ECLI:NL:PHR:2023:861

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
2 oktober 2023
Zaaknummer
22/00783
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36g SvArt. 450 SvArt. 588a Sv (oud)Art. 279 SvArt. 48 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens correcte betekening appeldagvaarding aan verdachte

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld wegens openlijk in vereniging geweld plegen en kreeg een taakstraf opgelegd. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat de dagvaarding correct was betekend op het bij de BRP geregistreerde adres, ondanks dat geen afschrift was gestuurd naar het kantooradres van de raadsman zoals vermeld in de schriftelijke bijzondere volmacht.

Het cassatieberoep klaagde dat het hof het onderzoek ter terechtzitting niet had moeten schorsen vanwege het ontbreken van toezending van de appeldagvaarding aan het kantooradres van de raadsman. De Hoge Raad overweegt dat het kantooradres van de raadsman niet geldt als het adres voor toezending van de dagvaarding volgens artikel 36g Sv, en dat het hof terecht verstek verleende tegen de niet-verschenen verdachte.

De Hoge Raad bevestigt de lijn uit eerdere jurisprudentie dat het adres in de schriftelijke volmacht niet automatisch het adres is voor toezending van de dagvaarding, tenzij de dagvaarding direct na het instellen van het hoger beroep aan een griffiemedewerker wordt uitgereikt. De verdachte stond ingeschreven op het adres waar de dagvaarding is uitgereikt, waardoor het hof geen onjuiste rechtsopvatting had. Het middel faalt en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het hof terecht verstek verleende ondanks het ontbreken van toezending van de appeldagvaarding aan het kantooradres van de raadsman.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00783
Zitting31 oktober 2023

