ECLI:NL:PHR:2012:BX6767
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over strafbaarheid van voorbereidings- en bevorderingshandelingen bij invoer cocaïne
In deze zaak stond de vraag centraal of gedragingen van verdachte, verricht na het begin van het transport van een container met cocaïne, als voorbereidings- of bevorderingshandelingen in de zin van art. 10a Opiumwet kunnen worden aangemerkt. Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot het opzettelijk afleveren, vervoeren en binnenbrengen van circa 360 kilogram cocaïne.
De verdediging voerde aan dat de gedragingen van verdachte uitvoeringshandelingen waren en daarom niet onder art. 10a Opiumwet vielen, met het verzoek tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging. Het hof verwierp dit verweer en stelde vast dat verdachte intensief betrokken was bij het transport en de logistiek rondom de container, ondanks dat de cocaïne al door de Belgische politie was verwijderd.
De Hoge Raad bevestigt dat art. 10a Opiumwet ook strafbaarstelling beoogt van voorbereidings- en bevorderingshandelingen die plaatsvinden nadat het misdrijf niet meer kan worden voltooid, bijvoorbeeld door inbeslagname van de drugs. De ratio legis is dat het voorbereiden en bevorderen als zodanig strafbaar moet zijn, ongeacht het uitblijven van het begin van uitvoering. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat het hof het verweer terecht heeft verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen ex art. 10a Opiumwet.