ECLI:NL:PHR:2023:841

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
25 september 2023
Zaaknummer
22/00126
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 585 SvArt. 586 SvArt. 587 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing aanhoudingsverzoek in hoger beroep

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete. In hoger beroep werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard, waarna cassatie werd ingesteld. Tijdens de terechtzitting van het hof op 20 oktober 2021 was de verdachte niet verschenen en de raadsman verzocht om aanhouding van de zaak omdat hij geen contact met de verdachte kon krijgen en mogelijk de verdachte geen weet had van de zitting.

Het hof wees het verzoek af met de motivering dat er geen indicatie was dat het adres van de verdachte onjuist was, er voldoende tijd was geweest om contact te leggen en de verdachte niet had gereageerd op oproepen van de reclassering. De advocaat-generaal stelde dat het hof geen belangenafweging had gemaakt tussen alle betrokken belangen bij aanhouding, zoals vereist volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het verzoek tot aanhouding werd afgewezen zonder de noodzakelijke belangenafweging te maken, terwijl niet was vastgesteld dat de oproeping in persoon was betekend of dat de verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de zitting. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling.

De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot vernietiging en terugwijzing, zonder dat ambtshalve andere gronden voor vernietiging werden gevonden. De zaak wordt nu opnieuw door het hof Arnhem-Leeuwarden behandeld op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00126
Zitting17 oktober 2023

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 20 oktober 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden nietontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De politierechter heeft de verdachte op 6 juni 2019 wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling", veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, met een proeftijd van 3 jaren en de verdachte daarnaast een geldboete opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 20 oktober 2021 door de raadsman gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 oktober 2021 houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“De verdachte (…) is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. A. de Haan, advocaat te Heerenveen, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De raadsman deelt het volgende mee:
Ik verzoek het hof om de zaak aan te houden. Ik heb alles geprobeerd om mijn cliënt te bereiken, maar dat is helaas niet gelukt. Ik wil nogmaals proberen of ik met hem in contact kan komen.
De advocaat-generaal deelt mee dat hij zich verzet tegen aanhouding van de zaak nu alles al in het werk is gesteld om verdachte te bereiken en dat niet tot enig resultaat heeft geleid.
Het hof trekt zich terug voor beraad.
Na beraad van het hof deelt de voorzitter mee dat het verzoek tot schorsing van het onderzoek wordt afgewezen. De raadsman heeft naar eigen zeggen al alles geprobeerd om met verdachte in contact te komen. Er is voldoende tijd geweest om het contact te leggen. Verdachte heeft ook niet gereageerd op de oproepen van de reclassering. Er is ook geen indicatie dat het adres van verdachte niet juist zou zijn.”
3.3
Het hof heeft in het kader van zijn beslissing op het verzoek tot aanhouding overwogen dat er “geen indicatie [is] dat het adres van verdachte niet juist zou zijn”, zodat het hof hetgeen de raadsman aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag heeft gelegd kennelijk mede zo heeft opgevat dat de verdachte mogelijk geen weet heeft van de zitting. [1]
3.4
Voor gevallen die hierdoor worden gekenmerkt dat de raadsman op de terechtzitting aangeeft dat hij niet weet waarom de verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, en om die reden een aanhoudingsverzoek doet, heeft de Hoge Raad het volgende beoordelingskader geformuleerd: [2]
“2.4.2.
De aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte (mogelijk) geen weet heeft van de zitting, kan zonder meer als "niet aannemelijk" worden beoordeeld indien de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend. Dan kan de rechter, gelet op wat hiervoor onder 2.3 is weergegeven, het verzoek reeds op deze grond afwijzen.
2.4.3.
Indien de dagvaarding of de oproeping weliswaar niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze - dat wil zeggen: in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke voorschriften (art. 585-590 Sv) alsmede de in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking gebrachte regels (vgl. in het bijzonder HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163) - is betekend, kan de rechter dat verzoek niet op die enkele grond afwijzen. Uit zo'n betekening volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op de hoogte is van de zitting. In dat geval is een afwijzing van het verzoek tot aanhouding op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, alleen mogelijk indien op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting.
2.4.4.
Indien niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Bij die belangenafweging kan vervolgens wel betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de dagvaarding of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep op rechtsgeldige wijze, zij het niet in persoon, is betekend. Zoals tot uitdrukking is gebracht in HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.36-3.37, mag dan immers van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld - opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het kennelijk niet treffen door de verdachte van dergelijke in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen kan de rechter in hoger beroep - naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak - in de vereiste belangenafweging betrekken.”
3.5
Het hof heeft het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting omdat de raadsman geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte en hij mogelijk geen weet heeft van de zitting, afgewezen op de grond dat de raadsman “naar eigen zeggen al alles geprobeerd heeft om met de verdachte in contact te komen”, “er voldoende tijd [is] geweest om het contact te leggen”, “verdachte ook niet [heeft] gereageerd op de oproepen van de reclassering” en “er ook geen indicatie [is] dat het adres van de verdachte niet juist zou zijn.” Nu het hof niet heeft vastgesteld dat de oproeping in hoger beroep aan de verdachte in persoon is uitgereikt of dat de verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van de datum van de zitting, had het hof de onder 3.4 in rechtsoverweging 2.4.4. bedoelde afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het hof heeft er echter niet blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. Het hof heeft daarom de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ontoereikend gemotiveerd.
3.6
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie ook HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1608 waarin de raadsvrouw – evenals in de onderhavige zaak – ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek naar voren had gebracht dat zij geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte en dit nogmaals wenste te proberen. De Hoge Raad nam vervolgens aan dat aan het verzoek tot aanhouding mede de omstandigheid ten grondslag was gelegd dat de verdachte (mogelijk) geen weet had van de zitting.
2.HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142 en HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1145.