Conclusie
1.Stichting Pensioenbehoud
Pensioenbehoud c.s.en
Staat.
1.Inleiding en samenvatting
IORP-II. IORP staat voor
institutions for occupational retirement provision, de Engelse benaming van ‘instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening’ (hierna:
IBPV’s).
2.Feiten en procesverloop
IBPV’s die pensioenregelingen uitvoeren en zelf, en niet de bijdragende ondernemingen,
een dekking tegen biometrische risico’s verzekerenof een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garanderen,
permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhoudennaast de technische voorzieningen. De omvang van de buffer is afgestemd op het soort risico en de aard van de activaportefeuille met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen. Die activa zijn vrij van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.
minimumbedrag van de aanvullende activazijn de in de artikelen 16, 17 en 18 vastgestelde regels van toepassing.
Lid 1 belet de lidstaten echter niet op hun grondgebiedgevestigde IBPV’s te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of
gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.”
Pw). [5] Art. 131 luidt Pro:
Artikel 131. Minimaal vereist eigen vermogen
Collective Defined Contribution-regeling [7] uitvoeren die kwalificeert als premieovereenkomst. Zij bieden als andere pensioenfondsen in Nederland dekking voor ‘biometrische risico’s’, waaronder worden verstaan “
risico’s in verband met overlijden, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting”. [8]
rechtbank). Zakelijk weergegeven vorderden zij dat voor recht wordt verklaard dat art. 131 en Pro/of art. 132 Pw Pro in strijd is c.q. zijn met één of meer bepalingen uit de IORP II-richtlijn en aldus buiten toepassing moet(en) blijven voor zover een pensioenfonds een CDC-/premieovereenkomst uitvoert.
verzekert(rov. 4.28). Ook als een pensioenfonds als laatste redmiddel moet overgaan tot het korten van opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten (art. 134 Pw Pro), draagt het pensioenfonds nog steeds de biometrische risico’s (rov. 4.29).
hof). In hoger beroep hebben zij hun vordering geherformuleerd tot een verklaring voor recht dat art. 131 en Pro/of art. 132 Pw Pro in strijd is of zijn met IORP II, in ieder geval met art. 15 daarvan Pro, en dus buiten toepassing moet(en) blijven. [10] Verder hebben Pensioenbehoud c.s. het hof verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.
verzekerd(rov. 6.5).
3.Juridisch kader
dekkingseis. De verhouding tussen bezittingen en pensioenverplichtingen bepaalt of een pensioenfonds mag indexeren en ook wanneer een pensioenfonds een herstelplan moet maken of, in het uiterste geval, de pensioenen moet korten. Deze verhouding heet de
dekkingsgraad. Als de dekkingsgraad 100% is, betekent dit dat een pensioenfonds voor elke EUR 100 aan verplichtingen EUR 100 aan vermogen heeft.
de Commissie) een voorstel in voor een Richtlijn betreffende de werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. [14] Daarin werd een artikel 17 voorgesteld Pro dat als volgt luidde (onderstreping hieronder en hierna in dit hoofdstuk steeds toegevoegd):
Het wettelijk voorgeschreven eigen vermogen
permanent bijkomende activa aanhouden naast de technische voorzieningenmet betrekking tot het geheel van regelingen die zij beheren. Deze activa moeten vrij van alle voorzienbare verplichtingen zijn en als veiligheidskapitaal dienen om de verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.
Onder deze omstandighedenzijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en
moeten de desbetreffende instellingen hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.”
hetzelfdeeen soortgelijkaanvullend eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.”
in richtlijn 79/267/EEG vastgestelderegels van toepassing
die voor de desbetreffende instelling gelden in de lidstaat van ontvangst. Indien een lidstaat geen bepalingen heeft aangenomen, zijn de bepalingen als vastgesteld in de artikelen 18 en 19 van Richtlijn 79/267/ EEG (artikel 18 als Pro gewijzigd bij artikel 25 van Pro Richtlijn 92/96/EEG),van toepassing.”
