Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 november 2020.
[slachtoffer]:
[slachtoffer]:
[slachtoffer]:
mededeling van verbalisant:
Feiten en omstandigheden
het hof begrijpt: uit de woning van [slachtoffer] in de nacht van hei geweldincident).
wellicht weleens in de auto is geweestvan degene waarin de wapenstok is aangetroffen’ en ‘
misschiende wapenstok op de zetel heeft weggelegd' acht het hof niet geloofwaardig en wordt terzijde geschoven. Het voorgaande laat naar het oordeel van het hof geen andere conclusie toe dan dat de verdachte de wapenstok heeft gebruikt tijdens het plegen van de onderhavige feiten.
Poging diefstal
Resumerend kan er daarmee niet worden gesproken van een begin van uitvoering nu onvoldoende uit het dossier blijkt dat de woning op of omstreeks 16/17 maart is betreden c.q. doorzocht met als doel het wegnemen van geld en/of goederen.
Daarnaast blijkt niet althans in onvoldoende mate dat het geld aan anderen toebehoorde.Het OM wees in dit verband naar [betrokkene 1], maar die ontkent dat. Net als dat [slachtoffer] ontkent dat het om zijn eigendommen c.q. toebehoren ging. En hoe moeten de verdachten dan precies hebben geweten waar het geld en/of de goederen gelegen zouden hebben? Omdat het om hun geld en/of goederen ging. Uit het dossier volgt in dit verband duidelijk dat het niet om een klassieke diefstal of een rip ging. Men was op zoek naar hun eigen spul. En indien een goed wordt weggenomen dat ten tijde van het wegnemen niet toebehoort “aan een ander”, is geen sprake van diefstal.
Als u van oordeel bent dat er wél sprake is geweest van een poging diefstal, meen ik dat er partieel moet worden vrijgesproken van de geweldscomponent. Immers was de woning al doorzocht op het moment dat [slachtoffer] bij de woning aankwam. Het geweld dat vervolgens zou zijn aangewend, was dan ook niet dienstig aan de poging diefstal. Die was immers al beëindigd toen de woning was doorzocht en duidelijk was geworden dat hetgeen dat werd gezocht niet aanwezig was. Er was dan ook hoogstens sprake van een poging diefstal.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Maassen/Nederland), EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 73329/16 (
Hasselbaink/Nederland), EHRM 9 februari 2021, nr. 69491/16 (
Zohlandt/Nederland) en meer recent EHRM 21 februari 2023, nr. 52048/16 (
Hysa/Albanië), betoogd dat het hof in strijd met de eisen die uit art. 5, derde lid, EVRM volgen de beslissing omtrent de gevangenneming van de verdachte onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarmee miskennen de stellers van het middel dat art. 5, derde lid, EVRM hier niet van toepassing is. De daarin gestelde eisen hebben immers betrekking op de situatie als bedoeld in art. 5, eerste lid onder c, EVRM, dat wil zeggen op voorlopige hechtenis in het geval van een redelijke verdenking
voorafgaandaan een veroordeling. Zo een situatie doet zich te dezen niet voor. Het hof heeft immers de gevangenneming bevolen
nadatde verdachte is veroordeeld tot een vrijheidsstraf in de zin van art. 5, eerste lid onder a, EVRM. [5] Dat neemt evenwel niet weg dat beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis telkens een op de voorliggende zaak toegesneden motivering moeten bevatten. Deze algemene motiveringsplicht vloeit mede voort uit de eisen die art. 78, tweede lid, Sv stelt aan bevelen tot voorlopige hechtenis en tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan. [6] Ook in een geval als het onderhavige worden dus eisen gesteld aan de motivering van het bevel tot gevangenneming van de verdachte.
Slotsom