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 januari 2022 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2021, waarbij de politierechter de verdachte wegens “het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen/goederen”, heeft veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis waarvan 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast houdt het vonnis een beslissing in op de vordering van de benadeelde partij.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, S. van den Akker en P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat geen afschrift van de appeldagvaarding is gezonden naar het door de verdachte opgegeven adres zoals vermeld in de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep, zodat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst.
3.2
De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
( i) een door de griffier opgemaakte akte rechtsmiddel, inhoudende dat [betrokkene 1] op 10 november 2021 ter griffie van de rechtbank Amsterdam is gekomen en, daartoe gemachtigd, hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 28 oktober 2021. De aan deze akte gehechte schriftelijke volmacht van 10 november 2021, verleend door mr. S.J. van Galen, houdt onder meer het volgende in:
“De akte en de oproep voor de behandeling van het hoger beroep kunnen worden gestuurd naar onderstaand adres:
Hendriksen & Mühren Strafrecht Advocaten
Schoolplein 2
1441 GV Purmerend”
  • ii) de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2022 is blijkens de hierbij behorende akte van uitreiking op 10 december 2021 niet in persoon aan de verdachte uitgereikt op het adres [a-straat 1] , [plaats] . Er is een kruisje gezet in het hokje bij ‘Ja’ achter de tekst ‘Aan een ander op het vermelde adres, die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven’. Bij voorletters en naam ontvanger is vermeld ‘ [betrokkene 2] ’;
  • iii) een Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 14 januari 2022, inhoudende dat de verdachte vanaf 20 november 2020 in de basisregistratie personen (hierna: BRP) staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] , [plaats] ;
( iv) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2022 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
adres: [a-straat 1] , [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Het hof constateert dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep op de bij de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte is betekend.
Het hof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
3.3
Uit de toelichting blijkt dat het middel in de kern klaagt over het oordeel van het hof dat verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte, terwijl verzuimd is een afschrift van de appeldagvaarding te versturen naar het in de volmacht genoemde kantooradres van de raadsman [1] . De steller van het middel betoogt dat het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak nietig zijn, aangezien het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen teneinde de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn.
3.4
Artikel 36g Sv [2] luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
“1.
In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
(…)
c.
indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. (…)
3.
Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:
(…)
c.
de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in het eerste lid heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in basisregistratie personen wijzigt (…)”
3.5
In zijn arrest van 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3190 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: [3]
"2.6. Opmerking verdient nog dat de opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding als bedoeld in art. 450, derde lid, Sv zich onderscheidt van de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid onder c, Sv [AEH: thans artikel 36g, eerste lid onder c, Sv]. Eerstgenoemde opgave is verplicht indien het instellen van het hoger beroep geschiedt door middel van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een medewerker ter griffie. Deze verplichting houdt verband met de in art. 450, derde lid, Sv voorziene mogelijkheid dat aanstonds na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen wordt uitgereikt aan een medewerker ter griffie. Die uitreiking geldt als uitreiking in persoon aan de verdachte, waarbij een afschrift van de oproeping aan het namens de verdachte opgegeven adres als bedoeld in art. 450, derde lid, Sv wordt verzonden (art. 450, vijfde lid, Sv). Dat mag ook het kantooradres van de advocaat betreffen die namens de verdachte een schriftelijke volmacht heeft verleend aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen.
Indien de betekening van de dagvaarding of de oproeping niet aanstonds na het instellen van het hoger beroep geschiedt, doch op een nadien gelegen moment, vindt de regeling van art. 450, vijfde lid, Sv geen toepassing maar bestaat op grond van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv [AEH: thans artikel 36g, eerste lid aanhef en onder c, Sv] wel de verplichting - behoudens in de gevallen genoemd in art. 588a, derde lid, Sv [AEH: thans artikel 36g, derde lid, Sv]- om een afschrift van de dagvaarding of oproeping toe te zenden aan een door of namens de verdachte bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres in Nederland waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3320, NJ 2016/18, is overwogen dat aangenomen moet worden dat art. 588a, eerste lid onder c, Sv [AEH: artikel thans 36g, eerste lid onder c, Sv] niet het oog heeft op het kantooradres van een advocaat dat is vermeld in de akte rechtsmiddel of de door hem verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van het rechtsmiddel, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Met betrekking tot de ontvangst van (afschriften van) dergelijke mededelingen geldt immers de regeling van art. 48 Sv Pro. Dat laat overigens onverlet, naar in voornoemd arrest is overwogen, dat - gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht - in het specifieke geval dat de appeldagvaarding op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3°, Sv ter griffie [AEH: in artikel 36e, tweede lid, Sv is de bepaling gewijzigd dat aan het openbaar ministerie wordt uitgereikt in plaats van aan de griffier van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend] is uitgereikt om reden dat de verdachte niet is ingeschreven in een BRP en niet is gedetineerd in Nederland, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is, de appelrechter bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling mag nemen dan nadat een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden naar het in de akte rechtsmiddel dan wel in de schriftelijke volmacht vermelde kantooradres van de advocaat opdat de verdachte mogelijk langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak."
3.6
De hiervoor beschreven lijn in de rechtspraak heeft betrekking op art. 588a (oud) Sv, zoals dat tot 1 januari 2020 luidde. Op die datum is de betekeningsregeling gewijzigd en is (onder meer) art. 588a Sv verplaatst naar een nieuwe titel IIB in het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering. [4] Art. 588a (oud) Sv is daarbij niet ongewijzigd overgenomen in art. 36g Sv. De aangebrachte wijzigingen zien onder meer op de mogelijkheid om het opgegeven elektronisch adres te wijzigen, het betekenen van de dagvaarding dan wel oproeping aan het openbaar ministerie in plaats van aan de griffier van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend, alsmede de toevoeging van een nieuwe grond voor het niet hoeven toezenden van een afschrift van een dagvaarding of oproeping in art. 36g, derde lid, onder c, Sv in het geval dat de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in art. 36g, eerste lid, Sv heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de BRP wijzigt. [5] Het laatstgenoemde geval doet zich in onderhavige zaak niet voor.
3.7
Nu de oude en nieuwe regeling voor wat betreft de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding naar het in de akte rechtsmiddel dan wel in de schriftelijke volmacht vermelde adres niet inhoudelijk verschillen - met uitzondering van toevoeging van de nieuwe grond voor het niet hoeven toezenden van een afschrift van de dagvaarding dan wel oproeping zoals bedoeld in art. 36g, derde lid, onder c, Sv - kan worden aangenomen dat de onder 3.5 uiteengezette rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 588a (oud) Sv, voor zover het de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding naar het in de akte rechtsmiddel dan wel in de schriftelijke volmacht vermelde (kantoor)adres (van een advocaat) betreft, ook thans nog zonder meer van toepassing is.
3.8
Het voorgaande brengt mee dat de opgave van het kantooradres van de raadsman voor toezending van de akte en de oproep voor de behandeling van het hoger beroep in de onder 3.2 onder (i) genoemde schriftelijke bijzondere volmacht geldt als de opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding als bedoeld in art. 450, derde lid, Sv. In deze zaak heeft zich echter niet de in die wetsbepaling voorziene situatie voorgedaan dat aanstonds na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen is uitgereikt aan een medewerker ter griffie. Het kantooradres van de raadsman dat wordt genoemd in de onder 3.2 onder (i) genoemde schriftelijke bijzondere volmacht geldt niet als adres als bedoeld in art. 36g, eerste lid onder c, Sv (HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3320). In deze zaak doet zich evenmin, gelet op de onder 3.2 onder (ii) en (iii) genoemde gegevens, het specifieke geval voor dat de appeldagvaarding op de voet van artikel 36e, tweede lid, Sv aan het openbaar ministerie is uitgereikt om reden dat de verdachte niet is ingeschreven in de BRP en niet is gedetineerd in Nederland en geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is. De verdachte stond immers met ingang van 20 november 2020 in de BRP ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] alwaar de dagvaarding ook is uitgereikt.
3.9
Het kennelijke oordeel van het hof dat de omstandigheid dat geen afschrift is verzonden naar het in de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep opgegeven adres geen aanleiding gaf om over te gaan tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Die zich overigens niet heeft gesteld in hoger beroep, hetgeen in cassatie ook niet ter discussie wordt gesteld.
2.Artikel 588a (oud) Sv is bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; ook wel Wet USB genoemd), vervangen door artikel 36g Sv.
3.Zie ook HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1569 en HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2048, NJ 2018/445.
4.Zie voetnoot 2.