De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee voorwaardelijk, en een taakstraf van 120 uur wegens opzettelijk handelen in strijd met het verbod op verdovende middelen. Daarnaast werd een bedrag van €1.940 verbeurd verklaard. Het hof Den Haag bevestigde dit vonnis bij arrest van 10 januari 2022.
In cassatie werden twee middelen voorgesteld: het eerste betrof de motivering van de strafoplegging en het tweede de motivering van de verbeurdverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel faalt omdat de strafmotivering voldoende was en de politierechter expliciet rekening hield met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, inclusief recidive.
Het tweede middel slaagde echter omdat het hof en de politierechter niet voldoende hebben gemotiveerd op welke grondslag de verbeurdverklaring van het geldbedrag was gebaseerd. De Hoge Raad stelde dat het hof niet had vastgesteld welke van de wettelijke gronden voor verbeurdverklaring van toepassing was, terwijl dit wel vereist is. Daarom werd de verbeurdverklaring vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van dit onderdeel.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en beperkte de vernietiging tot de verbeurdverklaring. De strafoplegging blijft daarmee in stand.