ECLI:NL:PHR:2023:787

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2023
Publicatiedatum
10 september 2023
Zaaknummer
21/04029
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis SrArt. 359 SvArt. 1 Regeling aantekening mondeling vonnisArt. 3 Regeling aantekening mondeling arrest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling schuldheling fiets ondanks onvoldoende motivering hof

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot zes dagen gevangenisstraf wegens schuldheling van een fiets. Het hof Amsterdam bevestigde dit vonnis in hoger beroep. De verdediging stelde in cassatie dat het hof onvoldoende gemotiveerd had waarom het het uitdrukkelijk onderbouwde verweer van de verdachte verwierp, omdat noch het vonnis noch het arrest de inhoud van de bewijsmiddelen bevatten.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof conform de Regeling aantekening mondeling vonnis en mondeling arrest heeft gehandeld door te verwijzen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Deze verwijzing biedt voldoende inzicht in de gronden voor de bewezenverklaring en de verwerping van het verweer.

De verdachte had betoogd dat hij de fiets slechts had geleend van onbekenden en niet wist dat deze gestolen was. Het hof nam echter het standpunt over dat het slot van de fiets verbroken was en er geen sleutel aanwezig was, waardoor de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een gestolen goed betrof.

De Hoge Raad concludeerde dat het middel faalt omdat uit de processtukken voldoende blijkt waarom het hof van het verweer is afgeweken en dat de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad. Er zijn geen gronden voor vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens schuldheling van een fiets wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04029
Zitting19 september 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Bij mondeling arrest van 13 september 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 november 2020, waarin de verdachte wegens "schuldheling" van een fiets is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes dagen bevestigd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat kort samengevat inhoudt dat het hof een ter zitting naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de wetenschap van de verdachte dat het om een gestolen fiets ging, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, terwijl noch het vonnis in eerste aanleg, noch het arrest de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen bevatten, waardoor niet kan worden nagegaan of hierin de redenen voor de verwerping van het verweer besloten liggen.
1.3
Voordat ik het middel bespreek, geef ik – steeds voor zover dit voor de beoordeling van het middel van belang is – de aantekening mondeling vonnis, het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en de aantekening mondeling arrest weer.
2.
Aantekening mondeling vonnis, proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg en aantekening mondeling arrest
2.1
De aantekening mondeling vonnis, die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 november 2020, luidt met betrekking tot de gebruikte bewijsmiddelen als volgt:
“[…]
Alle gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
De inhoud van de processen-verbaal, voor zover hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting is weergegeven.
De bewezenverklaring
De politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte
op 17 oktober 2020 te Amsterdam, een goed te weten een (swap)fiets heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
[…]”
2.2
Het proces-verbaal waarnaar wordt verwezen in de aantekening mondeling vonnis houdt het volgende in:
“[…]
De politierechter deelt de inhoud van de stukken van het dossier mee, waaronder:
1. Een proces-verbaal aangifte met nummer 2020220033-2 van 18 oktober 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde bladzijden 4 t/m 6).
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2020219519-4 van 17 oktober 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde bladzijden 14 t/m 16).
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2020219519-16 van 17 oktober 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde bladzijde 19)
[…]”
2.3
De aantekening mondeling arrest van het hof luidt als volgt:
“aantekening mondeling arrest
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer(s) eerste aanleg […]
parketnummer hoger beroep […]
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 13 september 2021 gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 november 2020 in de zaak tegen de verdachte:
[….]
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Gewezen door […]”

