ECLI:NL:PHR:2023:886

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
23/00727
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 1:200 BWArt. 1:212 BWArt. 149 RvArt. 221 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over maatstaf gerechtelijke vaststelling vaderschap en DNA-onderzoek

De zaak betreft een verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Subsidiair verzocht zij de man te gelasten mee te werken aan een DNA-onderzoek. Het hof wees het verzoek af omdat de moeder onvoldoende concrete feiten had gesteld waaruit aannemelijk zou zijn dat de man de verwekker kon zijn.

De moeder stelde dat zij de man in Kroatië had ontmoet en geslachtsgemeenschap met hem had gehad, ondersteund door een foto en een verklaring van een vriendin. Het hof vond deze feiten onvoldoende en stelde een te strenge maatstaf aan de bewijsvoering. De man voerde geen verweer.

De Hoge Raad overweegt dat voor het gelasten van een DNA-onderzoek niet vereist is dat het vaderschap vaststaat, maar dat aannemelijk moet zijn dat de man de verwekker kan zijn. Het hof heeft deze maatstaf onjuist toegepast en onvoldoende gemotiveerd waarom de door de moeder gestelde feiten niet voldoende zijn. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00727
Zitting6 oktober 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de moeder] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
tegen
[de man] ,
verweerder in cassatie,
hierna: de man,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

Deze zaak ziet op het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap van de man over het kind en tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, door de man te voldoen. Subsidiair verzoekt de moeder de man te gelasten mee te werken aan een DNA-onderzoek. Het hof heeft het verzoek van de moeder afgewezen, omdat de moeder onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan voldoende aannemelijk is geworden dat de man de verwekker van het kind kan zijn. Over dit oordeel klaagt de moeder. De moeder klaagt bovendien dat het hof ten onrechte een te strenge maatstaf heeft toegepast, die erop neerkomt dat de moeder aannemelijk moet maken dat de man de verwekker van het kind
is.

2.Feiten en procesverloop

Feiten [1]
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
- Uit de moeder is op [geboortedatum] 2013 te [plaats] , België, [het kind] (hierna: het kind) geboren. De moeder oefent alleen het gezag uit over het kind. Het kind woont bij de moeder in [woonplaats] .
- De moeder en het kind bezitten de Nederlandse nationaliteit. De man bezit de Spaanse nationaliteit en woont in Spanje.
Procesverloop [2]
2.2
Op [geboortedatum] 2017 heeft de moeder een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank). De moeder heeft de rechtbank verzocht om het vaderschap van de man over het kind vast te stellen en een door de man aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind te bepalen.
2.3
Op respectievelijk 25 juli 2017, 28 augustus 2018 en 10 december 2019 hebben regiezittingen plaatsgevonden, waarvoor zijn opgeroepen en verschenen de moeder en haar (toenmalig) advocaat, omdat, kort gezegd, het adres van de man in Spanje onduidelijk was. Tijdens deze regiezittingen is de vraag aan de orde gesteld welke inspanningen de moeder had verricht om het adres van de man te achterhalen.
2.4
Bij beschikking van 10 december 2019 heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder afgewezen, omdat de moeder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inspanningen had verricht om het adres van de man in Spanje te achterhalen.
2.5
De moeder is op 10 maart 2020 van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof). De moeder heeft primair verzocht over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man met betrekking tot het kind en een door de man aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind te bepalen. Subsidiair heeft de moeder, kort samengevat, verzocht de man te veroordelen om binnen vier weken na de uitspraak in hoger beroep zijn medewerking te verlenen aan de vaststelling van het biologisch vaderschap van de man ten opzichte van het kind door middel van DNA-onderzoek, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de man weigert zijn medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek met een maximum van € 20.000,-.
2.6
De man heeft geen verweer gevoerd.
2.7
Op 12 februari 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden inzake de ontvankelijkheid van de moeder in hoger beroep.
2.8
Bij beschikking van 7 april 2022 heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, ingevolge artikel 1:212 BW Pro een bijzondere curator voor het kind benoemd, waarbij de bijzondere curator is verzocht uiterlijk 5 mei 2022 aan het hof schriftelijk te rapporteren, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.9 van de beschikking. Iedere overige beslissing is pro forma aangehouden.
