke mate de overheid die tolerantie moet bieden, is volgens het Hof niet in algemene zin te beantwoorden. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de verstoring van het ‘dagelijkse leven’. Ook als een vreedzame demonstratie uitmondt in schade of andere wanordelijkheden kan een demonstrant niet worden onderworpen aan enige sanctionering, zolang diegene zelf geen gewelddadig of anderszins ‘reprehensible’ gedrag heeft laten zien. [44] Als iemand zich wel laakbaar gedraagt, verzet het recht op vrijheid van meningsuiting en van betoging zich er niet tegen dat diegene, ondanks de deelname aan een vreedzame demonstratie, wordt onderworpen aan de dreiging en de oplegging van een straf of maatregel. [45] Staten genieten in dit verband een ‘wider margin of appreciation’. [46]
43. De vraag wanneer sprake is van ‘reprehensible’ gedrag heeft het Hof niet in algemene zin beantwoord. In Kudrevičius e.a. t. Litouwen [47] , waarin demonstranten op niet-toegewezen plekken drie snelwegen blokkeerden, gaat het Hof wel uitgebreider in op situaties waarin demonstranten hebben geprobeerd een activiteit van een ander te voorkomen of aan te passen. Daarbij overweegt het Hof dat indien demonstranten het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek, van ‘reprehensible’ gedrag sprake kan zijn (onderstreping PG):
“149. Since States have the right to require authorisation, they must be able to impose sanctions on those who participate in demonstrations that do not comply with such a requirement (see
Ziliberberg; Rai and Evans; Berladir and Others, § 41; and
Primov and Others, § 118, all cited above). At the same time, the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see
Ezelin, § 53;
Galstyan, § 115; and
Barraco, § 44, all cited above). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see
Taranenko, cited above, § 88).
(…)
171. The Court has already been called upon to examine situations where demonstrators had tried to prevent or alter the exercise of an activity carried out by others. In
Steel and Others(cited above) the first and second applicants had obstructed a hunt and had impeded engineering work for the construction of a motorway, respectively. In
Drieman and Others(cited above), Greenpeace activists had manoeuvred dinghies in such a way as to physically obstruct whaling, forcing the whalers to abandon their lawful exploitation of the living resources in Norway’s exclusive economic zone. In these two cases, the Court considered that the inflicting of sanctions (in
Steel and Others, forty-four hours’ detention pending trial and sentencing to twenty-eight days’ imprisonment for the obstruction of the hunt and seventeen hours’ detention pending trial and sentencing to seven days’ imprisonment for the protest against the construction of the motorway; in
Drieman and Others, two days’ detention on remand, fines convertible into imprisonment in case of default on payment and confiscation of a dinghy) was a reaction proportionate to, inter alia, the legitimate aim of protecting the rights and freedoms of others. The Court considers that the same conclusion should a fortiori be reached in the present case, where the actions of the demonstrators had not been directly aimed at an activity of which they disapproved, but at the physical blocking of another activity (the use of highways by goods vehicles and private cars) which had no direct connection with the object of their protest, namely the government’s alleged lack of action vis-à-vis the decrease in the prices of some agricultural products.
172. In this respect, the present case has more similarities with the cases of
Lucas(cited above), where the applicant blocked a public road in order to protest against the retention of a nuclear submarine, and
Barraco(cited above), concerning the applicant’s participation in a form of protest resulting in a severe slowing-down of the flow of traffic. As in
Steel and Othersand
Drieman and Others(both cited above), the Court found that the sanctions imposed on the applicants (four hours’ detention in a police van and a fine of 150 pounds sterling in Lucas, and a three-month suspended prison sentence and a fine of 1,500 euros in
Barraco) were “necessary in a democratic society” within the meaning of Article 11 § 2 of the Convention. The Court further notes that in
Barracothe disruption to traffic lasted only five hours (as opposed to more than forty-eight hours in the present case) and that only one highway (as opposed to three) had been affected.
173.
As can be seen from the above case-law, the intentional serious disruption, by demonstrators, to ordinary life and to the activities lawfully carried out by others, which disruption was more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place, might be considered a “reprehensible act” within the meaning of the Court’s case-law(see paragraph 149 above). Such behaviour might therefore justify the imposition of penalties, even of a criminal nature.
