Conclusie
Nummer21/04084
Inleiding
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd”, 2. “
medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd” en 3. “
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De bewijsconstructie van het hof
1. een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, d.d. 26 november 2015 (p. 140-144 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:
Het middel
wederrechtelijkidentificerende persoonsgegevens – niet zijnde biometrische persoonsgegevens – van een ander heeft gebruikt. Dat oordeel van het hof is, vanwege de omstandigheid dat het slachtoffer toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar bankgegevens, onjuist dan wel onbegrijpelijk, aldus de stellers van het middel.
Het beoordelingskader
Stb. 2014, 125, die in werking is getreden op 1 mei 2014 (
Stb. 2014, 149). De bepaling betreft een aanvulling op de artikelen 231 en 231a Sr, en strekt ertoe fraude met identificerende persoonsgegevens, andere dan biometrische gegevens, te kunnen bestrijden en slachtoffers ervan te beschermen:
valt af te leiden dat hij heeft gehandeld met het telaste gelegde oogmerk”. De Hoge Raad was van oordeel dat het hof uit de bewijsmiddelen had kunnen afleiden dat hetgeen de verdachte met het oog op bevoordeling had verricht “
van zodanige aard is en op zodanige wijze is geschied, dat daaruit door het Hof kon worden afgeleid” dat de verdachte moet hebben beseft dat hij “
de grenzen van het maatschappelijk betamelijke daarmede verre overschreed”. Tegen die achtergrond had het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte had gehandeld met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Ook in deze context gaf de Hoge Raad niet met zoveel woorden een omschrijving van het begrip ‘wederrechtelijk’; verduidelijkt werd slechts dat het (in verregaande mate) overschrijden van de grenzen van het maatschappelijk betamelijke een bewezenverklaring van de wederrechtelijkheid kon dragen. De ‘wederrechtelijkheid’ lijkt daarmee te zijn opgegaan in ‘het onoorbare karakter van het gebruikte middel’. [15]