Raad), die samen met het Europees Parlement de wetgever van de Unie vormt, heeft daarna een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld. [16] In de toelichting daarop werd over artikel 17 het Pro volgende opgemerkt: [17]
heeft de Raad […] door "en niet de bijdragende ondernemingen" in te voegen, getracht duidelijker te maken welke situaties in lid 1 worden bedoeld. Evenzo heeft de Raad in lid 2 verduidelijkt dat dit betrekking heeft op het
minimumbedrag en dat de relevante bepalingen van de levensverzekeringsrichtlijn in dit verband de artikelen 18 en 19 zijn. Daarmee heeft de Raad amendement 81 van het Europees Parlement ten dele overgenomen; hij ziet echter geen reden om de rest van dat amendement over te nemen (noch het daarmee samenhangende amendement 24), aangezien de twee door het Europees Parlement genoemde richtlijnen reeds in alle lidstaten zijn uitgevoerd.
IORP-I) en luidt als volgt:
een dekking tegen biometrische risico's verzekerenof een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garanderen,
permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhoudennaast de technische voorzieningen. De omvang van de buffer is in overeenstemming met het soort risico en de aard van de activa met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen. Deze activa zijn vrij van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.
het minimumbedrag van de aanvullende activazijn de in de artikelen 27 en 28 van Richtlijn 2002/83/EG vastgestelde regels van toepassing.
Lid 1 belet de lidstaten echter niet op hun grondgebiedgevestigde instellingen te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of
gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.”
Psw). [19] Het derde lid van art. 9a Psw luidde:
Artikel 131. Minimaal vereist eigen vermogen
volledige overdracht, herverzekering of onderbrengingis overgegaan; en
Als een fonds volledig is herverzekerd, is het niet nodig dat het fonds zelf ook het minimaal vereist eigen vermogen aanhoudt. Zou dat wel het geval zijn, dan is er sprake van het tweemaal afdekken van hetzelfde risico.Om die reden is dit artikel aangepast. Of de kwaliteit van de herverzekering de zekerheid van het minimaal vereist eigen vermogen voor een fonds volledig compenseert, is uiteindelijk aan DNB ter beoordeling. […].”
instellingIBPVzelf zijn die hetzij het biometrische risico dekt, hetzij
een bepaald uitkeringsniveaueen bepaalde hoogte van de uitkeringenof bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de
instellingIBPVdeze dekking of garanties echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder
dezedie omstandigheden
zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen enmoeten de desbetreffende
instellingenIBPVten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.eigen vermogen aanhouden op basis van de waarde van de technische voorzieningen en het risicokapitaal.”
Deze richtlijn beoogt minimale harmonisatieen mag de lidstaten daarom niet beletten verdere voorschriften ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden van bedrijfspensioenregelingen in te voeren, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten. (...).”
ongewijzigd. In de memorie van toelichting wordt hierover onder meer het volgende opgemerkt (citaat zonder voetnoot, A-G):
Dus ook in het nieuwe pensioenstelsel geldt het uitgangspunt dat wanneer een pensioenfonds een dekking tegen biometrische risico’s verzekert, of de hoogte van uitkeringen of beleggingsrendement garandeert,
het pensioenfonds verplicht is om een minimaal vereist eigen vermogen aan te houden. […]” [34]
indien het pensioenfonds enkel een variabele ouderdomspensioenuitkering aanbiedt en daarnaast geen nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidspensioen aanbiedt, ook niet in de opbouwfase. Alleen in dat geval is er geen dekking tegen biometrische risico’sen wordt er geen beleggingsrendement of bepaalde uitkeringshoogte gegarandeerd. In dat geval is het pensioenfonds op grond van de IORP-richtlijn niet verplicht om een minimaal vereist eigen vermogen aan te houden.”
Handvest). Het ging in die zaak evenwel om een voorwaardelijke indexatie, dus om onzekere toekomstige vooruitzichten op waardevermeerdering, wat volgens de voorzieningenrechter niet als een eigendomsrecht is aan te merken.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1vecht de gegeven uitleg van gedingstukken aan.
Onderdeel 2bevat rechtsklachten over de uitleg van art. 15 IORP Pro-II.