174. The Court considers that, even though the applicants had neither carried out acts of violence nor incited others to engage in such acts (contrast Osmani and Others; Protopapa; and Primov and Others, all cited above), the almost complete obstruction of three major highways in blatant disregard of police orders and of the needs and rights of the road users constituted conduct which, even though less serious than recourse to physical violence, can be described as “reprehensible”.” [48]
44. Bij de proportionaliteitsafweging spelen naast de aard van de gedraging [49] en de ‘fairness of the proceedings en the procedural guarantees afforded’ [50] de aard en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol. [51] Zo achtte het Hof in een aantal zaken van belang dat een zeer lage boete was opgelegd die de betrokkene kennelijk ook kon betalen [52] , dat een voorwaardelijke straf was opgelegd die bovendien niet ten uitvoer was gelegd [53] , dat de sanctie niet in de Justitiële Documentatie was opgenomen [54] en dat de geleden schade al was vergoed. [55] Daarnaast is van belang dat optreden tegen personen die gebruik (willen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van betoging geen “chilling effect” mag hebben op diegenen of op anderen. [56] De enkele deelname aan een vreedzame demonstratie mag niet worden bedreigd met strafrechtelijke sanctionering. Voor strafrechtelijke sanctionering van demonstranten is daarom ook bijzondere rechtvaardiging vereist. Gevallen waarin gevangenisstraffen zijn opgelegd wegens geweldloze gedragingen, worden door het Hof met bijzondere nauwgezetheid beoordeeld. [57]
45. Het Hof legt bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en betoging een ‘overall’ toets aan. Ingeval verschillende maatregelen zijn genomen, beschouwt het Hof deze gezamenlijk als de ‘interference’. Als bijvoorbeeld een betoging is beëindigd, iemand is aangehouden, in voorarrest heeft gezeten, is vervolgd en veroordeeld (al dan niet tot een gevangenisstraf), vormen al die maatregelen tezamen de beperking waarover het Hof zich buigt. [58] Ik geef een voorbeeld. In
Taranenko/Rusland [59] was sprake van een protestactie tegen de president van het land waarbij de receptie van een overheidsgebouw werd geblokkeerd en de demonstranten zichzelf opsloten in een kantoorruimte, alwaar ook vernielingen plaatsvonden. Dit leidde tot een overheidsoptreden waarbij de betrokkene, die zelf als standpunt innam dat zij niet deelnam aan de protestactie maar slechts de gebeurtenissen observeerde, was aangehouden en in voorarrest was geplaatst. Zij werd aanvankelijk beschuldigd van een poging tot ondermijning van de staat en veroordeeld wegens deelname aan massale wanordelijkheden tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar. Het Hof oordeelde dat zowel het verwijderen van de betrokkene uit het overheidsgebouw als de aanhouding gerechtvaardigd was (§ 79). De duur van het voorarrest en de opgelegde sanctie waren naar het oordeel van het Hof echter niet proportioneel (§ 95). In het licht van het voorgaande, kwam het Hof tot de conclusie dat de beperking niet noodzakelijk was in een democratische samenleving. [60]
46. Een geslaagd beroep op de artikelen 10 en 11 EVRM brengt mee dat het bewezen verklaarde feit niet strafbaar is en de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. [61]

De klachten in cassatie

47. Tot zover de bespreking van het juridisch kader. Ik keer terug naar het middel. Het middel valt in meerdere klachten uiteen.
48. De eerste klacht is dat het oordeel van het hof dat de aanhouding van de verdachte niet disproportioneel was op ontoereikende gronden berust, omdat het hof heeft vastgesteld dat andere passagiers ook (nog) stonden en het vliegtuig daarom sowieso niet kon vertrekken op het moment dat de verdachte uit het vliegtuig werd verwijderd.
49. De overwegingen van het hof dat de aanhouding, verwijdering uit het vliegtuig en ophouding voor verhoor niet disproportioneel of onredelijk waren, zeggen volgens de stellers van het middel bovendien nog niets over de noodzaak om de verdachte ook nog strafrechtelijk te vervolgen en te sanctioneren. Dat geldt volgens hen ook voor de overwegingen van het hof die er kort gezegd op neerkomen dat onrust op een luchthaven tot paniek kan leiden en dat de Koninklijke Marechaussee ten behoeve van de veiligheid en ter voorkoming van escalatie en wanordelijkheden in een vroeg stadium in staat moet zijn in te grijpen, terwijl het hof zich hierbij voorts bedient van algemeenheden en veronderstellingen.
