De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en negen maanden voor medeplegen van het opzettelijk uitvoeren van 143,667 kilogram MDMA naar Australië. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging.
De verdediging voerde twee middelen aan: onjuiste beëdiging van raadsheer en advocaat-generaal, en onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet. De Hoge Raad verwierp beide middelen. Het hof had uitgebreid gemotiveerd dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde betrokken te zijn bij de uitvoer van drugs, onder meer door het maken van een fake website, het gebruik van valse namen en facturen, het uitlenen van zijn rijbewijs en het onderhouden van nauw contact met medeverdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat sprake was van voorwaardelijk opzet en dat de motivering voldoende duidelijk en begrijpelijk was. Ook het verweer dat het hof te veel steunde op verklaringen van medeverdachte faalde, omdat het hof meerdere bewijsmiddelen had meegewogen. Er was wel sprake van overschrijding van de redelijke termijn, maar geen grond voor vernietiging van het arrest.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de veroordeling in stand blijft.