2.9
De bijzondere curator heeft op 17 mei 2022 zijn advies uitgebracht. [3] Daarin adviseert de bijzondere curator het hof – kort samengevat – het verzoek van de moeder toe te wijzen, ook zonder het verlangen van nader bewijs in de vorm van een DNA-onderzoek.
2.1
De mondelinge behandeling is voortgezet op 30 september 2022.
2.11
Bij beschikking van 24 november 2022 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof concludeert, samenvattend, dat de moeder onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de man de verwekker van het kind kan zijn, zodat het hof aan het gelasten van een DNA-onderzoek niet toekomt en het verzoek van de moeder om een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind eveneens moet worden afgewezen.
2.12
De moeder heeft tijdig [4] cassatieberoep ingesteld van de bestreden beschikking. De man heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
In de kern komen de klachten erop neer dat het hof uitgaat van een onjuiste, want te strenge, maatstaf bij de vraag of en zo ja wanneer iemand als verwekker in de zin van art. 1:207 BW Pro kan worden aangemerkt. Daarnaast is het oordeel, gelet op wat door de moeder is aangevoerd, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. [5]
3.2
De klachten zijn gericht tegen rechtsoverweging 8.4.1. t/m 8.4.3. van de bestreden beschikking. Daarin heeft het hof het volgende overwogen:
“8.4.1. Aan het hof ligt eerst de vraag ter beantwoording voor of de moeder voldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan voldoende aannemelijk is geworden dat de man de verwekker van [het kind] kan zijn. Het hof is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.
8.4.2.
De moeder heeft aangevoerd dat zij de man en diens broer in Kroatië heeft leren kennen in een bar, waar zij op dat moment met een vriendin aanwezig was. De moeder en de man zouden op enig moment de bar hebben verlaten en geslachtsgemeenschap met elkaar hebben gehad. Sindsdien heeft de moeder de man niet meer gezien. Een foto, waarop volgens de moeder, voornoemde vriendin en de man staan afgebeeld, heeft de moeder ter ondersteuning van haar stelling in het geding gebracht. Zij heeft voorts een brief van voornoemde vriendin ( [betrokkene 1] ) van 6 maart 2020 in het geding gebracht. [betrokkene 1] onderschrijft weliswaar dat in de periode van conceptie van [het kind] de moeder in Kroatië in een ‘night club’ met een man aan de praat is geraakt en dat de moeder en die man gedurende circa een uur de club hebben verlaten, maar alleen deze verklaring in combinatie met de betreffende foto is onvoldoende om aannemelijk te achten, dat de man de verwekker van [het kind] is. De verklaringen van de broer van de moeder zijn louter gebaseerd op hetgeen de moeder hem heeft verteld, terwijl hij uit eigen wetenschap geen concrete en relevante feiten geeft over het mogelijk verwekkerschap. Een oom dan wel neef van de man heeft slechts laten weten dat de familie van de man zich niet wil bemoeien met deze kwestie en tegenover een mediator heeft de man evenmin een voor de beoordeling relevante mededeling gedaan. Het staat vast dat [het kind] ongeveer negen maanden na de vakantie in Kroatië is geboren en dat de moeder ervan overtuigd is dat de man de verwekker is. Die feiten alleen zijn echter onvoldoende om in rechte aannemelijk te achten dat de man de verwekker kan zijn. Weliswaar heeft de moeder zich ervoor ingespannen, met hulp van haar broer, met de man in contact te komen, maar dat is naar het oordeel van het hof van onvoldoende doorslaggevende betekenis. De omstandigheid dat de man niet in de procedure is verschenen en derhalve geen verweer heeft gevoerd, doet niet af aan het uitgangspunt dat het op de weg van de moeder ligt voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de man de verwekker van [het kind] kan zijn.
8.4.3.
Samenvattend wordt geconcludeerd dat de moeder onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de man de verwekker van [het kind] kan zijn, zodat het hof aan het gelasten van een DNA-onderzoek niet toekomt. Hieruit volgt dat het verzoek van de moeder om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] eveneens dient te worden afgewezen.”