50. Daarnaast wordt aangevoerd dat de demonstratie ‘vrijwel onmiddellijk werd opgerold’, dat het hof miskent dat ten minste enige tolerantie van de autoriteiten was vereist jegens de vreedzame demonstratie en dat hieraan niet reeds is voldaan indien de demonstranten kort de gelegenheid hebben gehad op vreedzame wijze te demonstreren of anderszins hun mening te uiten.
51. De stellers van het middel betogen voorts dat uit de vaststellingen van het hof niet kan worden afgeleid dat sprake was van ‘reprehensible’ gedrag van de verdachte.
52. Tot slot wordt geklaagd dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op een aantal door de raadsman aangevoerde factoren, te weten: dat de uitzetting van de uitgeprocedeerde asielzoeker doorgang heeft gevonden, dat geen inbreuken zijn gemaakt op de rechten van de vliegmaatschappij en het cabinepersoneel of van andere passagiers, er geen materiële schade is aangericht aan het vliegtuig en dat een van de demonstranten voor hetzelfde gedrag niet strafrechtelijk is vervolgd.
53. Niet wordt bestreden het oordeel van het hof dat het uiten van de mening van de verdachte over de voorgenomen uitzetting van een vreemdeling in de omstandigheden van het geval valt onder het bereik van de artikelen 10 en 11 EVRM. [62] Het middel is toegesneden op het oordeel van het hof dat de in het geding zijnde beperking van de rechten noodzakelijk was in een democratische samenleving. [63]
54. Iedere demonstratie kan een zekere mate van ‘disruption to ordinary life, including disruption to traffic’ met zich brengen, waarvoor enige tolerantie moet worden getoond. Bij een vreedzame betoging is pas ruimte voor sanctioneren als een demonstrant zelf laakbaar gedrag vertoont. De vraag of een gedraging moet worden aangemerkt als laakbaar, is niet in algemene zin te beantwoorden. Duidelijk is dat gewelddadig gedrag als zodanig heeft te gelden. Het gooien van stenen naar de politie valt daaronder [64] ; het gooien van gedroogde bonen niet [65] . Van ‘reprehensible gedrag’ kan verder sprake zijn als demonstranten het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. Het blokkeren van drie grote snelwegen tegen de instructies van de politie in, werd als zodanig aangemerkt, evenals het langere tijd blokkeren van de toegang van het parlementsgebouw en de weg daarnaartoe en het blokkeren van een metro-ingang.
55. In dit verband doen de stellers van het middel onder meer een beroep op de arresten
Sergey Kuznetsov t. Rusland [66] en
Oya Ataman t. Turkije [67] en
Balҫik t. Turkije [68] . In de eerste zaak ging het om een zeer korte vermeende obstructie door enkele personen die vroeg in de ochtend voor de ingang van een gerechtsgebouw waren gaan staan. Na een verzoek daartoe door de gerechtsbode en een politieagent, hadden zij zich meteen verplaatst naar een plek op de stoep onder aan de trap. Er was niet vastgesteld dat zij de toegang tot de ingang hadden beperkt. Het Hof achtte de oplegging van een administratieve boete, hoe laag ook, niet noodzakelijk in een democratische samenleving. In de andere twee zaken was een protestmars georganiseerd tegen plannen voor bepaalde justitiële inrichtingen, zonder voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten. Ook was het plan om een
statementte maken voor de pers. De mars begon om 12.00 uur ’s middags, maar werd na een half uur beëindigd door de politie met behulp van pepperspray, nadat aan het verzoek de mars te beëindigen geen gehoor was gegeven. De betrokkenen werden aangehouden en een aantal uren opgehouden op het politiebureau. De betrokkenen dienden een klacht in over het optreden van de overheid, maar die werd niet in behandeling genomen. Het Hof overweegt hierover als volgt (onderstreping PG):
“40. It appears from the evidence before the Court that the group of demonstrators was informed a number of times that their march was unlawful and would disrupt public order at a busy time of day, and had been ordered to disperse. The applicant and other demonstrators did not comply with the security forces’ orders and attempted to force their way through.
41. However,
there is no evidence to suggest that the group in question represented a danger to public order, apart from possibly disrupting traffic. There were at most fifty people, who wished to draw attention to a topical issue.
The Court observes that the rally began at about 12 noon and ended with the group’s arrest within half an hour. It is particularly struck by the authorities’ impatience in seeking to end the demonstration, which was organised under the authority of the Human Rights Association.