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de verwerping van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte wist noch redelijkerwijs kon vermoeden dat de fiets was gestolen en dat hij dus vrij dient te worden gesproken van de ten laste gelegde heling.
3.2
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat noch het vonnis noch het arrest de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen bevat en dus niet kan worden nagegaan of hierin de redenen voor de verwerping van het verweer besloten liggen. Daarover wil ik het volgende opmerken.
3.3
In de onderhavige zaak is de verdachte in eerste aanleg bij mondeling vonnis veroordeeld wegens schuldheling. In dit vonnis is wat betreft de bewijsmiddelen verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting, welk proces-verbaal een opsomming van de voor het bewijs relevante processtukken bevat.
3.4
Deze werkwijze is conform de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197, verder: de Regeling). Art. 1 aanhef Pro en onder a van de Regeling schrijft voor dat “in geval van bewezenverklaring” voor de inhoud van de bewijsmiddelen “kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken” en verplicht daarmee de rechter niet de inhoud van de bewijsmiddelen in het mondeling vonnis dan wel in het proces-verbaal van de terechtzitting uit te werken. Hetzelfde geldt voor het mondeling arrest van het hof ingevolge art. 3 onder Pro b) en d) van de Regeling.
3.5
In zijn arrest van 6 september 2016 [1] heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven van bewijsmotiveringsvoorschriften in geval van bevestiging danwel vernietiging van een mondeling vonnis door een hof. Daarbij heeft de Hoge Raad drie varianten onderscheiden:
In de eerste plaats de bevestiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest, in de tweede plaats de vernietiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest en tot slot de bevestiging en vernietiging van een mondeling vonnis bij mondeling arrest. In onderhavige zaak is de laatste variant aan de orde, namelijk de bevestiging van een mondeling vonnis bij een mondeling arrest. Daarover overweegt de Hoge Raad:
“ 2.5. Indien de enkelvoudige kamer van het hof mondeling arrest wijst, mag de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen — in overeenstemming met de Regeling — verwijzen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, ongeacht of het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro zich voordoet. Deze verwijzing kan, ook in geval van vernietiging van het mondeling vonnis bij mondeling arrest, zowel het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg als het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep betreffen.”
3.6
Uit de laatste zin van de hiervoor geciteerde overweging kan worden afgeleid dat het hof bij de mondelingen bevestiging van het mondeling vonnis van de rechtbank heeft gehandeld conform de Regeling. De ratio van deze regeling kan gevonden worden in het uitgangspunt van de Hoge Raad dat de appelrechter bij integrale bevestiging van het vonnis in eerste aanleg niet zelfstandig recht heeft gedaan casu quo niet zelfstandig recht doet. [2] Voor de vraag of de mondelinge bevestiging in hoger beroep van een in eerste aanleg gewezen mondeling vonnis aan de vereisten voldoet, geldt op het punt van de naleving van de bewijsvoorschriften de Regeling en zal dus nagegaan moeten worden of het mondelinge vonnis correct in overeenstemming met de regeling is aangetekend. Dat is in de onderhavige zaak het geval. Dat betekent overigens niet dat het in cassatie onmogelijk is om inzicht te krijgen in de bewijsconstructie, Aan de hand van de in de aantekening van het mondeling vonnis genoemde processtukken kan immers worden nagegaan of de bewezenverklaring deugt.
3.7
Voor zover de klacht zich richt op het verzuim van het hof om te responderen op het blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 13 september 2021 namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de vraag of op hem een onderzoeksplicht rustte ten aanzien van de fiets die hij bij zich had toen hij werd aangehouden, kan nog het volgende worden opgemerkt.
3.8
Namens en door de verdachte is het volgende aangevoerd:
“Op vragen van de raadsheer verklaart de verdachte:
Ik wist niet dat de fiets van diefstal afkomstig was. Ik had geen boos opzet. Mijn broer en ik hadden een vrije dag en gingen naar Amsterdam. We waren op weg naar een coffeeshop die ver weg was. We ontmoetten toevallige drie jongens, waarvan één uit Polen kwam. De Poolse jongen stelde voor dat wij fietsen konden lenen om naar de coffeeshop te gaan. We leenden de fietsen. We fietsen driehonderd meter en toen zat mijn broer niet lekker op de fiets, dus probeerde hij het zadel te verlagen. Op dat moment arriveerde de politie. U houdt mij voor dat de politie heeft geverbaliseerd dat het slot was verbroken en er geen sleutel in zat. Dat heb ik niet gezien toen ik de fiets leende van de jongens. Wij waren in shock en wisten niet waarom we werden aangehouden. Ik kende die jongens niet, ik zag ze voor het eerst. U vraagt mij wat we hadden afgesproken over het terugbrengen van de fiets. We zouden naar de coffeeshop gaan en de jongens zouden na ongeveer tien minuten wachten voor het hotel.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
De verdachte is vanuit Polen naar Nederland gekomen. Hij voelt zich hier thuis en werkt vijf à zes dagen per week. Hij is overgeleverd aan de welwillendheid van het uitzendbureau en moet het hebben van zijn reputatie dat hij altijd aanwezig is. De broer van de verdachte werkt ook. Af toen drinken en blowen ze wat zoals ook de bewuste dag. Zij zijn op station Sloterdijk wanneer ze een jongen tegenkomen die de verdachte kent van zijn werk. Die jongen zegt dat de verdachte zijn fiets mag lenen om naar de coffeeshop te gaan. De verdachte en zijn broer worden vervolgens aangehouden als zijn broer bij andere fietsen rommelt voor een sleuteltje om het zadel te verstellen. De verdachte wordt vastgehouden terwijl zijn broer wordt heengezonden. Zijn broer krijgt een geldboete en mijn cliënt wordt gedagvaard voor schuldheling. De vraag is of op de verdachte een zware onderzoeksplicht rustte terwijl hij de fiets alleen even gebruikte. Een fiets is iets wat je van elkaar leent. Ik verzoek u primair de verdachte vrij te spreken want hij wist niet dat de fiets was gestolen, noch had hij een vermoeden daartoe.
(…)
Dat de verdachte niet de hele fiets heeft bestudeert rechtvaardigd niet de tenuitvoeregging van één week gevangenisstraf.”
3.9
Het is nog maar de vraag of hetgeen door de raadsman ter terechtzitting is aangevoerd door het hof moest worden opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat “duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter” naar voren is gebracht. [3] De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte de fiets heeft geleend van een jongen die hij van zijn werk kent en daarmee kennelijk impliciet tot uitdrukking willen brengen dat dit een belangrijke reden is waarom op de verdachte geen zware onderzoeksplicht rustte ten aanzien van de door hem geleende fiets. De verdachte heeft even daarvoor echter verklaard dat hij de fiets heeft geleend van drie jongens die hij “niet kende”. Dat ondergraaft het betoog van de raadsman. Eenduidig zijn de aangevoerde argumenten in ieder geval niet.
3.1
Maar ook als hetgeen door de raadsman is aangevoerd moet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, meen ik dat de klacht tevergeefs is voorgesteld. Alhoewel het door de raadsman ingenomen standpunt niet expliciet door het hof is weerlegd door opname van een aanvullende bewijsoverweging in het mondeling arrest en ook het (bevestigde) vonnis van de rechtbank geen bewijsoverwegingen bevat waaruit de redenen voor afwijking van dit standpunt blijken, kan uit de processtukken waar in het proces-verbaal naar wordt verwezen (en die blijkens de aantekening mondeling vonnis als bewijsmiddelen zijn gebezigd) het volgende worden afgeleid.
De fiets die de verdachte bij zich had toen hij werd aangehouden, was voorzien van een “hoefijzeren” slot, maar hierin zat geen sleutel. [4] Nu het hof middels de bevestiging van het vonnis ook naar deze bewijsmiddelen heeft verwezen en verder uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsheer de verdachte heeft voorgehouden dat het slot van de fiets verbroken was en de sleutel hierin ontbrak, meen ik dat het hof bezien in het licht van het verhandelde ter terechtzitting voldoende inzicht heeft gegeven in de gronden waarom het is afgeweken van hetgeen door de raadsman is aangevoerd en derhalve “zonder miskenning van het voorschrift van art. 359, tweede lid, Sv voldoende duidelijk tot uitdrukking [heeft] gebracht waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdachte”. [5] In dit verband wijs ik er ook op dat de politierechter in de strafmotivering van het mondeling vonnis heeft overwogen dat de “[v]erdachte had moeten weten dat de fiets was gestolen omdat toen verdachte de fiets kreeg het slot verbroken was en er geen sleutel was van de fiets”. Het hof heeft deze overweging door bevestiging van het vonnis tot de zijne gemaakt. Ook dit geeft inzicht in de redenen waarom het hof is afgeweken namens de verdachte ingenomen standpunt.
3.11
Het middel faalt. [6]