Onderdeel 3ziet op de overweging dat toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht niet zonder meer zal leiden tot verhoging van pensioenen.
nietlos staat van de vraag of een pensioenregeling kwalificeert als een CDC-regeling. Het is dus wel degelijk relevant of een CDC-regeling bestaat en welke.
Waar gaat deze procedure over?
en aldus buiten toepassing moet(en) blijven voor zover een pensioenfonds een CDC/premieovereenkomst uitvoert(rov. 4.1, zie petitum onder I van de inleidende dagvaarding), terwijl in hoger beroep de vordering werd geherformuleerd tot een verklaring voor recht dat art. 131 en Pro/of art. 132 Pw Pro in strijd is of zijn met IORP II, in ieder geval met art. 15 daarvan Pro, en dus buiten toepassing moet(en) blijven (zie onder 79 en petitum onder I van de memorie van grieven). In hun schriftelijke toelichting (onder 1.7) laten Pensioenbehoud c.s. optekenen dat het gaat om een ‘gewijzigde ruimere vordering’ in beroep. Verder merken zij onder verwijzing naar de memorie van grieven in onder 1.9 op dat het in hoger beroep ging om de vraag “
of pensioenfondsen die pensioenregelingen uitvoeren, uitkerings- of premieovereenkomsten (al dan niet een ‘CDC-premieregeling’ genoemd), een dekking tegen biometrische risico’s ‘verzekeren’ in de zin van art. 15 lid 1 IORP Pro-II.”
Er is naar het oordeel van appellanten geen sprake van dat pensioenfondsen biometrische risico’s ‘verzekeren’. Alle biometrische risico’s komen immers voor rekening van de deelnemers en gepensioneerden. Doordat de deelnemers en gepensioneerden die risico’s zelf lopen, stelt de Staat ten onrechte in de Pensioenwet de eis aan pensioenfondsen om buffers voor biometrische risico’s aan te houden. Het gevolg van die eis is dat pensioenfondsen te weinig middelen hebben om pensioenen te indexeren c.q. zich gedwongen voel(d)en om pensioenen te korten.
komen de kosten van niet door premies gedekte biometrische risico’s ten laste van deelnemers en gepensioneerden middels verlagingen van het pensioen. Alhoewel stabiliteit van het pensioen wordt beoogd, kan telkenjare sprake zijn van verlaging of niet of niet volledig toekennen van toeslagen. De pensioenuitkering kan daardoor als ‘variabel’ worden gekwalificeerd. Dat heeft de geschiedenis sinds 2008 wel bewezen.
Aangezien pensioenfondsen de dekking van biometrische risico’s niet zélf kunnen ‘verzekeren’of ervoor instaan of garanderen zoals hiervoor is aangetoond, kan er op die gronden geen verplichting bestaan om als pensioenfonds strengere buffers, voor biometrische risico’s, te moeten houden.
Omdat het pensioenfonds geen enkel risico loopt wegens het ontbreken van garanties of het absorberen van biometrische risico’s, is artikel 15 IORP Pro II niet van toepassing op Nederlandse pensioenfondsen die deze risico’s niet zelf dragen. Dat geldt voor zowel premieovereenkomsten als uitkeringsovereenkomsten.
rov. 6.3-6.11. Er zijn twee ‘algemene rechtsklachten’, die worden uitgewerkt in subonderdelen. De
eerste klacht(uitgewerkt in 2.1 en 2.2) houdt in dat het hof ten onrechte niet (mede) heeft betrokken de inhoud en de verdere tekst, doel en strekking van IORP-I. De
tweede klacht(uitgewerkt in 2.3) houdt in dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat art. 15 IORP Pro-II slechts minimumharmonisatie biedt waardoor het de wetgever vrijstaat om ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden maatregelen te nemen en IBPV’s aanvullende voorschriften op te leggen die uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. Deze algemene klachten bespreek ik niet zelfstandig, omdat zij het lot delen van de vermelde subonderdelen die ik nu zal bespreken.