42. In the Court’s view, where demonstrators do not engage in acts of violence it is important for the public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance.
43. Accordingly, the Court considers that in the instant case the
police’s forceful interventionwas disproportionate and was not necessary for the prevention of disorder within the meaning of the second paragraph of Article 11 of the Convention.
44. There has accordingly been a violation of that provision.”
56. Volgens de stellers van het middel volgt uit deze arresten dat gedrag dat een tijdelijke ‘disruption’ van het verkeer oplevert niet ‘reprehensible’ kan worden genoemd. Het verschil tussen een tijdelijke en een intentioneel (min of meer) permanente belemmering of blokkade van derden is volgens hen bepalend voor de beoordeling of strafrechtelijke vervolging en sanctionering als noodzakelijk in een democratische samenleving zijn aan te merken. De omstandigheid dat demonstranten geen gehoor geven aan een opdracht van de autoriteiten om de demonstratie te staken, legt daarbij volgens hen geen (doorslaggevend) gewicht in de schaal.
57. Anders dan de stellers van het middel betogen, is uit deze rechtspraak niet af te leiden dat een tijdelijke verstoring van het dagelijkse leven per definitie niet als laakbaar kan worden aangemerkt. Relevant is of het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig worden verstoord, in een grotere mate dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. De voornoemde zaken onderscheiden zich bovendien van de onderhavige zaak doordat in
Sergey Kuznetsov t. Ruslandniet is vastgesteld dat de rechten van anderen zijn belemmerd, terwijl de betogers zich meteen op verzoek hebben verplaatst naar een andere locatie waar zij nog steeds hun rechten konden uitoefenen. In de andere twee zaken ging het om ‘forceful’ ingrijpen door de politie in een vreedzame protestmars.
58. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat de verdachte gelegenheid heeft gehad zich, in een zich voor vertrek klaarmakend vliegtuig, uit te spreken tegen de uitzetting van een vreemdeling, omdat de vordering plaats te nemen op een stoel niet verhinderde dat zij haar mening kon geven. Het handelen van de verdachte ging naar oordeel van het hof immers verder, doordat zij (tot driemaal toe) niet ging zitten en zij daarmee het vertrek van het vliegtuig en de uitzetting van de vreemdeling belemmerde. Ook riep zij anderen op ook te gaan staan, kennelijk met als doel de uitzetting te vertragen of te voorkomen. De vordering om te gaan zitten op de stoel was er dan ook niet op gericht aan de verdachte de mogelijkheid te ontnemen om haar mening te uiten over de voorgenomen uitzetting, maar vond zijn aard in het belemmeren van het vertrek van het vliegtuig en het voorkomen van wanorde met het oog op de effectuering van de uitzetting.
59. Het kennelijke oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte, te weten het niet voldoen aan meerdere vorderingen om op haar stoel te gaan zitten, in de gegeven omstandigheden als laakbaar is aan te merken, is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het bewezen verklaarde niet plaatsvond in de openbare ruimte maar in een vertrekkend vliegtuig, met de beperkte ruimte en smalle gangpaden en een groot aantal personen op een klein oppervlakte. Ik neem voorts in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de vorderingen plaatsvonden nadat de verlichting “fasten seatbelts” was aangegaan (bewijsmiddel 3). Door het handelen van de verdachte en de medeverdachten zijn de normale gang van zaken bij een vertrekkend vliegtuig en de uit te oefenen bevoegdheid van uitzetting opzettelijk ernstig verstoord, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek, terwijl de vordering te gaan zitten onverlet liet dat de verdachte samen met haar medeverdachten haar mening over de voorgenomen uitzetting zou kunnen uiten. Kennelijk was het de bedoeling van de verdachte een uitzetting van een vreemdeling die zich ook in dat vliegtuig bevond te belemmeren en daarmee de rechtmatige uitoefening van een aan de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee toekomende bevoegdheid te verhinderen. In dit verband kan worden verwezen naar EHRM 1 september 2022 (Makarashvili e.a. t. Georgië), waarin het Hof bij zijn oordeel dat geen sprake is van een schending van art. 11 EVRM Pro in aanmerking neemt dat de betrokkenen hadden gekozen voor ‘obstructive forms of protest, apparently to obstruct the efforts of the police to reopen access to the Parliament building’, dat de veroordeling en sanctionering niet zagen op de deelname aan een demonstratie, maar op de weigering de weg vrij te maken en dat niets eraan in de weg had gestaan voor de betrokkenen om wel op vordering van de politie de weg vrij te maken en hun protest voort te zetten. [69]
60. Het middel behelst voorts de klacht dat het oordeel van het hof dat de aanhouding van de verdachte niet disproportioneel was op ontoereikende gronden berust, omdat het hof heeft vastgesteld dat andere passagiers ook (nog) stonden en het vliegtuig daarom sowieso niet kon vertrekken op het moment dat de verdachte uit het vliegtuig werd verwijderd. Deze klacht faalt reeds omdat het hof heeft vastgesteld dat de vrouwen, onder wie de verdachte, medepassagiers opriepen ook te gaan staan. Ook heeft het hof vastgesteld dat reeds voordat de vrouwen was gevorderd te gaan zitten de verlichting “fasten seatbelt” was aangegaan.