3.3
Geklaagd wordt allereerst [6] dat het hof in de hiervoor geciteerde overwegingen, op basis van de in rov. 8.4.2. aangehaalde omstandigheden, ten onrechte oordeelt dat de moeder onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de man de verwekker van het kind kan zijn en daarop volgend dat het verzoek van de moeder om een DNA-onderzoek en daarmee het verzoek tot vaststelling van het vaderschap van de man en vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind wordt afgewezen. Dat oordeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het hof noemt volgens de klacht in rov. 8.4.1. t/m 8.4.3. wel het rechtens juiste criterium, te weten de vraag of aannemelijk is geworden dat de man de verwekker van het kind
kan zijn, maar de toepassing die het hof in rov. 8.4.2. aan het wettelijk criterium geeft, is daarmee strijdig, want te streng. Het hof past het criterium zo toe dat de moeder zou moeten stellen (en bewijzen) om tot een DNA-onderzoek te worden toegelaten dat de man de verwekker van het kind
is. Het hof benoemt dit halverwege rov. 8.4.2. ook daadwerkelijk zo.
3.4
Voorts [7] wordt geklaagd dat in elk geval in rov. 8.4.2. onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend is gemotiveerd dat het hof op basis van de aangehaalde omstandigheden oordeelt dat de moeder onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de man de verwekker van het kind kan zijn. Uit wat het hof in rov. 8.4.2. vaststelt als wat de moeder (onbetwist) heeft gesteld, kan immers in redelijkheid niets anders worden afgeleid dan dat zonder meer aannemelijk is dat de man de verwekker van het kind kan zijn, aldus de klacht.
3.5
Verder [8] wordt geklaagd dat het hof in rov. 8.4.1. t/m 8.4.3. te hoge eisen stelt aan de stelplicht om te mogen worden toegelaten tot een DNA-onderzoek in een vaderschapsactie. Daarbij heeft het hof miskend dat het hier gaat om de fase van de stelplicht van art. 149 Rv Pro ter zake van het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap. De vraag of de moeder voldoende heeft gesteld, wordt beïnvloed door het verweer dat is gevoerd. De man is niet in de procedure verschenen en heeft (dus) geen verweer gevoerd. Hoewel vaststelling van het vaderschap een rechtsgevolg is dat niet ter vrije bepaling van partijen staat, en de rechter dus nader bewijs kan verlangen, staan de door de moeder gestelde feiten in beginsel vast, nu daartegen door de man geen verweer is gevoerd. Het hof legt de lat dan ook te hoog ten aanzien van hetgeen de moeder moet stellen om tot een DNA-onderzoek te worden toegelaten, aldus nog steeds de klacht. Immers, naar de aard zal er in zaken als deze doorgaans niet veel meer bewijs zijn dan de moeder heeft aangevoerd en het hof ook vaststelt in rov. 8.4.2. De vraag die zich dan opdringt, is hoeveel de moeder volgens het hof nog meer had moeten stellen om wel tot een DNA-onderzoek te worden toegelaten.
3.6
Bovendien [9] heeft het hof nagelaten de onderbouwde stellingen van de moeder in onderlinge samenhang te bezien en daarbij essentiële stellingen van de moeder onbesproken gelaten, waardoor het oordeel onbegrijpelijk is. Het hof heeft in rov. 8.4.2. de eerste vier stellingen van de moeder afgedaan met de overweging dat deze onvoldoende zijn om aannemelijk te achten dat de man de verwekker van het kind
is. Het hof heeft daarnaast ten onrechte een zestal essentiële stellingen van de moeder niet (kenbaar) in zijn afweging betrokken, waardoor het oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd.
3.7
Onder I-II wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat het kind recht heeft om te weten van wie hij afstamt, welk recht onder andere wordt beschermd door art. 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het hof had dit recht van het kind volgens de klacht bij zijn oordeel moeten betrekken, vooral gezien het feit dat de moeder daarop in hoger beroep heeft gewezen. Het nalaten hiervan getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is daarnaast onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, nu het hof een essentiële stelling van de moeder heeft gepasseerd.