subonderdeel 2.3over minimumharmonisatie te bespreken. Immers, als die klacht ongegrond is hoeven de klachten over de uitleg van het begrip ‘verzekeren’ niet meer aan de orde te komen. Subonderdeel 2.3 richt klachten tegen rov. 6.4 en rov. 6.10 van het bestreden arrest, die als volgt luiden:
mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de Unierechtelijke verplichtingen van de lidstaten.” Uit overweging 32 van IORP-I blijkt dat de lidstaten maar beperkte vrijheid hebben als het gaat om nadere voorschriften voor de in art. 15 lid 1 IORP Pro-II bedoelde specifieke gevallen waar pensioenuitvoerders/-fondsen zelf de dekking van biometrische risico’s verzekeren vergelijkbaar met levensverzekeringsondernemingen. Voor die fondsen mogen aanvullende voorschriften worden gesteld voor het eigen vermogen, mits ze vanuit prudentieel opzicht gerechtvaardigd zijn. Door dit niet, met aanvulling van rechtsgronden, in zijn beoordeling en oordeelsvorming te betrekken, is het hof door te oordelen als in rov. 6.4 en rov. 6.10 uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van de in IORP-I en IORP-II bedoelde minimumharmonisatie. Daarmee ging het hof (ook) uit van een verkeerde (want te ruime) uitleg van het bepaalde in art. 15 lid 3 IORP Pro-II. De daarin aan lidstaten gelaten wetgevingsvrijheid ziet uitsluitend op de in art. 15 lid 1 bedoelde Pro specifieke situaties. Het hof heeft hiermee het Unierecht geschonden.
Commissie/Tsjechië [49] uit 2010. Aanleiding voor die zaak was dat de Tsjechische Republiek de Richtlijn IORP-I niet volledig had omgezet. In reactie op het betoog dat Tsjechië geen IBPV’s kende en dat de omzetting van de richtlijn haar zou dwingen tot het invoeren van ‘tweede pijler-pensioenen’ (in strijd met haar vrijheid om haar nationale socialezekerheidsstelsel naar eigen inzicht te organiseren), [50] overweegt het HvJEU dat IORP I een eerste stap is op de weg naar de instelling van een interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening door op Europese schaal in
minimaleprudentiële regels te voorzien (rov. 59). Het HvJEU overweegt dit in algemene zin, maar dit is dus in art. 17 lid 3 IORP Pro-I specifiek bepaald voor 17 lid 1 IORP-I.
Ten eerstekan aan Pensioenbehoud c.s. worden toegegeven dat het betrekken van IORP I bij de uitleg van een bepaling uit IORP II in dit geval een relevant gezichtspunt zou kunnen opleveren. Art. 17 lid 1 IORP Pro-I en art. 15 lid 1 IORP Pro-II zijn immers geformuleerd in nagenoeg gelijke bewoordingen. Continuïteit in de uitleg van die bepalingen ligt daarom voor de hand. [53] Ten tweedememoreer ik dat de volgende uitlegmethoden door het HvJEU worden gebruikt bij de uitleg van richtlijnen: grammaticale (tekstueel), systematische (contextueel), teleologische (functioneel), historische en verdragsconforme uitleg. [54] Ten derdemoeten begrippen in een EU-richtlijn, behoudens expliciet voorziene uitzonderingen, autonoom en uniform moeten worden uitgelegd.
Ten vierdegeldt dat iedere bepaling van Unierecht in haar context moet worden geplaatst en moet worden uitgelegd in het licht van het Unierecht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast. [55] Beperking tot een letterlijke of grammaticale interpretatie ligt (mede) daarom niet voor de hand. [56] Ten vijfdewijs ik erop dat de considerans van een richtlijn als hulpmiddel bij de interpretatie van die richtlijn kan fungeren maar geen bindende rechtskracht heeft. Als er licht zit tussen een bepaling en een overweging gaat de bepaling voor. [57]
art. 17 lid Pro 2en
overweging (30)van IORP I.