4.Conclusie

4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128, m.nt. Mevis
2.Zie uitgebreider de noot van Mevis onder punt 7 en 8 bij het arrest van HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128.
3.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.
4.Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 17 oktober 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], p. 15.
5.Vgl. HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5624, NJ 2007/413, rov. 3.6.2. Dat een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd en waarop door het hof niet is gerespondeerd ook zijn weerlegging kan vinden in het door het hof bevestigde vonnis leid ik af uit HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2571, rov. 2.4. In die zaak vond het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep was ingenomen geen weerlegging in de onder rov. 2.2.2 weergegeven bewijsmotivering van de rechtbank, maar de mogelijkheid daartoe bestaat dus wel.
6.Ik merk hierbij wel op dat uit de processtukken waar in het proces-verbaal naar wordt verwezen en die blijkens de aantekening mondeling vonnis als bewijsmiddelen zijn gebezigd, niet blijkt dat de fiets die onder de verdachte is aangetroffen en in beslag is genomen dezelfde fiets is als de fiets die door de aangever als gestolen is opgegeven. In het politiedossier bevindt zich wel een kennisgeving van inbeslagname van een fiets met hetzelfde framenummer als de fiets die in de aangifte als gestolen is opgegeven, maar: 1) naar deze kennisgeving wordt niet verwezen en 2) de kennisgeving noemt weliswaar als “houder” van de fiets de verdachte, maar als “beslagene” de broer van de verdachte (bij de kennisgeving van inbeslagname van de andere fiets waarmee de verdachte en zijn broer zijn aangehouden, is de verdachte als “beslagene” en zijn broer als “houder” aangemerkt), waardoor het niet geheel duidelijk is wie welke fiets onder zich had. Nu hierover niet wordt geklaagd, laat ik dit verder rusten.