3.8
Tenslotte wordt onder I-IV [10] geklaagd dat het oordeel onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof het advies van de bij tussenbeschikking van 7 april 2022 benoemde bijzondere curator en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming niet (kenbaar) in zijn motivering heeft betrokken.
3.9
Volgens art. 1:207 lid 1 BW Pro (oud) kan de rechter het vaderschap van een man vaststellen op de grond dat deze de verwekker
isvan het kind. [11] Daarbij is geen plaats voor een afweging van de belangen van het kind tegenover die van de verwekker. [12]
3.1
De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is in het Nederlands recht geïntroduceerd bij Wet van 24 december 1997, inwerking getreden op 1 april 1998. [13] Volgens de memorie van toelichting (hierna: MvT) [14] kan de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap worden beschouwd als een laatste mogelijkheid om een familierechtelijke betrekking met de verwekker – zo nodig na zijn overlijden – tot stand te brengen, indien de bereidheid van de verwekker zelf daartoe niet bestaat dan wel wellicht wel bestaan heeft, maar tijdens zijn leven niet geleid heeft tot erkenning. [15]
3.11
Met betrekking tot de vraag wie kan worden aangemerkt als verwekker van het kind wordt in de MvT, voor zover thans van belang, onder andere het volgende vermeld:
‘De verwekker van een kind is de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan. (…) Grond voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is immers dat de man de verwekker is van het kind (…). Vaststelling van het vaderschap door de rechter geschiedt op de grond dat de desbetreffende man de verwekker is van het kind.’ [16]
En voorts:
‘Tot gerechtelijke vaststelling kan slechts worden beslist, indien de man de verwekker is van het kind dan wel als levensgezel ingestemd heeft met kunstmatige bevruchting (met zijn of andermans zaad) of met geslachtsgemeenschap van de moeder met een andere man (artikel 207, eerste lid). (…) In het eerste geval zal, tenzij de aangesproken man zijn verwekkerschap niet betwist, de gerechtelijke vaststelling alleen kunnen geschieden, indien duidelijk wordt dat de man de verwekker van het kind is geweest. Via DNA-onderzoek kan dit met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid komen vast te staan. Dat is voldoende. De rechter kan een deskundigenonderzoek daartoe zonodig ambtshalve bevelen (artikel 221 j° 182 Rv). Aan een weigering tot medewerking kan hij de conclusie verbinden die hij geraden oordeelt.’
3.12
Voor de gerechtelijke vaststelling is dus vereist dat de man de verwekker van het kind is. De verzoeker die dit stelt, zal dat dus moeten bewijzen. In het algemeen geldt als regel van bewijsrecht dat feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand worden aangenomen behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat (art. 149 Rv Pro. jo art. 284 Rv Pro). Afstammingszaken staan niet ter vrije bepaling van partijen. Zeker in verzoekschriftprocedures waarin een beslissing wordt verzocht over de afstamming hoeft de rechter zich niet neer te leggen bij de omstandigheid dat het verzoek niet of onvoldoende is tegengesproken: de rechter mag in zulke gevallen zelfs ambtshalve bewijs opdragen
.
3.13
Voor zover geklaagd wordt dat het hof het criterium van art. 1:207 BW Pro onjuist, want te streng, heeft toegepast door er vanuit te gaan dat voor gerechtelijke vaststelling van het vaderschap aannemelijk moet worden dat de man de verwekker van het kind is (in plaats van kan zijn), faalt gelet op het bovenstaande de klacht.
3.14
Onder andere door het gelasten van een deskundigenonderzoek zoals een DNA-onderzoek kan bewezen worden dat de man de verwekker is. Het gelasten van een DNA onderzoek is in verschillende uitspraken van de Hoge Raad aan de orde geweest. Ik zal die uitspraken hieronder, voor zover thans van belang, bespreken.