voor de berekening van het minimumbedragvan de aanvullende activa. Dat is een voorschrift dat van toepassing is áls voor een pensioenfonds een aanvullende buffer verplicht is, maar in geschil is hier óf dat zo is. Overweging 30 noemt levensverzekeringsondernemingen alleen in verband met de noodzaak eerlijke concurrentie tussen alle dienstverleners te waarborgen, zoals ook reeds bleek uit de toelichting bij het Commissievoorstel voor IORP I. [58]
waarbij de instelling zelf de verplichting op zich neemt een biometrisch risico te dekken”, maar: “
dat instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf […] een dekking tegen biometrische risico’sverzekeren”. Ik heb geen toelichting op deze wijziging gevonden. In de Engelse, Duitse en Italiaanse taalversies van art. 17 IORP Pro-I is op dit punt overigens niets gewijzigd ten opzichte van het Commissievoorstel. In de Franse [59] en Spaanse [60] taalversies is wel een wijziging opgetreden, maar deze tekstwijzigingen zijn evenmin toegelicht en vinden niet hun weerslag in de uiteindelijke tekst van overweging 30. [61]
dekkingwordt geboden of verschaft voor biometrische risico’s. Dat maakt de door een IBPV aangeboden producten in zoverre
vergelijkbaarmet die van een levensverzekeringsonderneming (wat niet hetzelfde is als ‘gelijk’). Dit leidt ertoe dat dezelfde regels gelden als voor deze verzekeringsondernemingen. Met de vergelijking met levensverzekeringsondernemingen is dus niet beoogd het begrip ‘verzekeren’ in art. 17 lid 1 IORP Pro-I resp. art. 15 lid 1 IORP Pro-II te duiden. [62] Anders dan Pensioenbehoud c.s. ingang willen doen vinden kan het woord ‘verzekeren’ niet zó beperkt worden geïnterpreteerd dat een minimaal eigen vermogen alleen moet worden aangehouden indien een IBPV biometrische risico’s verzekert zoals een levensverzekeringsonderneming dat doet.
considerans 26 en 28van IORP-I. Deze overwegingen hebben betrekking op het vaststellen van toereikende technische voorzieningen. In deze zaak gaat het echter om aanvullend eigen vermogen
naastde technische voorzieningen (art. 17 lid 1 IORP Pro I en art. 15 lid 1 IORP Pro II). De verwijzing naar deze overwegingen is dus irrelevant. [63]
ultimum remedium, de pensioenen worden gekort. Dit alles betekent evenwel niet dat er om die reden geen, althans niet langer, sprake zou zijn van ‘verzekeren’. Als bij een schadeverzekering de schadelast (sterk) is gestegen zal dat in de regel doorwerken in de hoogte van de premies en/of de omvang van de dekking (binnen wettelijke grenzen). Zo ook hier: bij tegenvallers blijft het pensioen verzekerd, alleen valt de hoogte ervan lager uit dan mogelijk werd verwacht. Tegenvallers voor een pensioenfonds als uitvoerder van een pensioenregeling zijn daarom – direct of indirect – ook tegenvallers voor de deelnemers aan die regeling. Voor meevallers is dat in beginsel niet anders. Dit is echter inherent aan het collectieve en solidaire karakter van een pensioenverzekering.
nietkan worden gesteld, namelijk als de bijdragende onderneming (de ‘sponsor’) de biometrische risico’s moet dekken (zie ook zojuist 4.34).
volledig zelf verzekeren. Die eis zou (mede) afgeleid kunnen worden uit het feit dat art. 13 lid 2 IORP Pro-II verplicht tot het aanhouden van
toereikendetechnische voorzieningen met betrekking tot de dekking voor biometrische risico’s.
de mate van dekkingvan biometrische risico’s als bedoeld in art. 15 lid 1 IORP Pro-II die zou zijn vereist om de verplichting tot het aanhouden van een minimum vereist eigen vermogen te activeren. Bovendien geeft de tekst van art. 15 lid 1 IORP Pro-II ook geen aanleiding om een vereiste mate van dekking te bepalen. Zoals het hof terecht vaststelt, staat er: ‘een’ dekking. Pensioenfondsen die pensioenregelingen uitvoeren bieden per definitie dekking aan tegen biometrische risico’s. [64] Het hof was daarom niet gehouden om art. 13 lid 2 IORP Pro-II te betrekken bij de uitleg van art. 15 lid 1 IORP Pro-II.
