Conclusie
Nummer21/03514
Inleiding
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
De zaak
Het middel van het Openbaar Ministerie
een hoeveelheid” (terwijl 1136,6 kg was ten laste gelegd), aldus de steller van het middel.
De tenlastelegging, de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof
Het beoordelingskader
elke gedraging die wordt bedoeld te dienen ter voorbereiding van een strafbaar feit zonder dat die gedraging reeds een begin van uitvoering van het feit oplevert (anders zou er, althans bij misdrijven, sprake zijn van strafbare poging)”. [6] Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet eenduidig wat onder ‘bevorderingshandelingen’ moet worden verstaan. [7]
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10 Opiumwet Pro is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10) deze dienen. Indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter.Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan(vgl. HR 13 maart 2001, LJN AB0494, NJ 2001/338).” [9]
De beoordeling van het middel
nadatde verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer geacht worden te kunnen strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van verdovende middelen. [11] Omdat het hof heeft vastgesteld dat de onder 2 ten laste gelegde voorbereidings- c.q. bevorderingshandelingen door de verdachte zijn verricht ná de inbeslagneming van het merendeel van de in de zeecontainer aangetroffen cocaïne, heeft het hof de bewezenverklaring beperkt tot “
een hoeveelheid”, klaarblijkelijk niet zijnde de 1136,6 kilogram.
nietheeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van voorbereidingshandelingen vanwege de omstandigheid dat met dergelijke handelingen een begin is gemaakt na het moment van inbeslagneming.