Conclusie
verzoekster tot cassatie,
1.Inleiding en samenvatting
is.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
kan zijn, maar de toepassing die het hof in rov. 8.4.2. aan het wettelijk criterium geeft, is daarmee strijdig, want te streng. Het hof past het criterium zo toe dat de moeder zou moeten stellen (en bewijzen) om tot een DNA-onderzoek te worden toegelaten dat de man de verwekker van het kind
is. Het hof benoemt dit halverwege rov. 8.4.2. ook daadwerkelijk zo.
is. Het hof heeft daarnaast ten onrechte een zestal essentiële stellingen van de moeder niet (kenbaar) in zijn afweging betrokken, waardoor het oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd.
.
voldoendedat het
aannemelijkwordt dat de man de verwekker kan het kind
kanzijn. In beginsel staat het de rechter vrij al dan niet een deskundigenonderzoek te gelasten. In de onderhavige zaak heeft de moeder subsidiair een DNA onderzoek verzocht en heeft het hof in de bestreden beschikking geoordeeld dat de moeder onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat de man de verwekker van het kind kan zijn, zodat het hof aan het gelasten van een DNA-onderzoek niet toekomt. Voor zover het hof van oordeel is dat de – door de man onweersproken – stellingen van de moeder zoals weergegeven onder 8.4.2. van de bestreden beschikking ontoereikend zijn om zelfs maar een DNA-onderzoek te gelasten, is het bestreden oordeel mijns inziens onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd. De vraag rijst wat de moeder in casu meer had kunnen stellen om in ieder geval te worden toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stellingen door middel van een DNA-onderzoek.
De klacht slaagt.