Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
a. factuur 2110919 van 1 november 2011 ten bedrage van € 5.927,49;
b. factuur 2120851 van 30 augustus 2012 ten bedrage van € 1.166,20;
c. factuur 2121117 van 27 november 2012 ten bedrage van € 12.974,86;
d. factuur 2130383 van 8 maart 2013 ten bedrage van € 4.895,66; [3] e. factuur 2130505 van 9 april 2013 ten bedrage van € 3.646,16;
f. factuur 2130537 van 11 april 2013 ten bedrage van € 4.414,45;
g. factuur 2130550 van 11 april 2013 ten bedrage van € 2.414,64;
h. factuur 2130627 van 7 mei 2013 ten bedrage van € 3.694,32;
i. factuur 2130628 van 7 mei 2013 ten bedrage van € 580,52;
j. factuur 2130771 van 26 juni 2013 ten bedrage van € 366,93 waarop € 305,22 is betaald zodat hiervan nog € 61,71 openstaat;
k. factuur 2130862 van 12 juli 2013 ten bedrage van € 1.381,78
(hierna: de
facturen a. tot en met k.)
3.Procesverloop
In eerste aanleg
conventie– samengevat – gevorderd dat de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de
rechtbank) [eiser] veroordeelt tot betaling aan [verweerster] van het nog openstaande bedrag op de facturen a. tot en met k. van € 41.157,88 inclusief BTW, te vermeerderen met rente en kosten. [eiser] heeft verweer gevoerd.
reconventieheeft [eiser] – samengevat – gevorderd dat de rechtbank:
vonnis) heeft de rechtbank in
conventie[eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van € 36.262,22 (de facturen a. t/m c. en e. t/m k.), te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. In
reconventieheeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen en [eiser] veroordeeld in de proceskosten.
hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank.
conventie: de vordering van [verweerster] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten;
- in
reconventie[verweerster] zal veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [verweerster] geleden schade, bestaande uit schade door huurderving tot 8 oktober 2017 ad € 52.083,88 met wettelijke rente en schade aan de souterrainwoning als gevolg van herstelwerkzaamheden en waardeaantasting van het pand, op te maken bij staat, met de wettelijke rente, alsmede betaling van de proceskosten.
conventiedeels zal vernietigen en opnieuw rechtdoende [eiser] naast de veroordeling in conventie door de rechtbank alsnog zal veroordelen tot aanvullende betaling aan [verweerster] van € 4.895,66, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
eerste tussenarrest) [6] heeft het hof, samengevat en onder meer, als volgt overwogen ten aanzien van de vordering in
conventie.
reconventieheeft het hof, samengevat, overwogen dat [eiser] zijn beide reconventionele schadevorderingen (ook) grondt op aan [verweerster] toerekenbare tekortkomingen en betoogt dat die [verweerster] verplichten tot vergoeding van de schade die [eiser] daardoor lijdt. De stelplicht en bewijslast op dit punt rusten op [eiser] . (r.o. 6.16) Het hof verwijst naar hetgeen het daarover bij bespreking van de beoordeling in conventie heeft overwogen over de aard en inhoud van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding, de in dat kader aan [verweerster] verweten tekortkomingen, de facturen a. tot en met k. en het daarbij gefactureerde werk en houdt in zoverre iedere verdere beslissing aan tot na het (te gelasten) deskundigenbericht.
(Daarbij dient u te bedenken dat op 24 augustus 2011 en 7 september 2011 al de eerste en tweede wateroverlast waren ondervonden en dienaangaande reeds enig werk was uitgevoerd. Daarbij mag u niet uitgaan van hetgeen nadien is gebleken, maar dient u uit te gaan van hetgeen toen bekend was of redelijkerwijs kon worden vermoed of verondersteld).
a. welke reactie een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot naar uw mening zou hebben gegeven?
b. welk werk (met bijlevering van daarvoor benodigde materialen) een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot naar uw mening tot stand zou hebben gebracht en tegen welke door de opdrachtgever te betalen prijs?
c. of en in hoeverre het door een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te geven advies en/of uit te voeren werk de op 14 juli 2012 en 29 augustus 2012 voor de derde en/of vierde maal ondervonden wateroverlast zou hebben voorkomen?