61. De klacht dat het hof niet toereikend heeft gemotiveerd dat ook de strafrechtelijke vervolging en sanctionering van de verdachte noodzakelijk waren in een democratische samenleving, kan ook niet slagen omdat deze in zoverre feitelijke grondslag mist. Het hof heeft overwogen dat ook de hoogte van de aan de verdachte opgelegde strafbeschikking niet maakte dat het optreden van de Koninklijke Marechaussee niet proportioneel was. Daarin ligt besloten dat strafrechtelijke vervolging en sanctionering noodzakelijk waren in een democratische samenleving. Titel IVa van boek 2 van het Wetboek van Strafvordering luidt: ‘Vervolging door een strafbeschikking’. Daaruit volgt reeds dat ook het uitvaardigen van een strafbeschikking een daad van vervolging inhoudt. Daarbij komt dat het hof in de strafmotivering heeft overwogen dat het de verdachte kwalijk neemt dat zij onrust heeft veroorzaakt bij personen die zich aan boord van het vliegtuig bevonden en niet stopte met haar handelen waardoor gedwongen verwijdering uit het vliegtuig noodzakelijk was om een veilige vlucht te kunnen waarborgen. Het hof achtte het passend en geboden een (voorwaardelijke) geldboete tot een bedrag van € 300,- aan de verdachte op te leggen. Anders dan de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, leidde de door het hof opgelegde straf dus niet tot een onvoorwaardelijke betalingsverplichting. In al het voorgaande ligt voldoende besloten dat het hof kennelijk van oordeel was dat ook de strafrechtelijke vervolging en sanctionering noodzakelijk waren in een democratische samenleving.
62. De resterende klachten dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op een aantal door de raadsman aangevoerde factoren, falen eveneens. Het hof is niet gehouden op ieder detail van een verweer in te gaan. [70] Daarbij wijs ik erop dat het hof wel - in de strafmotivering - heeft gereageerd op de stelling dat een van de demonstranten voor hetzelfde gedrag niet strafrechtelijk is vervolgd.
63. Ik kom tot de volgende slotsom. Het oordeel van het hof komt er in de kern op neer dat de maatregelen die de beperking vormden op het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting en van vergadervrijheid afzonderlijk en in hun onderlinge samenhang bezien proportioneel waren en daarmee noodzakelijk in een democratische samenleving. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
64. Het middel faalt.

Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatiefase

65. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 5 augustus 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aard (en de hoogte) van de opgelegde voorwaardelijke geldboete, kan worden volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM. [71]

Slotsom

66. De middelen falen.
67. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
68. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Wet van 13 januari 1965 (Vreemdelingenwet),
2.Ministeriële beschikking van 21 februari 1920, afdeling 2A, nr. 858, gepubliceerd in de Staatscourant van 26 april 1920, nr. 80.
3.Ministeriële beschikking van 21 augustus 1939, afdeling 5, nr. 1125; gepubliceerd in de Staatscourant van 21 augustus 1939, nr. 162.
4.Ministeriële beschikking van 25 maart 1946, no. 119; gepubliceerd in de Staatscourant van 29 maart 1946, nr. 63.
7.Nota van toelichting op het Vreemdelingenbesluit 1966,
9.EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72 (Handyside t. VK) § 49.
10.EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 52.
11.ECLI:NL:PHR:2019:495, voorafgaand aan HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633.