herverzekeren, en niet over ‘volledige overdracht’ of ‘onderbrenging’. Pensioenbehoud c.s. gaan bij hun klacht kennelijk ervan uit dat een pensioenfonds door herverzekering de biometrische risico’s – in alle gevallen – geheel kan afdekken, in die zin dat herverzekering gelijk kan worden gesteld aan volledige overdracht en onderbrenging. Indien het middel dat inderdaad bedoelt, is dat onjuist. Ten eerste krijgt het pensioenfonds bij herverzekering een aanspraak op een uitkering van een verzekeraar. Het pensioenfonds blijft echter aansprakelijk voor het doen van een uitkering aan de gerechtigden indien een risico zich verwezenlijkt. Bij volledige overdracht of onderbrenging is dat laatste niet het geval. [65] Ten tweede kunnen door (her)verzekering weliswaar de risico’s worden afgedekt, maar waterdicht hoeft dat niet te zijn. Illustratief is een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) waarin aan de orde was of De Nederlandsche Bank (DNB) ontheffing van de eis van art. 131 Pw Pro (minimum eigen vermogen) kon weigeren. Het CBb overwoog: [66]
subonderdeel 2.2.ddat gelet op het voorgaande het oordeel in rov. 6.5 e.v. (art. 131-132 Pw zijn niet in strijd met art. 15 IORP Pro II) onjuist is. Gelet op mijn bespreking van de vorige klachten in dit subonderdeel, faalt deze voortbouwende klacht.
ten behoeve van gepensioneerden(ervan uitgaande dat niet alleen de belastingbetaler voor de rekening opdraait). Onvermijdelijk zit er na zo’n aderlating minder in de beheerde pensioenpot, met als risico dat er weer geld bij moet. En wie gaat dat betalen? Als de premies omhoog moeten ondervindt de jonge generatie van aangeslotenen direct financieel nadeel. Hoewel dit alles eigenlijk van zelf spreekt dat, leek het mij toch goed dit te zeggen. [71]
eerste klachtis een voorbouwklacht die inhoudt dat gelet op subonderdeel 2.1, 2.2 en/of 2.3 het hof ten onrechte (in rov. 6.3-6.10) tot zijn eindoordeel is gekomen dat art. 131 Pw Pro en 132 Pw niet in strijd zijn met art. 15 IORP Pro II. Deze klacht deelt in het lot van de klachten in de overige subonderdelen.
tweede klachtbetoogt Pensioenbehoud c.s. dat het hof ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld. Deze klacht is kennelijk gericht tegen rov. 6.12 waar het hof, voor zover relevant, overweegt:
in beginsel verplichtom een prejudiciële beslissing te verzoeken (art. 267, derde alinea, VWEU).
geen verplichtingrustte op het hof – zijnde een instantie die een uitspraak doet waartegen een gewoon rechtsmiddel kan worden aangewend – om een prejudiciële uitlegvraag te stellen aan het HvJEU. Het hof had de mogelijkheid daartoe maar heeft daarvan om de reden genoemd in rov. 6.12 geen gebruik gemaakt. Pensioenbehoud c.s. richten daartegen geen motiveringsklacht.
obiter dictumdient namelijk te worden bepaald aan de hand van een materieel criterium; de gekozen bewoordingen in de bestreden overweging zelf zijn daarvoor niet zonder meer beslissend. [74] De vraag is of de overweging (hier rov. 6.11) de beslissing in het dictum (mede) draagt.
hoeftte leiden tot het doel wat Pensioenbehoud c.s. voor ogen hebben. Het hof sluit niet uit dat dit wel kán. Het hof gaat niet mee met het betoog van de Staat dat geen belang bij de vorderingen bestaat (memorie van antwoord, par. 3). Wat het hof wél doet, is Pensioenbehoud c.s. erop wijzen dat het sneuvelen van de buffervereisten in art. 131 (en 132) Pw, niet
per sezal leiden tot indexatie van pensioenen. Overigens mist de klacht feitelijke grondslag voor zover wordt betoogd dat het hof zou hebben miskend dat een onjuiste implementatie van een richtlijn onrechtmatig kan zijn en dat de Staat in zo’n geval zou kunnen worden aangesproken tot compensatie van dientengevolge geleden vermogensschade. Dat heeft het hof niet geoordeeld.