tussenarrest van 5 januari 2021 [7] (hierna: het
tweede tussenarrest) heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de vragen zoals geformuleerd in r.o. 6.19 van het eerste tussenarrest (zie hiervoor onder 3.14). Het hof heeft tot deskundigen benoemd de heer ir. E.H.L.J. Smeele (senior adviseur bouwschade bij Cauberg Huygen) en de heer ing. F. Verhoeven (manager adviesbureau bij Van der Velden Rioleringsbeheer B.V.). (r.o. 10.1-10.2)
eindarrest van 16 augustus 2022 [8] (hierna: het
eindarrest) heeft het hof het vonnis van 22 november 2017 vernietigd en opnieuw rechtdoende:
conventie[eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 41.157,88 verminderd met de bij factuur c. in rekening gebrachte kosten voor het (door de deskundigen) als c4 en c6 aangeduide werk, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze hoofdsom vanaf datum van het eindarrest tot de dag van betaling en met dien verstande dat [eiser] de betaling van de hoofdsom voor een bedrag van € 33.000,-- mag opschorten;
reconventie[verweerster] veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden een bedrag van € 13.000,-- aan schade door huurderving, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na datum eindarrest tot de dag van betaling, alsmede [verweerster] veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden schade aan het souterrain [d-straat 1] in [plaats] voor zover sprake is van schade die bij de tweede instroming door eerdere (niet stapsgewijze maar eenmalige) uitvoering door [verweerster] zou zijn vermeden of voorkomen en schade als gevolg van de derde en vierde instroming, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum van het eindarrest;
4.Bespreking van het cassatiemiddel
In de loop van 2007 is [verweerster] door [eiser] aangesteld als eindverantwoordelijk vakman op de gebieden waarvan de specialisatie kenbaar is uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel."
De vakman [verweerster] kreeg van [eiser] de eindverantwoordelijke beheeropdracht verstrekt in volle omvang met betrekking tot het vakgebied zoals daarvan blijkt uit de inschrijving KvK, welke opdracht in het bijzonder blijkt uit (...) brief14 augustus 2008 (productie 2 CvA) gericht aan [verweerster] als vakman terzake van de riolering."
volledige bestandfacturen [verweerster] c.s. jaren 2007-2013”
in casu is geen sprake van een schriftelijke overeenkomst en ook zijn er bij de
in het wilde weg 'try & error' toepaste en ‘learning on the job’”
Uw verklaring wordt tegemoet gezien inhoudende dat u garandeert dat de aangebrachte voorziening (...) voor de toekomst te allen tijde ervoor zorg draagt, zonder enig voorbehoud, dat terugstromend water uit het gemeente riool nimmer meer het sousterrain kan binnen stromen en onder laten lopen.”
dat u automatisch met een voldoende frequentie preventief noodzakelijk geachte inspecties zult uitvoeren en maatregelen neemt die voorkomen dat zich problemen met de afvoer kan voordoen. (...) nogmaals wordt uw aandacht gevraagd en gevestigd op het feit dat (...) van mijn kant kosten noch moeite wordt gespaard om elke schade hoegenaamd te voorkomen.”
Opdracht is verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden en leveren van infrastructuur welke ertoe leidt dat u garantie afgeeft dat in principe nimmer meer instromend water vanaf de openbare weg dan wel via het openbare rioleringssysteem kan binnendringen in het onder straatniveau gelegen sousterrain in gebruik voor bewoning.
(voor verdere ondernummering)dat de rechtsverhouding in de periode 2007 tot en met 24 november 2011 ruimer c.q. meer omvattend is dan het hof in r.o. 6.14.6 van het eerste tussenarrest vaststelt. Uit de aan het begin van het onderdeel weergegeven stellingen en citaten volgt volgens het subonderdeel dat ook buiten de gestelde beheersovereenkomst voor 23 november 2011 sprake was van een zodanige rechtsverhouding dat er van [verweerster] kan en mag worden verwacht dat zij zich als redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot jegens [eiser] had moeten gedragen.
Het subonderdeel vervolgt dat [eiser] ‘immers’ al bij de brief van [eiser] aan [verweerster] uit 2008, overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord, waaraan het hof refereert in r.o. 6.14.2 en 6.14.3, expliciet aan [verweerster] vraagt om maatregelen ter voorkoming van calamiteiten na onderzoek door [verweerster] aan het riool.
Onder 2.stelt het subonderdeel dat deze brief een mééromvattend(e) overeenkomst/opdracht behelst dan het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden zoals het hof in r.o. 6.14.6 aanneemt.
Subonderdeel 1-Ia, onder 4voegt daaraan toe dat [verweerster] toerekenbaar tekortschiet indien hij wel verder voor [eiser] werkt, maar geen onderzoek pleegt, niet adviseert en de facto voor wat betreft het instromingsrisico (‘de calamiteit’ waarvan [eiser] in de als productie 2 bij CvA overgelegde brief spreekt) op haar handen blijft zitten. Volgens dit subonderdeel getuigt het dan ook van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof voor de periode tot 24 november 2011 kennelijk geen (potentiële) schending aanneemt van hetgeen een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in die periode had behoren te doen en het deskundigenbericht in dat kader expliciet beperkt tot de periode vanaf de bijzondere opdracht per 24 november 2011.
Tevens klaagt het subonderdeel
onder 2.dat niet relevant is voor de op [verweerster] als professional rustende verplichtingen dat er geen allesomvattende beheersovereenkomst wordt aangenomen als het gaat om een aannemingsverhouding. Die kan, anders dan het hof overweegt, wel degelijk een resultaatsverbintenis inhouden, aldus het subonderdeel.