12.EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 54. Zie ook de
13.EHRM 23 september 1998, nr. 67/1997/851/1058 (Steel e.a. t. VK).
14.EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije).
15.EHRM 30 november 2021, nr. 52358/15 (Genov & Sarbinska t. Bulgarije en EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije).
16.EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne).
17.EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 61.
18.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 91 en EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 65. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder,
19.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 91. Een voorbeeld van een samenkomst in private sfeer geeft EHRM 7 mei 2015, nr. 59135/09 (Emin Huseynov t. Azerbeidzjan). Het recht op betoging geeft nog geen recht op toegang tot private ruimten, EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 78. Zie ook de
20.Bijvoorbeeld EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk), EHRM 18 december 2007, nrs. 32124/02, 32126/02, 32129/02, 32132/02, 32133/02, 3137/02 en 32138/02(Nurettin Aldemir e.a. t. Turkije) en EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije).
21.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 97-99. Zie bijvoorbeeld ook EHRM 5 maart 2009, n. 31684/05 (Barraco t. Frankrijk) en EHRM 18 maart 2003, nr. 39013/02 (Lucas t. VK). Vgl. ook Roorda, Brouwer en Schilder 2015,
22.EHRM 12 juni 2014, nr. 17391/06 (Primov e.a. t. Rusland) § 91. Zie ook de
23.In EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) betrof het een protest van vier personen en in EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07, 57569/11, 80153/12, 5790/13 en 35015/13 (Novikova e.a. t. Rusland) ging het om verschillende solo-protesten.
24.EHRM 27 november 2012, nr. 58050/08 (Sáska t. Hongarije) § 21-22. Zie ook EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 157.
25.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 92 en EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 98. Vgl. ook P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak 2018,
26.Zie onder meer EHRM 17 mei 2011, nrs. 28495/06 en 28516/06 (Akgöl en Göl t. Turkey) § 43, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 94 en EHRM 10 juli 2012, nr. 34202/06 (Berladir e.a t. Rusland), § 38: demonstraties kunnen ‘some disruption to ordinary life, including disruption of traffic’ veroorzaken.
27.EHRM 1 december 2011, nrs. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe en M.G. t. Duitsland), § 103 en EHRM 12 juni 2014, nr. 17391/06 (Primov e.a. t. Rusland), § 155. Zie ook EHRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Racism and Fascism t. VK), § 148. In EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) nam een minderjarige deel aan een protestmars die uitmondde in geweld; het Hof achtte artikel 11 EVRM Pro wel van toepassing, mede omdat de betrokkene geen ‘violent intentions’ had toen hij aan de protestmars deelnam en ‘the charges against the applicant did not concern infliction of any bodily harm on anyone’, § 97.
28.EHRM 2 oktober 2010, nrs. 29221/95 en 29225/95 (Stankov en The United Macedonian Organisation Ilinden t. Bulgarije), § 86.
29.P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak 2018,
30.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 86 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 46.
31.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 85, onder verwijzing naar onder meer EHRM 1 december 2011, nrs. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe en M.G. t. Duitsland) § 101 en EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 35. In Zie ook J.L.W. Broeksteeg en F. Dorssemont in SDU commentaar EVRM 2020, deel I, p. 1280-1283.
32.Zie hiervoor ook de door de Hoge Raad geciteerde onderdelen van EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) in HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.
33.EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 39, nadien herhaald in onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100.
34.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100.
35.Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 103-143.
36.HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, rov. 2.3.2.
37.Bijvoorbeeld EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 108.
38.Bijvoorbeeld EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 140.
39.Waarbij het Hof heeft benadrukt dat de notie “noodzakelijk” niet kan worden verwisseld met termen als “useful”, “reasonable” of “desirable”, EHRM 17 februari 2004, nr. 44158/98 (Gorzelik e.a. t. Polen) § 95 en EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49. Zie ook de
40.Onder meer EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) § 90, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 143 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 49.
41.Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 143, EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 128,
42.EHRM 6 juni 2003, nr. 44306/98 (Applebye e.a. t. VK) § 43. Zie ook EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 78.
43.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 150 en 155.
44.EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 53, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 149 en EHRM 6 september 2022, nr. 67200/12 (Bodalev t. Rusland) § 75. In EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 88 en 93 merkt het Hof op dat, hoewel de demonstratie ‘some damage’ tot gevolg had, het niet leidde tot geweld; het opzij duwen van bewakers van een overheidsgebouw werd niet als gewelddadig aangemerkt. In EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116 merkt het Hof het gooien van stenen naar de politie wel aan als een ‘act of violence’.