3.15
In de uitspraak van de Hoge Raad van 22 september 2000 [17] had de moeder ingevolge art. 1:207 BW Pro een verzoek ingediend bij de rechtbank strekkende tot vaststelling dat de man de vader was van het kind. De man bestreed dat hij de vader was en meende dat de moeder diende te bewijzen dat hij in de conceptieperiode gemeenschap met haar had gehad. De man voerde ook aan dat de moeder na de beëindiging van hun relatie andere partners had gehad en bood daarvan bewijs aan. Bij tussenbeschikking gelastte de rechtbank de man om mee te werken aan een deskundigenonderzoek om vast te stellen of hij de biologische vader was van het kind. Nadat de man van deze beschikking in hoger beroep was gegaan, heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. In cassatie betrof de kern van het geschil de vraag of de rechtbank een DNA-onderzoek had mogen gelasten, nu de man (gemotiveerd) had weersproken dat hij de verwekker van het kind kon zijn. De Hoge Raad oordeelde in rov. 3.5 als volgt:
‘Voor het bevelen van een deskundigenonderzoek als het onderhavige is niet nodig dat het verwekkerschap van de man vaststaat - dan zou het overbodig zijn - en ook niet dat - zoals de man kennelijk bedoelt - vaststaat dat de man met de vrouw in het conceptietijdvak seksuele gemeenschap heeft gehad. Noodzakelijk en voldoende is dat op grond van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de man de verwekker van het kind kan zijn. Op grond daarvan kan de rechter, aan wie het in beginsel vrijstaat een deskundigenonderzoek te bevelen, ook als het gaat om de verkrijging van bewijs tegen de man, oordelen dat de inbreuk van een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van de man gerechtvaardigd is.’ [18] [19]
3.16
In de beschikking van 11 juni 2004 [20] oordeelde de Hoge Raad over een verzoek vaststelling vaderschap als volgt:
‘De wet schrijft niet voor hoe aangetoond moet worden dat een persoon de verwekker is van een kind dan wel als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. Uit de parlementaire geschiedenis inzake het afstammingsrecht (Kamerstukken II 1996/97, 24 649 en 25 189, nr. 35, blz. 31) volgt dat de rechter ambtshalve bewijs kan verlangen en ambtshalve een deskundigenbericht kan gelasten. De wetsgeschiedenis biedt echter geen aanknopingspunt voor de stelling dat het hof ambtshalve een DNA-onderzoek had moeten bevelen of dat een dergelijk onderzoek ingevolge een verzwaarde stelplicht of een bijzondere bewijsregel had moeten plaatsvinden.’
3.17
In haar conclusie onder 2.32 voor Hoge Raad 9 december 2005 [21] overweegt A-G Wesseling-van Gent, voor zover thans van belang, dat een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap op de voet van art. 1:207 BW Pro onder meer als grond dient te hebben dat de man, tegen wie het verzoek zich richt, de verwekker is van het kind. De A-G overweegt verder in 2.37:
‘(…) dat eerst voldoende feiten en omstandigheden moeten worden gesteld, die aannemelijk maken dat de man de verwekker kan zijn. Als het de rechter aannemelijk voorkomt dat de man de verwekker kan zijn geweest, kan hij het verzoek om een DNA-onderzoek toewijzen dan wel dit onderzoek ambtshalve gelasten. Uit dit onderzoek kan dan de vereiste duidelijkheid omtrent het verwekkerschap worden afgeleid, waarna het vaderschap al dan niet gerechtelijk kan worden vastgesteld. Bij een weigering van de man om daaraan mee te werken, kan de rechter bij wijze van conclusie - of sanctie voor de man - het verzoek tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap toewijzen.’