Onder 3.voert het subonderdeel aan dat r.o. 6.14.6 dus getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en daarnaast onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het de aard en omvang van de werkzaamheden die [verweerster] op dat moment voor [eiser] deed miskent, althans onjuist, althans onvolledig vaststelt.
subonderdeel 3-Ilouter een voortbouwende klacht, die ik onbesproken laat.
op p. 20een voortbouwende klacht, waarbij ook wordt gewezen op r.o. 12.12. De voortbouwende klacht faalt in het voetspoor van voorgaande onderdelen. De verwijzing naar r.o. 12.12 wordt in de rest van onderdeel 4 en in onderdeel 5 nader uitgewerkt. Daarvoor verwijs ik dus vooruit.
op p. 21dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof in r.o. 12.2, 12.4 en 12.5 geen grond aanwezig acht om op de eerdere bindende eindbeslissingen (verwezen wordt naar r.o. 6.14 t/m 6.14.7.4 en 6.15.3.2, via ii t/m vi procesinleiding) terug te komen. Het subonderdeel betoogt dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt om, wanneer na een deskundigenrapport is gebleken dat de feiten anders liggen dan door het hof bij tussenuitspraak aangenomen, omwille van de goede procesorde desalniettemin aan een eerder genomen bindende eindbeslissing vast te houden.
De onjuistheid van het betoog van [verweerster] blijkt niet alleen uit de hiervoor geciteerde bevindingen uit het deskundigenbericht, maar de deskundigen hebben ook gemotiveerd op door [verweerster] geplaatste kritische opmerkingen hierover gereageerd dat zij:
“KR 11 (…) van mening [hof: zijn]
(voor verdere ondernummering)aan met een inleidende samenvatting van de overwegingen van het hof. Het bevat tevens
op p. 22 en onder 1 op p. 23de klacht dat onbegrijpelijk is en innerlijk tegenstrijdig dat het hof vasthoudt aan de eerder in met name r.o. 6.14.6, 6.18, 12.7 en 12.10, [26] genoemde en gegeven bindende (eind)beslissingen, waarin het hof ervan blijk geeft uitsluitend de aansprakelijkheid van de periode na 24 november 2011 te beoordelen, maar in r.o. 12.12 wel overweegt dat [verweerster] als redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot [eiser] in ieder geval al vóór de eerste instroming had moeten waarschuwen voor risico’s op inwatering en van [verweerster] toen ook al een onderzoek en advies inzake de riolering had mogen worden verwacht. Hetgeen het hof in r.o. 12.12 overweegt is niet relevant omdat het buiten de te onderzoeken periode valt.
subonderdeel 5-II (onder 2. t/m 6.), die ruim twee pagina’s beslaan, is mij niet geheel duidelijk.
Subonderdeel 5-II, onder 2., eerste alineastelt dat het oordeel in r.o. 12.13 t/m 12.15 onbegrijpelijk is, omdat de deskundigen niet hebben geoordeeld dat het tijdig installeren van het pomp- en klepsysteem de derde en vierde instroming niet had kunnen voorkomen en dat de deskundigen niet hebben beoogd te oordelen dat [verweerster] geen causaal verband kan worden aangerekend met de daarna nog opgetreden derde en vierde instroming. De navolgende alinea’s bevatten passages van dezelfde strekking.
In de derde alinea op p. 23 noemt het subonderdeel de tweede en derde instroming.
Ter onderbouwing stelt het subonderdeel onder 2. onder meer dat het hof zich kennelijk op het verkeerde been heeft laten zetten door het antwoord van de deskundigen op vraag 1 dat de gefactureerde werkzaamheden niet ondeugdelijk uitgevoerd werk betreffen, maar werkzaamheden die [verweerster] al in 2009 aan [eiser] had moeten adviseren. Onder 3. stelt het subonderdeel dat het hof onbesproken laat dat volgens de deskundigen sprake was van herstel van eerder foutief uitgevoerd werk. Ook wijst het subonderdeel onder 2. er op, dat, kort gezegd, de deskundigen in hun antwoord op vraag 2, over het handelen van [verweerster] na de bijzondere opdracht op 24 november 2011, op diverse plaatsen opmerken dat [verweerster] ook in 2009 niet de maatregelen heeft genomen die het volgens de deskundigen als reactie op de bijzondere opdracht had moeten nemen.
Onder 4. stelt het subonderdeel dat de conclusie van het hof dat de derde en vierde instroming ook hadden plaatsgevonden als het stelsel van kleppen en pompen eerder gerealiseerd was geweest, onbegrijpelijk is en dat uit het deskundigenrapport nu juist volgt dat als [verweerster] haar werk goed had gedaan er in het geheel geen instromingen hadden plaatsgevonden.
onder a.aan dat het hof ook in r.o. 12.15 de op [verweerster] rustende zorgplicht miskent die uit het deskundigenbericht blijkt. Omdat de deskundigen van mening zijn dat [verweerster] vanaf het moment dat zij werd ingeschakeld in 2007 een waarschuwings- en zorgplicht had en die niet is nagekomen, wijst het hof ten onrechte [naar ik begrijp: niet] ten aanzien van alle vier de instromingen de schade toe, aldus het subonderdeel.