45.HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, rov. 2.5.2. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder,
46.EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116. Vgl. ook EHRM 21 januari 2021, nrs. 15367/14, 16280/14 en 13 andere (Shmorgunov e.a. t. Oekraïne) § 492.
47.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen).
48.Zie ook EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20, 31365/20 en 32525/20 (Makarashvili e.a. t. Georgië), § 87 en 98-99, waarin het Hof het gedurende anderhalve dag blokkeren van de toegang tot het parlementsgebouw en de weg daarnaartoe – ook na pogingen van de politie tot beëindiging daarvan – om een politieke kwestie af te dwingen aanmerkt als ‘reprehensible’. In EHRM 6 september 2022, nr. 67200/12 (Bodalev t. Rusland) § 84 overweegt het Hof: “Nothing suggests that the applicant uttered any threats, engaged in any reprehensible conduct or caused any harm or significant inconvenience to others, for instance, by way of obstructing an entrance to the metro station”.
49.EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) § 80.
50.EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne) § 106.
51.Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 146.
52.EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49. Vgl. ook EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 53, waarin het Hof over een berisping overweegt: “the penalty imposed on Mr Ezelin was at the lower end of the scale of disciplinary penalties (…) it had mainly moral force, since it did not entail any ban, even a temporary one, on practising the profession or on sitting as a member of the Bar Council”. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder,
53.EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne) § 111.
54.EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49.
55.EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 92.
56.Bijvoorbeeld EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 95, EHRM 26 april 2016, nr. 25501/07 (Novikova e.a. t. Rusland) § 211, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 54.
57.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 144-146. In bijvoorbeeld EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) achtte het Hof een gevangenisstraf van dertien jaar wegens het gooien van verf over een standbeeld van Atatürk ‘extreme severe’ en ‘grossly disproportionate’.
58.Zie bijvoorbeeld EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 113 (“the dispersal of the gathering and the applicant’s arrest, transfer to a police station, detention and the administrative sanctions constituted an interference”) en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 54 (“the interference at issue resulted from the applicant’s arrest at a demonstration and his subsequent conviction of administrative offences leading to a sanction of eight days’ detention”). Vgl. Verder nog EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 102, EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 56 en EHRM 26 april 2016, nr. 25501/07 (Novikova e.a. t. Rusland) § 107.
59.EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland).
60.Vgl. ook EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07, 57569/11, 80153/12, 5790/13 en 35015/13 (Novikova e.a. t. Rusland) en EHRM 13 januari 2009, nr. 31451/03 (Ącik t. Turkije).
61.HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633, rov 2.6.
62.Zie nader: N. Swart en B. Roorda merken in hun artikel ‘De reikwijdte van het bijkans heilige demonstratierecht’,
63.Hoewel het hof heeft getoetst aan zowel artikel 10 als Pro 11 EVRM, komt de vraag op of de gedragingen van de verdachte – het samen met twee anderen protesteren tegen een uitzetting en anderen oproepen daaraan mee te doen – onder het recht van betoging als bedoeld in artikel 11 EVRM Pro vallen. In feitelijke aanleg is onderwerp van feitelijke discussie geweest of sprake was van een spontante of geplande actie. Het hof heeft zich daar niet nader over uit gelaten. In EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië ) betrof het een spontaan protest van vier personen. De omstandigheid dat het een ‘spontaneous short’ protestactie betrof, gaf het EHRM aanleiding de klacht onder artikel 10, in het licht van artikel 11 EVRM Pro, te beoordelen.
64.EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116.
65.EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 59. In EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 88 en 93 overweegt het Hof dat, hoewel de demonstratie ‘some damage’ tot gevolg had, het niet leidde tot geweld; het opzij duwen van bewakers van een overheidsgebouw werd niet als gewelddadig aangemerkt.
66.EHRM 23 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov t. Rusland).
67.EHRM 5 december 2006, nr. 74552/01 (Oya Ataman t. Turkije).
68.EHRM 29 november 2007, nr. 25/02 (Balҫik e.a. t. Turkije).
69.EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20, 31365/20 en 32525/20 (Makarashvili e.a. t. Georgië), § 98-99 en 101-102.
70.Zie, in het kader van de motiveringsplicht van artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
71.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,