3.18
In de uitspraak van de Hoge Raad van15 februari 2008 [22] speelde de omgekeerde situatie, te weten de situatie waarin de man had verzocht de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren (art. 1:200 BW Pro). Zowel de rechtbank als het hof wezen zijn verzoek af. Ook in die zaak werd, net als in de onderhavige zaak, geklaagd dat het hof te hoge eisen had gesteld aan de stelplicht van de man, althans dat het hof in het duister liet op welke gronden het oordeel berustte dat de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende waren om te kunnen concluderen dat de man niet de biologische vader is van het kind. A-G Langemeijer gaat in zijn conclusie bij genoemde uitspraak nader in op de steplicht in ontkenningszaken. Daarbij betrekt hij ook het geval waarin wordt verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. In de conclusie wordt gerefereerd aan de hiervoor onder 3.16 geciteerde rov. van de Hoge Raad van 11 juni 2004. Zoekend naar de ratio van deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf is de conclusie dat bij een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet kan worden volstaan met simpelweg de stelling dat de aangesproken persoon de biologische vader is van het kind, al dan niet gecombineerd met het verzoek om een DNA-onderzoek te gelasten. Van verzoeker mag worden verwacht dat concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd, waarop de veronderstelling berust dat juist deze man de biologische vader is van het kind.
3.19
De Hoge Raad lijkt, zoals uit de hiervoor weergegeven jurisprudentie volgt, een ruime maatstaf te hanteren voor het gelasten van een DNA-onderzoek. [23] Voor het gelasten van een DNA-onderzoek is
voldoendedat het
aannemelijkwordt dat de man de verwekker kan het kind
kanzijn. In beginsel staat het de rechter vrij al dan niet een deskundigenonderzoek te gelasten. In de onderhavige zaak heeft de moeder subsidiair een DNA onderzoek verzocht en heeft het hof in de bestreden beschikking geoordeeld dat de moeder onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat de man de verwekker van het kind kan zijn, zodat het hof aan het gelasten van een DNA-onderzoek niet toekomt. Voor zover het hof van oordeel is dat de – door de man onweersproken – stellingen van de moeder zoals weergegeven onder 8.4.2. van de bestreden beschikking ontoereikend zijn om zelfs maar een DNA-onderzoek te gelasten, is het bestreden oordeel mijns inziens onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd. De vraag rijst wat de moeder in casu meer had kunnen stellen om in ieder geval te worden toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stellingen door middel van een DNA-onderzoek.
De klacht slaagt.
3.2
Bij deze stand van zaken behoeven de overige klachten geen bespreking.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar een ander gerechtshof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ontleend aan de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 7 april 2022, met zaaknummer: 200.275.463/01, r.o. 3.1. t/m 3.3. De zaak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
2.Zie voor het procesverloop in eerste aanleg: Rb. Limburg 10 december 2019, zaaknummer: C/03/233750 / FA RK 17-1191, onder 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep: hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2022, met zaaknummer: 200.275.463/01, r.o. 2.1. t/m 2.6. en hof ’s-Hertogenbosch 24 november 2022, met zaaknummer: 200.275.463/01, r.o. 7.1. t/m 7.4. De zaken zijn niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
3.Zie voor het verslag van de bijzondere curator productie 37 van het procesdossier.
4.De procesinleiding is binnen drie maanden na de bestreden beschikking op 24 februari 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
5.Zie p. 2 van de procesinleiding, waarin de klachten onder A. sub ii worden samengevat.
6.Zie procesinleiding onder 1-I-a1
7.Zie procesinleiding onder 1-I-a2
8.Zie procesinleiding onder 1-I-b, 1-I-c en 1-I-d
9.Zie procesinleiding onder 1-I-e
10.I-III ontbreekt.
11.Het artikel is gewijzigd door inwerkingtreding per 1 april 2014 van de Wet lesbisch ouderschap, Stb. 2013/486. De term vaderschap is toen vervangen door ouderschap.
12.HR 25 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT0412, rov. 3.2.
13.Stb. 772; Kamerstukken 24649. Zie voor de voorgeschiedenis en literatuuroverzicht de conclusie van A-G Moltmaker voor HR 3 april 1992,
15.MvT, p. 2.
16.MvT, p. 7.
17.HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7204,
18.Zie ook: Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/213.
19.Zie onder 2.13 van de conclusie van A-G Bakels voor Hoge Raad 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7204,
20.HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1318, rov. 3.3..
21.HR 9 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3262.
22.HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1860,
23.Zie ook mr. E.T.P. Merkx, Tijdschrift relatierecht en praktijk nummer 6, september 2020 / SDU, 507 DNA afname bij gerechtelijke vaststelling vaderschap.